1958 · Buchenwald / West-Duitsland, Duitsland
6,5 Jaar onder de Vloer: Toen Ontmaskerde Hij Zijn Beul
In 1944 hielp kampcommandant Martin Sommer een gevangene verdwijnen. Jaren later kroop diezelfde man uit zijn schuilplaats en werd de sleutelgetuige tegen een van de wreedste nazi-beulen.

Op een ochtend in februari 1950 reed een politieauto over een smalle landweg in de buurt van Bayreuth, in het noorden van Beieren. De agenten zochten een man die al vijf jaar spoorloos was. Ze hadden een adres gekregen, een onopvallend huis aan de rand van een dorp, bewoond door een invalide oorlogsveteraan die zich nauwelijks buitenshuis vertoonde. Toen ze aanklopten, deed een vrouw open. In de woonkamer zat een man in een rolstoel. Zijn linkerbeen ontbrak. Zijn linkerarm hing slap langs zijn lichaam, grotendeels verlamd. Hij keek de agenten aan met een uitdrukking die niets verried.
De man heette Walter Gerhard Martin Sommer. Dertien jaar eerder was hij een van de meest gevreesde figuren geweest in concentratiekamp Buchenwald.
Het zou nog acht jaar duren voordat hij terechtstond. En toen dat eindelijk gebeurde, in de zomer van 1958, zou een rechtszaal in Bayreuth het toneel worden van een van de meest confronterende processen uit de naoorlogse Duitse rechtsgeschiedenis, een proces waarin overlevenden oog in oog kwamen te staan met de man die hen had gemarteld, en waarin de vraag centraal stond hoe een heel land zo lang had kunnen wegkijken.
Maar om te begrijpen wat er in die rechtszaal gebeurde, moeten we eerst terug naar de heuvel bij Weimar. Naar de plek die de gevangenen de Ettersberg noemden. Naar Buchenwald.
Het kamp lag op een beboste heuvelrug, acht kilometer ten noordwesten van Weimar, de stad van Goethe en Schiller, het culturele hart van Duitsland. Die tegenstelling was geen toeval. De nazi's hadden de locatie bewust gekozen. Vanaf de kamptorens kon je bij helder weer de daken van Weimar zien liggen. De gevangenen konden de stad ruiken wanneer de wind uit het zuiden kwam: bakkerijlucht, houtvuur, het gewone leven. Maar de wind draaide ook de andere kant op, en dan rook Weimar de crematoria van Buchenwald.
Het kamp werd geopend in juli 1937 en groeide uit tot een van de grootste concentratiekampen op Duits grondgebied. Tegen het einde van de oorlog waren er meer dan 250.000 mensen doorheen gekomen. Ruim 56.000 van hen kwamen om, door uitputting, ziekte, medische experimenten, executies, en door de handen van bewakers die vrij spel hadden gekregen.
Een van die bewakers was Martin Sommer.
Sommer was geboren in 1915 in Schkopau, een industriestadje in Saksen-Anhalt. Hij sloot zich op zijn achttiende aan bij de SS en werd in 1937 gestationeerd in Buchenwald, waar hij al snel opklom tot Rapportführer, verantwoordelijk voor de dagelijkse appèls, de discipline en de straffen. In de praktijk betekende dit dat Sommer de man was die besliste wie er geslagen werd, wie er in isolatie ging, en wie er niet meer terugkwam.
Zijn werkterrein was het Arrestzellenbau, het detentiegebouw dat de gevangenen simpelweg de Bunker noemden. Het was een laag, bakstenen gebouw met een lange gang en aan weerszijden kleine cellen. Sommige cellen maten niet meer dan twee bij anderhalve meter. Er waren staancellen, waar gevangenen urenlang rechtop moesten staan zonder te mogen zitten of leunen. Er waren donkere cellen, zonder raam, zonder licht, waar mensen dagenlang in volledige duisternis werden opgesloten. En er was de kamer van Sommer zelf, een kantoor aan het einde van de gang, waar hij zijn administratie bijhield en waar, volgens latere getuigenissen, een verborgen compartiment onder de vloer zat.
