1944 · Parijs, Frankrijk
De Arts Die Vluchtelingen Redde, en Vermoordde
In bezet Parijs bood dokter Marcel Petiot een geheime vluchtroute aan Joden en verzetsmensen. Wie betaalde, verdween. Toen de politie een huis vol menselijke resten vond, bleek de dader een charmante arts met tientallen slachtoffers.

Op 11 maart 1944, even na het middaguur, hing er een vettige, zwarte rookpluim boven de daken van het 16e arrondissement in Parijs. De rook kwam uit de schoorsteen van een groot herenhuis aan de Rue Le Sueur nummer 21, op steenworp afstand van de Arc de Triomphe, een van de duurste buurten van de stad. Buren die al weken klaagden over een doordringende stank, belden eindelijk de politie. Wat de brandweer aantrof toen ze een raam forceerden, zou de geschiedenis ingaan als een van de meest ontstellende ontdekkingen in de Franse misdaadgeschiedenis.
Maar om te begrijpen wat er die middag werkelijk aan het licht kwam, moet het verhaal eerder beginnen. Veel eerder. In een klein stadje in Bourgondië, waar een jongen opgroeide die al op zijn zeventiende door psychiaters werd omschreven als constitutioneel amoraal.
Marcel André Henri Félix Petiot werd geboren op 17 januari 1897 in Auxerre, een provinciestadje aan de rivier de Yonne. Zijn jeugd verliep onopvallend voor buitenstaanders, maar achter gesloten deuren tekende zich een patroon af dat later gruwelijke proporties zou aannemen. Als kind werd hij betrapt op het martelen van dieren. Op school was hij intelligent genoeg om zijn leraren te imponeren, maar onvoorspelbaar genoeg om hen te verontrusten. Een psychiatrisch rapport uit zijn tienerjaren noteerde al dat de jonge Marcel een fundamenteel gebrek aan empathie vertoonde.
De Eerste Wereldoorlog onderbrak zijn opleiding. Petiot diende als soldaat, raakte gewond, en werd meerdere malen opgenomen in psychiatrische inrichtingen, officieel vanwege shellshock, maar artsen merkten op dat zijn gedrag niet paste bij de gebruikelijke symptomen. Na de oorlog pakte hij zijn studie weer op en behaalde in 1921 zijn artsendiploma. Hij vestigde zich als huisarts in het dorpje Villeneuve-sur-Yonne, waar hij snel populair werd. Zijn tarieven waren laag, hij maakte huisbezoeken op elk uur van de dag, en hij schreef royaal medicijnen voor, inclusief, zo bleek later, verdovende middelen aan verslaafden die bereid waren fors te betalen.
In 1926 werd Petiot verkozen tot burgemeester van Villeneuve-sur-Yonne. Een arts die ook nog eens burgemeester was: het leek het toonbeeld van burgerlijke respectabiliteit. Maar al snel doken geruchten op over fraude met gemeentegelden, verdwenen documenten, en gestolen elektriciteit. Zijn huishoudster verdween spoorloos. Een jonge vrouw die zwanger van hem zou zijn geweest, werd nooit meer gezien. De dorpelingen fluisterden, maar niemand durfde de populaire dokter openlijk te beschuldigen. Toen hij uiteindelijk werd betrapt op het verduisteren van gemeenschapsgeld, verloor hij zijn burgemeesterszetel, maar niet zijn artsenpraktijk, en niet zijn reputatie als charmante, behulpzame dokter.
In 1933 verhuisde Petiot naar Parijs. Hij opende een praktijk aan de Rue de Caumartin, in het 9e arrondissement, en bouwde binnen enkele jaren een bloeiende patiëntenkring op. Zijn wachtkamer zat vol. Hij was goedkoop, vriendelijk, en leek oprecht begaan met het welzijn van zijn patiënten. Wat niemand wist, was dat hij tegelijkertijd een lucratieve handel opzette in valse medische attesten en illegale verdovende middelen. In 1936 werd hij kort opgepakt wegens winkeldiefstal, een merkwaardig vergrijp voor een succesvolle arts, en opnieuw onderzocht door psychiaters. Hun conclusie was veelzeggend: constitutioneel ontoerekeningsvatbaar, amoraal. Het rapport verdween in een la. Petiot ging door met zijn praktijk.
