1629 · Houtman Abrolhos, voor de kust van West-Australië
Schipbreuk, Muiterij, Massamoord: Lucretia Overleefde het Alle Drie
Na de schipbreuk van de Batavia voor de Australische kust greep een onderkoopman de macht. Op afgelegen eilanden volgden terreur, moord en verzet, tot een van de gruwelijkste maritieme misdaden ooit eindigde in een bloedig oordeel.

Op een ochtend in oktober 1628 stond Lucretia Jans op de kade van Texel en keek naar het grootste schip dat ze ooit had gezien. De Batavia was nieuw. Pas gebouwd op de werven van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, nog nooit eerder uitgevaren, en zo breed in de romp dat het schip bij het afmeren de kleinere vaartuigen in de haven deed schommelen. Het rook naar vers hout, teer en pek. Lucretia was 26 jaar oud, geboren in Amsterdam, en ze was op weg naar haar echtgenoot Boudewijn van der Mijlen, een diamantbewerker die al in de Oost zat, in de stad waarnaar het schip was vernoemd: Batavia, op Java. Ze had geen idee dat ze de komende maanden zou meemaken wat tot de meest uitzonderlijke overlevingsverhalen uit de Nederlandse zeevaartgeschiedenis zou gaan behoren.
De Batavia was een zogenaamd retourschip, het vlaggenschiptype van de VOC. Aan boord bevonden zich ongeveer 340 mensen: matrozen, soldaten, passagiers, en een handvol vrouwen en kinderen. In de ruimen lag een fortuin aan zilveren munten en kostbaarheden, bestemd voor de handel in de Oost. Het bevel lag bij opperkoopman Francisco Pelsaert, een ervaren VOC-functionaris die eerder in India had gediend. Onder hem voer schipper Adriaen Jacobsz, verantwoordelijk voor de dagelijkse navigatie. En dan was er nog een derde man in de hiërarchie: onderkoopman Jeronimus Cornelisz, een voormalig apotheker uit Haarlem die om onduidelijke redenen zijn praktijk had verlaten en bij de VOC was aangemonsterd.
Tussen Pelsaert en Jacobsz bestond vanaf het begin spanning. Pelsaert was de hogere in rang, maar Jacobsz was de zeeman, degene die het schip daadwerkelijk bestuurde. Jacobsz was grof, driftig, en hij dronk. Pelsaert was formeel en hield afstand. Ergens tijdens de reis, de bronnen zijn niet precies over het moment, vonden Jacobsz en Cornelisz elkaar. Ze deelden een afkeer van Pelsaert. Maar waar Jacobsz vooral mopperde, had Cornelisz iets anders in gedachten. Hij begon voorzichtig, in gesprekken op het achterdek en in de kajuit, het idee te opperen dat het schip overgenomen kon worden. Het zilver in het ruim was genoeg om een heel leven van te leven. Als Pelsaert uit de weg werd geruimd, als de bemanning kon worden overgehaald, dan was het schip van hen.
Het bleef niet bij woorden. Op een nacht, ergens op de Indische Oceaan, werd Lucretia Jans het slachtoffer van een aanval. Volgens het latere verslag van Pelsaert, gebaseerd op verhoren die hij maanden later zou afnemen, werd ze door een groep mannen belaagd en vernederd. Het incident was geen willekeurige daad. Het was een test, bedacht door Cornelisz en Jacobsz, om te zien hoe Pelsaert zou reageren. Als de opperkoopman zwak bleek, als hij de daders niet kon identificeren of bestraffen, dan wisten ze dat een muiterij kans van slagen had.
Pelsaert reageerde met een onderzoek, maar hij kwam niet tot een duidelijke veroordeling. De daders werden niet gestraft. Voor Cornelisz was dat het signaal dat hij nodig had.
Maar de muiterij op zee kwam er niet. Niet omdat het plan werd ontdekt, maar omdat de oceaan sneller was dan de samenzweerders.