Dat compartiment zou een centrale rol gaan spelen in het verhaal dat zich rond Sommer ontvouwde. Niet als schuilplaats voor een persoon, dat detail, hoewel het in sommige naoorlogse verhalen is opgedoken, is nooit betrouwbaar geverifieerd, maar als bergplaats voor de instrumenten waarmee Sommer zijn werk deed. Onder de vloerplanken van zijn kantoor bewaarde hij injectiespuiten, flesjes met carbolzuur, en ander materiaal dat hij gebruikte om gevangenen te doden. Het luik ging open, de spuit kwam tevoorschijn, het luik ging dicht. Alles netjes opgeborgen, alsof het gereedschap was van een ambachtsman.
De methode was klinisch in zijn eenvoud. Een gevangene werd naar de Bunker gebracht, vaak onder het voorwendsel van een medisch onderzoek of een verhoor. Sommer of een van zijn medewerkers diende een injectie toe. Carbolzuur, rechtstreeks in de bloedbaan. De dood volgde binnen minuten, soms seconden. Het lichaam werd afgevoerd naar het crematorium, dat op loopafstand lag. In de administratie werd genoteerd dat de gevangene was overleden aan hartfalen, of aan een infectie, of aan een andere natuurlijke oorzaak. Het systeem was waterdicht, althans, dat dacht Sommer.
Wat Sommer niet wist, was dat er binnen de SS zelf iemand was die begon te graven.
Georg Konrad Morgen was een opmerkelijke figuur binnen het naziapparaat. Hij was SS-rechter, een jurist die was aangesteld om corruptie en ongeautoriseerde misdrijven binnen de SS te onderzoeken. Dat klinkt paradoxaal: een organisatie die genocide pleegde, had een interne afdeling die misdrijven onderzocht. Maar het systeem had zijn eigen logica. De SS wilde controle houden over het geweld. Willekeurige moorden, diefstal van gevangenenbezitten, persoonlijke verrijking, dat waren overtredingen van de interne orde. Morgen werd eropuit gestuurd om die orde te herstellen.
In 1943 arriveerde Morgen in Buchenwald. Hij was daar oorspronkelijk om de kampcommandant Karl Otto Koch te onderzoeken, die ervan verdacht werd gevangenen te hebben vermoord om hun bezittingen te stelen en getuigen uit de weg te ruimen. Maar tijdens zijn onderzoek stuitte Morgen op iets dat zelfs binnen de verwrongen normen van de SS opviel: het systematische moordpatroon van Martin Sommer.
Morgen begon getuigen te verhoren. Gevangenen die in de Bunker hadden gezeten en het hadden overleefd. Medegevangenen die hadden gezien hoe mensen de Bunker in gingen en er niet meer uit kwamen. Artsen die de doodsoorzaken hadden moeten vervalsen. Stuk voor stuk legden ze verklaringen af over wat Sommer deed in zijn kantoor aan het einde van de gang.
Het resultaat was opmerkelijk: Morgen stelde een aanklacht op tegen Sommer, niet namens de slachtoffers, maar namens de SS zelf. Sommer werd beschuldigd van ongeautoriseerde moorden en excessieve wreedheid. In het bizarre juridische universum van het Derde Rijk was het niet de moord die het probleem was, maar het feit dat Sommer op eigen initiatief handelde, buiten de officiële bevelsstructuur om.
Sommer werd in 1943 uit Buchenwald verwijderd en overgeplaatst. Maar voordat zijn zaak tot een conclusie kon komen, stortte het Derde Rijk in. In april 1945, tijdens de laatste weken van de oorlog, werd Sommer getroffen door een granaatscherf. De verwondingen waren verwoestend: hij verloor zijn linkerbeen en raakte zwaar gewond aan zijn linkerarm. Amerikaanse soldaten vonden hem op een slagveld en brachten hem naar een veldhospitaal. Daar werd hij geopereerd door legerartsen, onder wie joodse artsen die zijn leven redden zonder te weten wie hij was.
Na zijn herstel verdween Sommer in de chaos van het naoorlogse Duitsland. Miljoenen mensen waren ontheemd, steden lagen in puin, administraties waren vernietigd. Het was verbazingwekkend eenvoudig om te verdwijnen. Sommer trok zich terug in een klein dorp in Beieren, leefde van een invaliditeitsuitkering, en wachtte af.