Toen in september 1939 de oorlog uitbrak en Frankrijk in juni 1940 capituleerde voor nazi-Duitsland, veranderde Parijs in een stad van angst, schaarste en wanhoop. De Duitse bezetting en het Vichy-regime maakten het leven voor miljoenen Fransen ondraaglijk, maar voor niemand meer dan voor de Joodse bevolking. Vanaf 1941 werden Joden systematisch geregistreerd, beroofd van hun bezittingen, en gedeporteerd naar kampen in het oosten. Families die de middelen hadden, zochten wanhopig naar manieren om Frankrijk te ontvluchten, via Spanje, via Zwitserland, via elke route die maar denkbaar was.
Marcel Petiot zag een kans.
Ergens in 1941 begon hij via tussenpersonen het gerucht te verspreiden dat hij een geheime vluchtroute beheerde. Een ondergronds netwerk, fluisterde men in bepaalde kringen, dat mensen veilig naar Zuid-Amerika kon brengen, naar Argentinië, waar geen oorlog was en geen vervolging. De organisatie had zelfs een naam: Fly-Tox, vernoemd naar een populair insecticidenmerk. De cynische woordspeling, het uitroeien van ongedierte, ontging de wanhopige mensen die bij Petiot aanklopten volkomen.
Het systeem werkte als volgt. Tussenpersonen, later zouden er negen worden geïdentificeerd, benaderden potentiële klanten in de Joodse gemeenschap, onder prostituees, onder kleine criminelen, onder iedereen die een reden had om Parijs te willen ontvluchten. De prijs was hoog: 25.000 francs per persoon, soms meer. Klanten kregen de instructie om al hun waardevolle bezittingen mee te nemen, goud, juwelen, bontjassen, contant geld, want die zouden ze nodig hebben om een nieuw leven op te bouwen in Buenos Aires. Ze moesten zich melden bij een adres dat Petiot opgaf, waar ze zogenaamd hun laatste voorbereidingen zouden treffen voor de reis.
Dat adres was Rue Le Sueur 21.
Petiot had het grote herenhuis in 1941 gekocht. Het lag in een rustige, welgestelde straat. De buren waren discrete mensen die zich niet bemoeiden met andermans zaken, precies wat Petiot nodig had. In de maanden na de aankoop liet hij verbouwingen uitvoeren. Van buitenaf leek er niets bijzonders aan de hand. Maar binnenin creëerde Petiot iets wat alleen een arts met zijn specifieke combinatie van intelligentie en meedogenloosheid had kunnen bedenken.
In de kelder liet hij een driehoekige kamer bouwen, niet groter dan een paar vierkante meter. De muren waren kaal. Er was geen raam. De deur had geen klink aan de binnenkant, alleen aan de buitenkant kon hij worden geopend. Aan de binnenzijde hing een nep-deurbel, een knopje dat nergens op was aangesloten maar dat de indruk wekte dat er hulp kon worden ingeroepen. In de muur naast de deur, aan de buitenkant, zat een kijkgat. Wie ervoor stond, kon precies zien wat er in de kamer gebeurde.
Wanneer een nieuw slachtoffer arriveerde aan de Rue Le Sueur, ontving Petiot hen persoonlijk. Hij was warm, geruststellend, professioneel. Hij legde uit dat de reis naar Argentinië via een reeks tussenstops zou verlopen en dat er onderweg controleposten waren. Daarom, zei hij, was het noodzakelijk om eerst een vaccinatie te krijgen. Zonder inenting kon men de grens niet over. Het klonk logisch. Het klonk medisch. Het klonk als precies het soort detail dat een echte vluchtroute zou hebben.
De injectie die Petiot toediende, bevatte geen vaccin. Volgens forensisch onderzoek dat later werd uitgevoerd, gebruikte hij naar alle waarschijnlijkheid cyanide of een ander snel werkend gif. Het slachtoffer verloor binnen minuten het bewustzijn en overleed kort daarna. Petiot hoefde alleen maar te wachten.