In de vroege ochtend van 4 juni 1629, rond drie uur 's nachts, voer de Batavia met volle zeilen door het donker. Het schip bevond zich voor de westkust van wat nu Australië heet, in de buurt van een groep lage koraaleilanden die later de Houtman Abrolhos zouden worden genoemd, naar de Portugese uitdrukking "abre os olhos," open je ogen, een waarschuwing voor zeelieden. Niemand aan boord had zijn ogen open. De uitkijk had het witte schuim op de riffen niet gezien, of het te laat gezien, of het aangezien voor maanlicht op de golven.
De klap was enorm. De Batavia raakte Morning Reef met de volle kracht van een schip dat zo'n acht knopen voer. De koraalformatie scheurde door de houten romp alsof het papier was. Water stroomde het ruim binnen. Het schip kantelde, kwam vast te zitten op het rif, en begon langzaam uit elkaar te breken.
Wat volgde waren uren van chaos in het donker. Golven sloegen over het dek. Mensen klampten zich vast aan touwen, aan masten, aan elkaar. De sloepen werden te water gelaten, maar er was niet genoeg ruimte voor iedereen. Sommigen sprongen in zee en probeerden zwemmend de eilandjes te bereiken die vaag zichtbaar waren in het eerste ochtendlicht, lage, kale stroken koraal en zand, nauwelijks boven de waterlijn. Anderen bleven aan boord en wachtten tot het schip verder brak.
Lucretia Jans overleefde de schipbreuk. Hoe precies, of ze in een sloep zat, of ze zwom, of ze werd geholpen, is niet vastgelegd in de bronnen. Wat wel vaststaat is dat ze uiteindelijk terechtkwam op een van de eilandjes bij het wrak, samen met ongeveer 300 andere overlevenden. Het eiland dat later bekend zou worden als Beacon Island was niet groter dan een paar voetbalvelden. Er stond geen enkele boom. Er was geen zoet water. Er was geen voedsel, behalve wat er uit het wrak kon worden geborgen: vaten wijn, wat beschuit, een paar kisten met kaas. De zon brandde meedogenloos. De koraalbodem sneed in blote voeten.
Vijf dagen na de schipbreuk, op 9 juni 1629, nam Pelsaert een besluit dat alles zou veranderen. Hij stapte in de grootste sloep, samen met schipper Jacobsz en een groep van ongeveer 48 mensen, en vertrok noordwaarts. Het officiële doel: water zoeken op het vasteland, en als dat niet lukte, doorvaren naar Batavia op Java om een reddingsschip te sturen. Het was een reis van meer dan 3000 kilometer over open oceaan in een open boot.
Pelsaert liet de overlevenden achter onder het gezag van de hoogste VOC-functionaris die nog op het eiland was. Dat was Jeronimus Cornelisz.
De man die al maanden een muiterij had beraamd, die de aanval op Lucretia had georkestreerd als machtsspel, die droomde van het zilver in het ruim, die man had nu de feitelijke leiding over 300 weerloze mensen op een eiland zonder water.
Cornelisz begon methodisch. In de eerste weken na Pelsaerts vertrek consolideerde hij zijn positie. Hij vormde een raad, stelde regels op, en presenteerde zich als leider die orde bracht in de chaos. Tegelijkertijd begon hij een kleine groep loyalisten om zich heen te verzamelen, mannen die hij beloofde te belonen met zilver, met vrouwen, met een nieuw leven als Pelsaert nooit zou terugkeren. Want dat was zijn gok: dat Pelsaert zou verdrinken op de Indische Oceaan, dat er nooit een reddingsschip zou komen, en dat hij met zijn getrouwen het wrak kon leeghalen, een passerend schip kon kapen, en als vrij man kon verdwijnen.
Maar er was een probleem. Er waren te veel monden om te voeden op een eiland zonder voedsel. En er waren te veel mensen die zich zouden verzetten als ze begrepen wat Cornelisz van plan was. Daarom bedacht hij een strategie die even simpel als meedogenloos was: hij moest het aantal overlevenden verkleinen.