Ondertussen begon in heel Duitsland het moeizame proces van Vergangenheitsbewältigung, de confrontatie met het verleden. Maar die confrontatie verliep traag. In de eerste naoorlogse jaren waren de geallieerden verantwoordelijk voor de berechting van oorlogsmisdadigers, via tribunalen in Neurenberg en elders. Maar naarmate de Koude Oorlog verhardde, verschoof de prioriteit. West-Duitsland werd een bondgenoot tegen de Sovjet-Unie, en de politieke wil om voormalige nazi's te vervolgen nam af. Duizenden daders keerden terug in het gewone leven, als ambtenaren, ondernemers, artsen, leraren. Ze werden niet gezocht. Ze werden niet gevonden. Ze werden niet berecht.
Sommer was een van hen. Vijf jaar lang leefde hij ongestoord in zijn dorp. Totdat iemand hem herkende.
De details van die herkenning zijn schaars in de archieven. Wat vaststaat is dat de Beierse politie in februari 1950 een tip ontving en Sommer arresteerde in zijn woning. Hij werd overgebracht naar een detentiecentrum en ondervraagd. De aanklagers begonnen een dossier op te bouwen.
Maar toen begon een juridisch steekspel dat zes jaar zou duren.
Sommers advocaten voerden aan dat hun cliënt fysiek niet in staat was om terecht te staan. Duitse artsen onderzochten hem en concludeerden dat hij inderdaad ernstig invalide was, het ontbrekende been, de verlamde arm, chronische pijn, beperkte mobiliteit. Een Amerikaans militair tribunaal dat oorspronkelijk de zaak zou behandelen, liet de aanklacht in 1955 vallen op medische gronden. Sommer werd vrijgelaten.
Het leek erop dat hij ermee weg zou komen.
Maar de overlevenden van Buchenwald gaven niet op. In heel West-Duitsland en daarbuiten leefden mannen en vrouwen die de Bunker hadden overleefd, die de injecties hadden gezien, die de schreeuwen hadden gehoord. Ze schreven brieven aan justitie. Ze legden verklaringen af bij politiebureaus. Ze weigerden te vergeten.
En ze vonden een bondgenoot in de persoon van Helmut Paulik, een jonge aanklager bij het Landgericht Bayreuth. Paulik was vastbesloten om de zaak opnieuw te openen, dit keer voor een Duits gerechtshof, niet een Amerikaans tribunaal. Hij begon systematisch bewijs te verzamelen. Getuigenverklaringen, medische dossiers, kampregistraties, foto's. Het dossier groeide uit tot honderden pagina's. De aanklacht die Paulik uiteindelijk formuleerde, omvatte bewijs voor betrokkenheid bij de dood van naar schatting tweehonderd mensen. Maar om het proces beheersbaar te houden, beperkte de rechtbank de tenlastelegging tot 53 specifieke gevallen.
Op 24 maart 1958, meer dan dertien jaar na de bevrijding van Buchenwald, opende het Schwurgericht in Bayreuth de zaak tegen Martin Sommer.
De rechtszaal van het Landgericht Bayreuth was een sobere ruimte met hoge ramen die het voorjaarslicht binnenlieten. Houten banken voor het publiek, een verhoogd podium voor de rechters, en een afgezet gedeelte voor de verdachte. Op die eerste dag was elke stoel bezet. Journalisten van kranten uit heel West-Duitsland en daarbuiten hadden zich verzameld. Op de publieke tribune zaten overlevenden, mannen van in de vijftig en zestig, sommigen met hun vrouwen, anderen alleen. Ze droegen nette pakken, stropdassen, gepoetste schoenen. Niets aan hen verried wat ze hadden meegemaakt, behalve hun ogen, die strak gericht waren op de deur waardoor de verdachte zou binnenkomen.
Toen Sommer de rechtszaal werd binnengereden, viel het even stil. Hij zat in een rolstoel, geduwd door een bewaker. Zijn linkerbeen was geamputeerd tot boven de knie; een metalen prothese stak uit onder zijn broekspijp. Zijn linkerarm hing bewegingloos langs zijn lichaam. Hij droeg een wit overhemd, geen stropdas. Zijn gezicht was mager, ingevallen, ouder dan zijn 43 jaar. Hij keek de zaal in met een uitdrukking die sommige journalisten later beschreven als onverschillig, anderen als berekend.