Daarna begon het tweede deel van zijn routine. Hij doorzocht de bezittingen van het slachtoffer, de koffers, de jaszakken, de gevoerde jassen waarin goudstukken waren ingenaaid. Alles van waarde werd apart gelegd. Het lichaam moest verdwijnen.
Aanvankelijk probeerde Petiot de lichamen in de Seine te dumpen, maar dat was riskant en onpraktisch. Daarom liet hij in de kelder van het herenhuis een grote kachel installeren, een calorifer, een industrieel verwarmingstoestel dat normaal gesproken werd gebruikt om grote ruimtes te verwarmen. Petiot gebruikte het om menselijke resten te verbranden. In de garage liet hij een diepe put graven, gevuld met ongebluste kalk, waarin hij de resten deponeerde die niet volledig verbrandden. Een takelsysteem maakte het mogelijk om zware lasten in en uit de put te hijsen.
In de keuken stonden twee buitenproportioneel grote gootstenen en een metalen bekken dat, zo concludeerden onderzoekers later, werd gebruikt om lichamen te ontleden. De arts die overdag patiënten behandelde aan de Rue de Caumartin, sneed 's nachts lichamen in stukken aan de Rue Le Sueur. Zijn medische kennis maakte hem efficiënt. Zijn gebrek aan empathie maakte hem onverstoord.
Tussen 1941 en 1944 verdwenen tientallen mensen via dit systeem. Joachim Guschinow, een Joodse bontwerker, meldde zich op 2 januari 1942 bij Petiot voor hulp bij zijn vlucht naar Argentinië. Zijn vrouw hoorde nooit meer iets van hem. De familie Kneller, een echtpaar met hun zoon René, verdween op dezelfde manier. Een groep van negen Joodse vluchtelingen uit Nederland en Oost-Europa, die via tussenpersonen bij Petiot terechtkwamen, werd nooit meer gezien. Prostituees die wilden ontsnappen aan hun pooiers, kleine criminelen die de Gestapo vreesden, een arts die zelf werd gezocht, ze kwamen allemaal naar de Rue Le Sueur met hun koffers vol hoop en hun zakken vol geld, en geen van hen vertrok er levend.
Het opmerkelijke was dat de bezetting Petiot beschermde. De Gestapo had zelf ook interesse in de vluchtroutes die in Parijs opereerden, en in 1943 werd Petiot korte tijd gearresteerd door de Duitse geheime politie op verdenking van het helpen van vijanden van het Reich. Hij werd vastgehouden en ondervraagd, maar na enkele maanden weer vrijgelaten, vermoedelijk omdat hij de Duitsers ervan overtuigde dat hij nuttige informatie had over het Parijse ondergrondse netwerk. De ironie was schrijnend: de man die mensen vermoordde die probeerden te vluchten voor de nazi's, werd door diezelfde nazi's ondervraagd op verdenking van het helpen van vluchtelingen.
Na zijn vrijlating ging Petiot gewoon door.
En toen kwam 11 maart 1944.
De buren aan de Rue Le Sueur hadden al weken last van de stank. Een zoetige, weeë geur die door de muren leek te sijpelen en die sterker werd naarmate de dagen verstreken. Op die elfde maart was het de rook die de doorslag gaf, dikke, zwarte wolken die uit de schoorsteen van nummer 21 kolkten en een vettige neerslag achterlieten op de ramen van de aangrenzende huizen. Iemand belde de politie. De politie belde de brandweer.
De brandweerlieden arriveerden met een ladderwagen. Het huis leek verlaten. Aan de voordeur hing een briefje: "Afwezig 1 maand, post doorzenden naar Auxerre." Een agent probeerde Petiot telefonisch te bereiken op zijn praktijkadres. Petiot nam op en vroeg de agent om even te wachten, hij zou er zo aankomen. Maar de rook werd dikker, en na dertig minuten wachten besloot de brandweer niet langer te aarzelen. Ze forceerden een raam op de begane grond en klommen naar binnen.