De eerste stap was verdeling. Cornelisz stuurde groepen mensen naar andere eilanden in de archipel, zogenaamd om water en voedsel te zoeken. Een groep van ongeveer 45 soldaten, onder leiding van een soldaat genaamd Wiebbe Hayes, werd naar West Wallabi Island gestuurd, het grootste eiland van de groep, een paar kilometer verderop. Cornelisz verwachtte dat Hayes en zijn mannen daar zouden omkomen van dorst. West Wallabi leek net zo kaal en droog als Beacon Island.
Dat was zijn eerste miscalculatie.
Op 3 juli 1629, minder dan een maand na Pelsaerts vertrek, begonnen de moorden.
Het begon 's nachts. Een groep van Cornelisz' loyalisten, bewapend met zwaarden, messen en bijlen die uit het wrak waren geborgen, ging naar de tenten waar families sliepen. De eerste slachtoffers waren zieken en gewonden, mensen die toch al verzwakt waren en weinig weerstand konden bieden. Cornelisz rechtvaardigde het tegenover zijn raad als een noodzakelijke maatregel: er was niet genoeg water, niet genoeg voedsel, en deze mensen zouden toch sterven. Beter snel dan langzaam.
Maar het bleef niet bij zieken. In de dagen en weken die volgden, breidde de moordcampagne zich uit. Cornelisz' mannen doodden gezinnen. Ze doodden kinderen. Ze doodden iedereen die ze als bedreiging zagen, of als nutteloos, of simpelweg omdat ze het konden. De methodes waren primitief en direct, steekwapens, verdrinking, wurging. Soms werden mensen 's nachts uit hun slaap gehaald en naar het strand gebracht. Soms werden hele groepen tegelijk aangevallen.
Cornelisz zelf doodde zelden eigenhandig. Hij gaf opdrachten. Hij wees aan wie er moest sterven en wie mocht blijven leven. Hij hield lijsten bij. Hij dwong zijn loyalisten om mee te doen aan de moorden, zodat iedereen medeplichtig was en niemand hem kon verraden zonder zichzelf te verraden. Het was een systeem van gedeelde schuld, bewust ontworpen om ontsnapping onmogelijk te maken.
De vrouwen die in leven werden gelaten, werden verdeeld onder de mutineers. Cornelisz claimde Lucretia Jans voor zichzelf. Ze werd gedwongen bij hem te blijven, als een soort trofee, een symbool van zijn absolute macht over het eiland. Wat ze in die weken doormaakte, is in Pelsaerts latere verhoren slechts gedeeltelijk vastgelegd, de opperkoopman noteerde dat bepaalde details te schandelijk waren om op te schrijven, en sommige pagina's uit zijn journaal zijn later verwijderd of vernietigd.
Terwijl op Beacon Island de terreur voortduurde, gebeurde op West Wallabi Island iets dat Cornelisz niet had voorzien.
Wiebbe Hayes en zijn soldaten waren niet gestorven. Integendeel. Ze hadden water gevonden, bronnen van zoet water die opborrelden tussen het koraal. Ze hadden wallaby's gevangen, een soort kleine kangoeroes die op het eiland leefden. Ze hadden vogeleieren geraapt en vis gevangen. Waar Cornelisz had gerekend op hun dood, hadden Hayes en zijn mannen een functionerend kamp opgebouwd.
En toen begonnen er vluchtelingen aan te komen.
Mensen die aan de moorden op Beacon Island waren ontsnapt, sommigen zwemmend, anderen op geïmproviseerde vlotten, bereikten West Wallabi en vertelden Hayes wat er gaande was. De soldaat begreep onmiddellijk wat dit betekende. Cornelisz zou vroeg of laat ook naar West Wallabi komen, niet om water te zoeken, maar om de laatste getuigen uit te schakelen.