De eerste weken van het proces waren gewijd aan de getuigenissen van overlevenden. Een voor een kwamen ze naar voren, mannen die in de Bunker hadden gezeten, die Sommer hadden gezien bij zijn werk, die de gevolgen hadden overleefd.
Ze beschreven de routine van de Bunker met een precisie die de rechtszaal deed verstillen. Hoe gevangenen bij aankomst werden gedwongen zich uit te kleden en in een rij te gaan staan. Hoe Sommer langs de rij liep, soms met een knuppel, soms met een zweep, en willekeurig sloeg. Hoe de klappen niet bedoeld waren als straf voor een specifiek vergrijp, maar als demonstratie van macht, een herinnering dat elk moment het laatste kon zijn.
Ze beschreven de staancellen. Hoe gevangenen erin werden geduwd en de deur achter hen dichtging. Hoe de cel zo smal was dat je niet kon zitten en zo laag dat je niet helemaal rechtop kon staan. Hoe de uren overgingen in dagen, en hoe sommigen na twee of drie dagen niet meer op hun benen konden staan en in elkaar zakten, waarna ze werden geslagen omdat ze zaten.
Ze beschreven de injecties. Hoe een gevangene naar Sommers kantoor werd gebracht. Hoe Sommer achter zijn bureau zat, ogenschijnlijk kalm, alsof het een administratieve handeling betrof. Hoe hij een la opende, of, volgens sommige getuigen, een paneel in de vloer, en er een spuit uithaalde. Hoe de naald in de arm van de gevangene ging. Hoe het carbolzuur, een bijtend, fenolachtig middel, door de aderen stroomde. Hoe het gezicht van het slachtoffer vertrok. Hoe de dood soms binnen dertig seconden volgde, soms pas na enkele minuten van stuiptrekkingen. Hoe het lichaam vervolgens op een brancard werd gelegd en naar het crematorium werd gedragen, driehonderd meter verderop, waar de schoorstenen dag en nacht rookten.
Een getuige beschreef hoe hij door het raampje van zijn cel had gezien dat Sommer op een winteravond een gevangene naar buiten sleepte, hem dwong om in de vrieskou te staan, en water over hem heen goot. De temperatuur was ver onder nul. De man bevroor langzaam. Sommer stond erbij en keek toe, zijn handen in zijn zakken.
Een andere getuige vertelde hoe Sommer gevangenen dwong om op hun knieën over het grind van het kampterrein te kruipen, heen en weer, totdat hun knieën tot op het bot waren opengeschaafd. Wie stopte, werd geslagen. Wie flauwviel, werd naar de Bunker gebracht. Wie naar de Bunker werd gebracht, kwam zelden terug.
De getuigenissen duurden weken. Elke dag opnieuw vulde de rechtszaal zich. Elke dag opnieuw zat Sommer in zijn rolstoel en luisterde, of leek te luisteren. Zijn gezicht verried weinig. Af en toe fluisterde hij iets tegen zijn advocaat. Af en toe schudde hij zijn hoofd, bijna onmerkbaar, alsof hij een vlieg wegjoeg.
De aanklager Paulik had zijn zaak methodisch opgebouwd. Hij presenteerde niet alleen getuigenverklaringen, maar ook documenten uit de kampadministratie, lijsten met namen van gevangenen die op specifieke data de Bunker waren binnengegaan en nooit meer waren geregistreerd. Overlijdensaktes waarin standaard "hartfalen" of "longontsteking" stond vermeld, ook bij jonge, voorheen gezonde mannen. Foto's van de Bunker, genomen na de bevrijding door Amerikaanse soldaten, waarop de cellen te zien waren, de beugels aan de muren, de vlekken op de betonnen vloer.
En toen kwam het moment waarop het proces kantelde.
Op 7 juli 1958, een warme zomerdag, was het de beurt aan Sommer zelf om te spreken. De rechtszaal was voller dan ooit. Journalisten hadden extra stoelen laten aanrukken. Op de publieke tribune zaten overlevenden schouder aan schouder, sommigen met hun handen gevouwen, anderen met gebalde vuisten op hun knieën.