De eerste ruimtes leken normaal, lege kamers, stoffige meubels, gesloten gordijnen. Maar naarmate de brandweerlieden dieper het huis in drongen, veranderde de lucht. De stank werd ondraaglijk. In de kelder vonden ze de bron van de rook: de grote calorifer, waarin halfverbrande menselijke resten smeulden. Op de keldervloer lagen verspreide lichaamsdelen. Tussen omgevallen kasten en opengebroken kisten lagen botten, schedelfragmenten, en weefselresten in verschillende stadia van ontbinding.
De brandweerlieden trokken zich terug en alarmeerden de recherche. Commissaire Georges-Victor Massu van de Parijse gerechtelijke politie nam de leiding over het onderzoek. Zijn team doorzocht het hele pand, kamer voor kamer, kelder voor kelder. In de garage ontdekten ze de diepe put met het takelsysteem. Onder een dikke laag ongebluste kalk lagen de resten van minstens dertien lichamen. In totaal telden de onderzoekers sporen van 27 slachtoffers.
En dan waren er de koffers. Meer dan 72 stuks, opgestapeld in verschillende kamers. Koffers vol kleding, persoonlijke documenten, foto's, sieraden, bontjassen. De bezittingen van mensen die dachten dat ze op reis gingen naar een nieuw leven.
Terwijl het forensisch team nog bezig was met de inventarisatie, arriveerde Petiot bij het huis. Hij was kalm. Hij droeg een donkere overjas en had zijn dokterstas bij zich. Toen de agenten hem confronteerden met wat ze hadden gevonden, reageerde hij zonder een spoor van paniek. Hij rechtte zijn rug, keek de commissaris aan, en zei met vaste stem: "Ce sont des cadavres de boches, de traîtres et de collabos." Dit zijn lijken van moffen, van verraders en collaborateurs.
Het was een briljante leugen, en hij werkte, althans, tijdelijk. In het Parijs van maart 1944, waar het verzet actief was en waar elke Fransman die beweerde tegen de Duitsers te vechten een zekere mate van bescherming genoot, was de claim dat je vijanden van Frankrijk had gedood niet per se belastend. De agenten aarzelden. Was deze arts misschien werkelijk een verzetsheld? Hadden ze te maken met een patriot die vuil werk had opgeknapt voor de bevrijding van Frankrijk?
In die cruciale minuten van twijfel maakte Petiot zijn move. Hij mompelde iets over het verzet, over geheime opdrachten, over de noodzaak van discretie. En toen, terwijl de agenten nog overlegden wat ze moesten doen, glipte hij weg. De politie liet hem gaan. Later zou commissaris Massu met bitterheid terugkijken op dat moment, het moment waarop ze de meest gezochte man van Frankrijk hadden laten ontsnappen uit hun eigen misdaadscène.
De weken die volgden waren chaotisch. Het onderzoek aan de Rue Le Sueur ging door, en naarmate er meer bewijs werd verzameld, werd het steeds duidelijker dat Petiots verhaal over verzetswerk niet klopte. De slachtoffers waren geen collaborateurs of Duitse agenten. Het waren Joodse vluchtelingen, prostituees, kleine criminelen, mensen die niemand zou missen in het Parijs van de bezetting. Commissaris Massu gaf een arrestatiebevel uit, maar Petiot was verdwenen.
Wat volgde was een van de meest opmerkelijke episodes uit de Franse misdaadgeschiedenis. Petiot dook niet onder in een kelder of een boerenschuur op het platteland. Hij deed precies het tegenovergestelde: hij schoor zijn herkenbare baard af, vervalste zijn identiteitspapieren, en meldde zich aan bij de Forces Françaises de l'Intérieur, het Franse binnenlandse verzet, de FFI. Onder de schuilnaam Kapitein Henri Valéry werd hij aangesteld als geneesheer-officier bij de Militaire Veiligheid in de caserne Reuilly. Zijn officiële taak: het opsporen en weren van collaborateurs.