Hayes begon zich voor te bereiden. Zijn mannen hadden geen zwaarden of messen, die waren allemaal op Beacon Island. Maar ze hadden koraal. Ze hakten stukken kalksteen los en bonden die aan stokken, waarmee ze geïmproviseerde knuppels en strijdhamers maakten. Ze bouwden een verdedigingswal van gestapelde stenen op het strand, op de plek waar een aanvallende boot het makkelijkst zou landen. Ze oefenden formaties. Het waren soldaten, ze hadden training, discipline, en nu hadden ze een reden om te vechten.
Cornelisz stuurde meerdere keren groepen mannen naar West Wallabi om Hayes' kamp aan te vallen. De eerste aanval mislukte. De mutineers kwamen aan in sloepen, maar Hayes' mannen stonden klaar achter hun stenen wal. De aanvallers hadden zwaarden, maar ze moesten door de branding waden om aan land te komen, en terwijl ze dat deden, werden ze bestookt met stenen en geslagen met de koraalknuppels. Ze trokken zich terug.
Cornelisz probeerde het opnieuw. En opnieuw. Elke keer werden zijn mannen teruggeslagen. De soldaten op West Wallabi hadden een voordeel dat de mutineers niet hadden: ze vochten voor hun leven, en ze wisten precies wat er zou gebeuren als ze verloren.
Toen besloot Cornelisz zelf te gaan. Hij voer met een kleine groep naar West Wallabi, ogenschijnlijk om te onderhandelen. Het was een list, hij wilde Hayes' verdediging van dichtbij bekijken en mogelijk een verrader in het kamp rekruteren. Maar Hayes was hem te slim af. Zodra Cornelisz aan land stapte, grepen Hayes' mannen hem vast. De onderkoopman, de architect van de terreur, de man die meer dan 100 mensen had laten vermoorden, werd overmeesterd door soldaten met koraalknuppels en vastgebonden met touw.
Cornelisz' loyalisten op Beacon Island waren nu leiderloos. Maar ze gaven niet op. Ze wisten dat als Pelsaert terugkwam, als hij terugkwam, ze allemaal zouden hangen. Hun enige kans was om Hayes alsnog te verslaan, Cornelisz te bevrijden, en het reddingsschip te kapen wanneer het arriveerde.
Op 17 september 1629, meer dan drie maanden na de schipbreuk, verscheen er een zeil aan de horizon.
Het was de Sardam, een klein jacht dat Pelsaert in Batavia had weten te bemachtigen. De opperkoopman had het overleefd, de 3000 kilometer in een open boot, de ontberingen, de dorst. Hij had Java bereikt, de gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen gesproken, en was zo snel mogelijk teruggestuurd met een schip, bemanning en wapens.
Maar Pelsaert wist niet wat hij zou aantreffen. Hij verwachtte schipbreukelingen die op redding wachtten. Wat hij zag toen de Sardam de Abrolhos naderde, was iets heel anders.
Twee sloepen kwamen het schip tegemoet. In de ene zaten mannen van Hayes' groep. In de andere zaten mutineers. Beide groepen probeerden als eerste bij de Sardam te komen. Hayes' mannen wonnen de race. Ze klommen aan boord en vertelden Pelsaert in gejaagde bewoordingen wat er was gebeurd: de moorden, de terreur, Cornelisz, alles.
Pelsaert kon het nauwelijks bevatten. Hij liet de mutineers in de tweede sloep arresteren en voer naar Beacon Island. Wat hij daar aantrof, bevestigde het ergste. Van de ongeveer 300 mensen die hij drie maanden eerder had achtergelaten, waren er nog maar rond de 120 in leven. De rest, mannen, vrouwen, kinderen, was vermoord.
Lucretia Jans was een van de overlevenden.
Pelsaert begon onmiddellijk met verhoren. Hij was opperkoopman, de hoogste VOC-autoriteit ter plaatse, en hij had de juridische bevoegdheid om recht te spreken. Dag na dag zat hij in een tent op het eiland en ondervroeg de gevangenen. Cornelisz eerst. Dan zijn handlangers. Dan de getuigen. Hij schreef alles op in zijn journaal, een document dat bewaard is gebleven en dat nu in het archief van het Western Australian Museum ligt.