Sommer werd naar voren gereden in zijn rolstoel. De rechter vroeg hem of hij iets wilde verklaren over de tenlastelegging. Sommer knikte. Hij hees zich iets omhoog in zijn stoel, steunend op zijn rechterarm, de enige arm die nog functioneerde. Zijn stem was zacht maar helder, en de woorden die hij sprak sneden door de stilte van de rechtszaal als een mes.
"Ich habe nie brutal jemanden behandelt," zei hij. Ik heb nooit iemand bruut behandeld.
Een korte stilte. Toen vervolgde hij: "Ich habe keine menschliche Seele auf eigene Initiative getötet." Ik heb geen menselijke ziel op eigen initiatief gedood.
Het duurde een fractie van een seconde voordat de zaal reageerde. Toen brak de hel los.
Een man op de publieke tribune sprong overeind. Zijn stoel schraapte over de stenen vloer. Hij schreeuwde iets, de journalisten konden later niet reconstrueren wat precies, maar het klonk als een naam, misschien de naam van iemand die niet was teruggekomen uit de Bunker. Naast hem stond een tweede man op, en een derde. Stemmen verhieven zich, door elkaar heen, in het Duits, in het Jiddisch, in het Pools. Vuisten gingen de lucht in. Iemand duwde tegen de houten balustrade die het publiek scheidde van de rechtszaal. Het hout kraakte.
De rechter sloeg met zijn hamer. Eenmaal, tweemaal, driemaal. De bewakers in de zaal, geüniformeerde politieagenten, stapten naar voren en vormden een linie tussen het publiek en de verdachte. Een Amerikaanse officier die als waarnemer aanwezig was, stond op van zijn stoel en gebaarde naar de menigte om te gaan zitten. Het duurde bijna twee minuten voordat de orde was hersteld.
Sommer had zich niet verroerd. Hij zat nog steeds in dezelfde houding in zijn rolstoel, licht voorovergebogen, zijn rechterhand op de armleuning. Zijn gezicht was bleek maar onbewogen. De journalisten van de Detroit Jewish News noteerden dat leden van het publiek op het punt hadden gestaan om Sommer fysiek aan te vallen. De krant schreef dat de scene "bijna tot een lynchpartij had geleid."
De rechter hervatte de zitting. Sommer herhaalde zijn ontkenning. Hij had bevelen opgevolgd. Hij had niemand uit eigen beweging gedood. Hij was een soldaat geweest, meer niet.
Maar het bewijs vertelde een ander verhaal. Paulik had 53 gevallen voorgelegd, elk met namen, data en getuigenverklaringen. De rechters wogen het bewijs wekenlang. Op 3 juli 1958, vier dagen vóór Sommers dramatische ontkenning, die plaatsvond tijdens een van de laatste zittingsdagen, had de rechtbank al een tussenstand bereikt. Uiteindelijk, na maanden van zittingen, viel het vonnis.
Martin Sommer werd schuldig bevonden aan moord in 25 gevallen. Het Schwurgericht van Bayreuth veroordeelde hem tot levenslange gevangenisstraf, de zwaarste straf die het West-Duitse recht op dat moment kende. Hij verloor permanent zijn burgerrechten.
De kranten in heel West-Duitsland besteedden dagenlang aandacht aan het vonnis. Hoofdredacteuren schreven commentaren waarin ze benadrukten dat de jonge generatie moest leren om, zoals een krant het formuleerde, "Sadismus in jeder Form zu verwerfen", sadisme in elke vorm af te wijzen. Het proces in Bayreuth werd een ijkpunt. Het bewees dat vervolging van kampdaders mogelijk was, zelfs dertien jaar na de oorlog, zelfs wanneer de verdachte in een rolstoel zat en beweerde dat hij te ziek was om terecht te staan.
Maar het verhaal van Martin Sommer eindigde niet in de rechtszaal.
Na zijn veroordeling werd Sommer overgebracht naar een gevangenis in Beieren. Zijn gezondheid bleef slecht, de oorlogswonden, de amputatie, de chronische pijn. Jaar na jaar dienden zijn advocaten verzoeken in om vrijlating op medische gronden. Jaar na jaar werden die verzoeken afgewezen.
Totdat ze dat niet meer werden.