De seriemoordenaar die tientallen onschuldige mensen had vermoord, was nu officieel belast met het zuiveren van Frankrijk van verraders. Hij gebruikte zelfs een tweede alias: Dr. Wetterwald, voor zijn medische werkzaamheden binnen het leger. Niemand bij de FFI had enig vermoeden dat hun behulpzame legerarts dezelfde man was wiens foto op opsporingsaffiches door heel Parijs hing.
Parijs werd op 25 augustus 1944 bevrijd. De stad explodeerde in vreugde, maar voor commissaris Massu was de bevrijding het begin van een nieuwe fase in de jacht op Petiot. Het probleem was dat in de chaos van de bevrijding, met duizenden mensen die van identiteit wisselden, collaborateurs die onderdoken, en verzetsstrijders die uit de schaduw traden, het bijna onmogelijk was om één man te vinden die een meester was in vermomming en bedrog.
De doorbraak kwam uit onverwachte hoek. In september 1944 publiceerde het verzetsblad Résistance een artikel met de kop: "Petiot, soldaat van het Rijk." Het stuk beschuldigde Petiot ervan een agent van de Duitsers te zijn geweest, een provocerende bewering die, ironisch genoeg, net zo onjuist was als Petiots eigen claim dat hij verzetsheld was. Maar het artikel had een onbedoeld effect: Petiot las het en was woedend.
Zijn trots, de fatale zwakte die al zijn hele leven door zijn intelligentie heen schemerde, dreef hem tot een onvergeeflijke fout. Hij schreef een ingezonden brief naar de krant, waarin hij de beschuldigingen punt voor punt weerlegde en zijn eigen versie van de feiten presenteerde. Hij ondertekende de brief niet met zijn echte naam, maar zijn handschrift was uniek. Commissaris Massu's team vergeleek de brief met documenten uit het FFI-archief, personeelsdossiers, medische rapporten, administratieve formulieren, en vond een perfecte match. Kapitein Henri Valéry en Marcel Petiot waren dezelfde persoon.
Nu wisten ze waar ze moesten zoeken. Op 31 oktober 1944: Halloweenavond, een toevalligheid die de kranten niet onvermeld zouden laten, lokaliseerden rechercheurs Petiot op het metrostation Saint-Mandé–Tourelle, aan de oostrand van Parijs. Inspecteur Henri Soutif herkende hem ondanks de afgeschoren baard en de FFI-uniform. Petiot verzette zich niet. Bij fouillering vonden de agenten een geladen revolver in zijn jaszak, meer dan 30.000 francs contant, en, het meest veelzeggende detail, ongeveer 50 sets valse identiteitsdocumenten, elk met een andere naam, elk met een andere foto, elk zorgvuldig vervaardigd.
De man die tientallen mensen had vermoord door hen valse hoop op een nieuw leven te verkopen, had zelf een koffer vol nieuwe levens klaarliggen.
Het proces tegen Marcel Petiot begon op 18 maart 1946 in het Parijse Palais de Justice en duurde drie weken. Het was een mediaspektakel dat heel Frankrijk in zijn greep hield. De rechtszaal zat elke dag vol met journalisten, nieuwsgierigen, en familieleden van slachtoffers. Petiot, gekleed in een donker pak, gedroeg zich alsof hij niet de beklaagde was maar de hoofdrolspeler in een theaterstuk. Hij interrumpeerde getuigen, maakte sarcastische opmerkingen tegen de aanklager, en herhaalde keer op keer zijn centrale verdediging: alles wat hij had gedaan, had hij gedaan voor Frankrijk.
De aanklager presenteerde een overweldigende hoeveelheid bewijs. De 72 koffers met persoonlijke bezittingen. De forensische rapporten over de resten van 27 lichamen. De getuigenverklaringen van tussenpersonen die beschreven hoe ze klanten naar Petiot hadden geleid. En dan was er het moment dat de verdediging definitief instortte.