De verhoren onthulden de volle omvang van wat er was gebeurd. Cornelisz bekende niet vrijwillig. Hij probeerde de schuld af te schuiven op zijn handlangers, beweerde dat hij onder druk had gehandeld, dat de situatie uit de hand was gelopen. Maar de getuigenverklaringen waren overweldigend. Overlevende na overlevende beschreef dezelfde patronen: de nachtelijke moorden, de lijsten, de verdeling van vrouwen, het systeem van medeplichtigheid.
Op 28 september 1629 werden de vonnissen uitgesproken. Pelsaert dicteerde ze in zijn journaal, met de precieze bewoordingen die de VOC-rechtspraak voorschreef. Jeronimus Cornelisz werd veroordeeld tot de dood. Meerdere van zijn handlangers eveneens.
Op 2 oktober 1629 werden de executies uitgevoerd op het eiland dat in Pelsaerts journaal "Batavia's Kerkhof" wordt genoemd: Beacon Island, de plek waar de meeste moorden hadden plaatsgevonden. Cornelisz werd als eerste terechtgesteld. Eerst werden beide handen afgehakt, daarna werd hij opgehangen. Zijn handlangers ondergingen vergelijkbare straffen. Twee van de jongste veroordeelden, tieners die hadden meegedaan aan de moorden maar van wie Pelsaert oordeelde dat ze te jong waren voor de doodstraf, werden niet geëxecuteerd maar achtergelaten op het Australische vasteland. Ze werden aan land gezet met wat voedsel en gereedschap, en nooit meer teruggezien. Het waren de eerste Europeanen die permanent op Australische bodem achterbleven, meer dan 140 jaar voor de Britse kolonisatie.
Na de executies begon Pelsaert met het bergen van de kostbaarheden uit het wrak. Duikers gingen het water in en haalden kisten met zilveren munten omhoog, samen met andere waardevolle lading. Niet alles kon worden geborgen, een deel van het zilver lag te diep of was bedolven onder wrakstukken. Maar genoeg om de VOC tevreden te stellen.
Op 15 november 1629 vertrok de Sardam van de Abrolhos met de overlevenden aan boord. Op 5 december 1629 arriveerde het schip in Batavia op Java. Lucretia Jans zette voet aan wal in de stad waarnaar ze oorspronkelijk op weg was geweest, de stad waarnaar het schip was vernoemd. Haar echtgenoot Boudewijn van der Mijlen was inmiddels overleden, ergens in 1629, waarschijnlijk zonder ooit te weten wat zijn vrouw had doorgemaakt.
Schipper Adriaen Jacobsz, die met Pelsaert was meegereisd naar Java en daar was gearresteerd voor zijn rol in de samenzwering, stierf in de gevangenis in Batavia voordat zijn proces was afgerond. Pelsaert zelf, uitgeput door de beproevingen, stierf in 1630 in Batavia, nog geen jaar na de schipbreuk. De VOC onderzocht zijn handelen en concludeerde dat hij nalatig was geweest door de overlevenden achter te laten onder Cornelisz' gezag. Zijn reputatie werd nooit volledig hersteld.
Wiebbe Hayes, de soldaat die met koraalknuppels en gestapelde stenen een leger van gewapende moordenaars had teruggeslagen, werd door de VOC bevorderd tot sergeant. Het is een van de weinige keren in de VOC-geschiedenis dat een gewone soldaat een officiële bevordering kreeg voor moed in het veld, niet op een slagveld, maar op een koraaleiland aan het einde van de wereld.