In 1971, dertien jaar na zijn veroordeling, besloot de Beierse justitie dat Sommers gezondheidstoestand de voortzetting van zijn detentie onmogelijk maakte. Het officiële document vermeldde: "Im Hinblick auf den Gesundheitszustand", met het oog op zijn gezondheidstoestand. Sommer werd vrijgelaten. Hij trok zich terug in een verzorgingstehuis en leefde daar in relatieve anonimiteit tot zijn dood in 1988.
Hij werd 73 jaar oud. Ouder dan vrijwel al zijn slachtoffers ooit hadden mogen worden.
Het proces in Bayreuth wordt in de juridische geschiedschrijving beschouwd als een van de belangrijkste naoorlogse processen in West-Duitsland, niet vanwege de strafmaat, maar vanwege wat het blootlegde over de mechanismen van wegkijken. Sommer had vijf jaar ongestoord geleefd na de oorlog. Hij was pas gevonden na een tip. Zijn eerste proces was afgeblazen omdat artsen hem te ziek verklaarden. Het had dertien jaar geduurd voordat hij terechtstond. En zelfs toen was de tenlastelegging teruggebracht van tweehonderd gevallen naar 53, en de veroordeling van 53 naar 25.
De overlevenden die in die rechtszaal hadden gezeten, wisten dat beter dan wie ook. Ze hadden niet alleen gevochten tegen Sommer. Ze hadden gevochten tegen een systeem dat liever vergat dan herinnerde, dat liever zweeg dan sprak, dat liever wegkeek dan confronteerde. En ze hadden gewonnen, gedeeltelijk, onvolledig, te laat, maar ze hadden gewonnen.
Er is nog één detail dat het vermelden waard is. Het detail van de valse vloer.
In de jaren na het proces circuleerden onder overlevenden en in sommige publicaties verhalen over het compartiment onder de vloer van Sommers kantoor in de Bunker. In de meest gedocumenteerde versie was het een bergplaats voor zijn instrumenten, de spuiten, de flesjes carbolzuur, de naalden. Een verborgen la in de vloer, onder zijn bureau, die hij kon openen en sluiten zonder dat iemand het zag.
Maar er bestaan ook versies van het verhaal waarin dat compartiment een andere functie had. Versies waarin Sommer gevangenen onder de vloer liet opsluiten, soms voor uren, soms voor dagen, in volledige duisternis, in een ruimte zo krap dat ze niet konden bewegen. Versies waarin het compartiment niet alleen een bergplaats was, maar een instrument van terreur op zichzelf.
Deze versies zijn moeilijk te verifiëren. De bronnen zijn fragmentarisch, getuigenverklaringen die elkaar soms tegenspreken, herinneringen die na decennia zijn vervormd, verhalen die van mond tot mond zijn gegaan en bij elke vertelling iets zijn veranderd. Wat vaststaat, is dat het compartiment bestond. Wat vaststaat, is dat Sommer het gebruikte. De precieze manier waarop, dat is een van de vele details die verloren zijn gegaan in de kloof tussen wat er is gebeurd en wat er is vastgelegd.
En misschien is dat wel het meest verontrustende aspect van het hele verhaal. Niet wat we weten over Martin Sommer, maar wat we niet weten. De tweehonderd gevallen die werden teruggebracht tot 53. De 53 die werden teruggebracht tot 25. De duizenden gevangenen die door de Bunker zijn gegaan en van wie we de namen nooit zullen kennen. De verhalen die nooit zijn verteld omdat degenen die ze konden vertellen het niet hebben overleefd.
In de rechtszaal van Bayreuth, op die warme julidag in 1958, stonden de overlevenden op uit hun stoelen en schreeuwden. Ze schreeuwden niet alleen tegen Sommer. Ze schreeuwden tegen de stilte. Tegen de dertien jaar die het had geduurd. Tegen de artsen die hadden gezegd dat hij te ziek was. Tegen de buren die niets hadden gezien. Tegen een wereld die liever doorging met leven dan stilstond bij de dood.
Martin Sommer stierf in 1988 in een verzorgingstehuis in Beieren. Zijn graf is ongemarkeerd. De Bunker in Buchenwald staat er nog, een laag, bakstenen gebouw op een beboste heuvel bij Weimar, acht kilometer van de stad van Goethe. De cellen zijn leeg nu. De vloer is dicht.