Tijdens het onderzoek had de politie de inhoud van de koffers tentoongesteld in een poging om slachtoffers te identificeren. Een vrouw genaamd mevrouw Guschinow, de echtgenote van Joachim Guschinow, de Joodse bontwerker die op 2 januari 1942 was verdwenen, herkende onmiddellijk de bezittingen van haar man. Zijn kleding. Zijn documenten. Zijn persoonlijke spullen. Joachim had tegen haar gezegd dat hij via een betrouwbare arts naar Argentinië zou reizen. Hij had al hun spaargeld meegenomen. Ze had nooit meer iets van hem gehoord.
Vergelijkbare getuigenissen volgden. Familie na familie herkende de bezittingen van hun verdwenen dierbaren. De koffers die Petiot had bewaard, waarom hij ze niet had vernietigd, is nooit volledig opgehelderd, maar sommige historici vermoeden dat hij de inhoud geleidelijk wilde verkopen op de zwarte markt, werden zijn onweerlegbare aanklacht.
Petiots broer Maurice stond eveneens terecht, beschuldigd van medeplichtigheid. Hij had de ongebluste kalk geleverd voor de put in de garage en had geholpen bij het verplaatsen van koffers. Petiots vrouw Georgette werd aangeklaagd voor het bezit van gestolen goederen. Negen tussenpersonen, de makelaars die wanhopige mensen naar de Rue Le Sueur hadden geleid, werden verhoord en deels veroordeeld.
Op 4 april 1946 sprak de jury haar oordeel uit. Marcel Petiot werd schuldig bevonden aan 26 van de 27 hem ten laste gelegde moorden. Het vonnis: de doodstraf.
Petiot hoorde het oordeel aan zonder zichtbare emotie. Volgens verslaggevers die in de rechtszaal aanwezig waren, glimlachte hij zelfs licht toen de voorzitter het vonnis voorlas. In de weken tussen het vonnis en de executie weigerde hij gratie aan te vragen. Op 25 mei 1946, in de vroege ochtend, werd Marcel Petiot naar de binnenplaats van de gevangenis van Santé geleid. De guillotine stond klaar. Zijn laatste woorden, gericht aan zijn advocaat, waren: "Ik ben een reiziger die zijn bagage meeneemt."
De beul liet het mes vallen. Marcel Petiot was 49 jaar oud.
Na zijn dood bleef de zaak-Petiot Frankrijk achtervolgen, niet alleen vanwege de gruwelijkheid van de misdaden, maar vanwege wat ze onthulden over de bezettingstijd. Petiot had niet geopereerd in een vacuüm. Hij had gebruik gemaakt van een systeem waarin wanhoop de norm was, waarin mensen bereid waren alles te geven aan iedereen die hen een uitweg beloofde. Zijn tussenpersonen hadden meegewerkt uit hebzucht. De politie had hem laten ontsnappen uit angst een verzetsheld te arresteren. De FFI had hem opgenomen zonder zijn achtergrond te controleren. En de slachtoffers, voornamelijk Joodse vluchtelingen die al alles hadden verloren, hadden hem vertrouwd omdat ze geen andere keuze hadden.
Het herenhuis aan de Rue Le Sueur 21 werd na de oorlog verkocht en verbouwd. De driehoekige kamer in de kelder werd dichtgemetseld. De put in de garage werd gevuld. Vandaag de dag is het een gewoon woonadres in een van de duurste wijken van Parijs. Er hangt geen plaquette. Er staat geen gedenkteken. De meeste voorbijgangers hebben geen idee wat zich achter die muren heeft afgespeeld.
De 72 koffers werden na het proces teruggegeven aan de families die hun inhoud hadden geïdentificeerd. Veel koffers werden nooit opgeëist. De eigenaars hadden geen familie meer die hen kon herkennen.
In de archieven van de Parijse politie ligt nog altijd het dossier van commissaris Massu, duizenden pagina's verhoren, forensische rapporten, en foto's. Tussen die documenten bevindt zich de ingezonden brief die Petiot naar het verzetsblad Résistance stuurde, de brief die hem verraden had. Zijn handschrift is keurig, bijna kalligrafisch. De woorden zijn zorgvuldig gekozen. Het is het handschrift van een man die ervan overtuigd was dat hij slimmer was dan iedereen om hem heen.
En dat was hij ook, tot hij het niet meer was.