Van Lucretia Jans is na 1629 weinig met zekerheid bekend. Ze verdwijnt grotendeels uit de archieven. Sommige historici vermoeden dat ze in Batavia is gebleven, anderen dat ze naar Nederland is teruggekeerd. Wat vaststaat is dat ze op het moment van de schipbreuk 26 of 27 jaar oud was, dat ze de aanval op zee had overleefd, de schipbreuk had overleefd, drie maanden terreur op een eiland zonder water had overleefd, en dat ze op 5 december 1629 levend in Batavia aankwam.
Het wrak van de Batavia bleef 334 jaar onaangeroerd op Morning Reef liggen. In 1963 ontdekte een kreeftenvisser uit Geraldton, een kustplaatsje in West-Australië, kanonnen en ankers op de zeebodem. Archeologen van het Western Australian Museum begonnen met opgravingen die decennia zouden duren. Ze vonden het zilver dat Pelsaert niet had kunnen bergen. Ze vonden persoonlijke bezittingen van opvarenden, ringen, gespen, munten met de datum 1628. Ze vonden de stenen poort die als bouwpakket in het ruim had gelegen, bestemd voor het VOC-fort in Batavia, en die nu gereconstrueerd in het museum in Fremantle staat.
En op Beacon Island vonden ze skeletten. Tientallen. Mannen, vrouwen, kinderen. Sommige met duidelijke sporen van geweld, snijwonden op botten, schedels met breuken. De forensische analyse bevestigde wat Pelsaert 334 jaar eerder in zijn journaal had geschreven. De botten vertelden hetzelfde verhaal als de inkt.
Pelsaerts journaal, het document waarin hij de verhoren, de bekentenissen en de vonnissen vastlegde, is het meest gedetailleerde verslag van een scheepsramp en de nasleep ervan uit de gehele VOC-periode. Het is geen literair werk. Het is een ambtelijk document, geschreven in de droge, zakelijke stijl van een koopman die verantwoording aflegt aan zijn werkgever. Juist daardoor is het zo aangrijpend. Pelsaert beschrijft de moorden met dezelfde toon waarmee hij de berging van zilveren munten beschrijft. Feiten, data, namen, aantallen. De afwezigheid van emotie maakt de inhoud des te indringender.
Ongeveer 125 mensen werden vermoord in de drie maanden tussen Pelsaerts vertrek en zijn terugkeer. Het is het hoogste aantal burgerslachtoffers bij een enkele gebeurtenis in de Nederlandse koloniale zeevaartgeschiedenis. Het gebeurde niet in een oorlog, niet bij een belegering, niet door een natuurramp. Het gebeurde op een eiland ter grootte van een paar voetbalvelden, gepleegd door een apotheker uit Haarlem die ontdekte dat absolute macht over weerloze mensen geen grenzen kent als er niemand is om die grenzen te handhaven.
Lucretia Jans stond in het centrum van dat alles. Ze was het doelwit van de eerste aanval op zee, het bezit dat Cornelisz voor zichzelf opeiste op het eiland, en een van de getuigen die Pelsaert de waarheid vertelden toen hij terugkeerde. Haar naam staat in het journaal. Haar verklaring hielp de vonnissen te vormen. En daarna verdween ze uit de geschiedenis, zoals zoveel mensen verdwijnen na de ergste dag van hun leven, niet met een knal, maar met stilte.
Op Beacon Island staat tegenwoordig niets. Geen monument, geen plaquette, geen museum. Het eiland is nog steeds niet groter dan een paar voetbalvelden. Er staan nog steeds geen bomen. Kreeftenvissers uit Geraldton gebruiken het soms als aanlegplaats. De botten zijn opgegraven en naar het museum gebracht. Het koraal groeit door over Morning Reef, over de plek waar op 4 juni 1629 een gloednieuw schip met 340 mensen aan boord en een ruim vol zilver in de nacht op de rotsen liep.
Het water is er helder en ondiep. Bij laag tij zijn de contouren van het rif zichtbaar vanaf het oppervlak. Open je ogen, zeiden de Portugezen. Abre os olhos. Maar op die nacht in juni 1629 had niemand zijn ogen open, en wat daarna gebeurde, duurde 116 dagen.
