1876 · Springfield, Illinois, Verenigde Staten
Het Gestolen Lijk van Lincoln
In 1876 stelen vervalsers het lichaam van Abraham Lincoln uit zijn tombe om losgeld en de vrijlating van een meestergraveur af te dwingen. Een undercoveroperatie, paniek en nationale vernedering volgen.

Op een novemberavond in 1876 hing er een dichte bewolking boven Springfield, Illinois. Custodian John Power, de man die dagelijks het grafmonument van Abraham Lincoln bewaakte, stond bij het raam van zijn kleine kantoor aan de rand van Oak Ridge Cemetery en keek naar buiten. De zon was de hele dag niet zichtbaar geweest. Dikke wolken hingen als een lijkwade over de aarde, en om zes uur 's avonds was het zo donker dat een mens zijn eigen hand nauwelijks voor ogen kon zien.
Power wist wat er die nacht zou gebeuren. En hij wist dat hij er niets aan mocht verraden.
Ergens in Chicago, 320 kilometer naar het noordoosten, stapten op datzelfde moment twee mannen op een trein richting Springfield. Ze droegen een reistas bij zich met daarin een bus springstof, een lont van zes voet, een hamer, een stalen gatenboor, een zaagblad en een vijl. Hun namen waren Terrence Mullen en Jack Hughes. Hun plan was eenvoudig en tegelijk absurd ambitieus: ze gingen het lichaam van de vermoorde president Abraham Lincoln stelen uit zijn graf, het meer dan 200 mijl verslepen naar de zandduinen van Indiana, en het daar begraven. Vervolgens zouden ze $200.000 losgeld eisen, omgerekend naar vandaag ruim $5 miljoen, plus de onvoorwaardelijke vrijlating van hun meestervervalser Benjamin Boyd uit de gevangenis van Joliet.
Wat Mullen en Hughes niet wisten: in dezelfde trein zat een man die elk woord van hun plan kende. Patrick D. Tyrrell, operatief agent van de United States Secret Service, had al wekenlang een informant in hun midden. De val was gezet. Het enige wat nog moest gebeuren, was de daders op heterdaad betrappen.
Dat bleek aanzienlijk lastiger dan wie dan ook had voorzien.
Het verhaal begint niet op die donkere novemberavond, maar maanden eerder, in de achterkamer van een louche kroeg aan de South Side van Chicago. The Hub heette het etablissement, een saloon waar de rook van goedkope sigaren permanent tegen het plafond hing en waar het merendeel van de klanten op de een of andere manier betrokken was bij de valsemunterij die het Midden-Westen van Amerika teisterde.
De eigenaar van The Hub was Terrence Mullen, een Ierse immigrant met een breed gezicht en een nog bredere reputatie in het criminele circuit. Mullen runde niet alleen een kroeg; hij was een schakel in een netwerk van valse-geldmakers dat werd aangestuurd door James "Big Jim" Kinealy, een misdaadbaas wiens operatie afhankelijk was van één cruciale man: graveur Benjamin Boyd.
Boyd was een kunstenaar in zijn vak. Met een burijngraveernaald en een koperen plaat kon hij bankbiljetten namaken die zo overtuigend waren dat zelfs bankiers ze niet altijd herkenden. De Secret Service, in die tijd niet de lijfwacht van de president, maar een federale dienst die uitsluitend was opgericht om valsemunterij te bestrijden, had Boyd in oktober 1875 eindelijk weten te arresteren. Hij zat vast in de staatsgevangenis van Joliet, Illinois, en zonder zijn vakmanschap droogde de stroom vals geld op.
Big Jim Kinealy had een probleem. Zijn hele operatie stond stil. Daarom bedacht hij een plan dat zo buitensporig was dat het bijna komisch klinkt, ware het niet dat hij het volkomen serieus meende. Als ze het lichaam van Abraham Lincoln konden stelen, hadden ze het ultieme onderhandelingsmiddel. Welke gouverneur, welke president zou het aandurven om de stoffelijke resten van Amerika's meest geliefde leider te laten rotten in een onbekend graf? Boyd zou worden vrijgelaten, het losgeld zou worden betaald, en de bende kon weer aan het werk.
Kinealy had alleen een probleem: hij had mensen nodig die dom genoeg waren om het uit te voeren, en slim genoeg om niet gepakt te worden. Hij vond het eerste, maar niet het tweede.
In de zomer van 1876 begon er een nieuwe klant rond te hangen in The Hub. Hij noemde zichzelf Lewis Swegles, en hij presenteerde zich als "de grootste lijkenrover van Chicago." Swegles was een kleine, praatgrage man die beweerde dat hij al tientallen lichamen had opgegraven en verkocht aan medische faculteiten, een lucratieve en in die tijd niet ongebruikelijke praktijk. Hij dronk bier met Mullen, speelde kaart met Hughes, en liet terloops vallen dat hij wel interesse had in "groter werk."
Mullen hapte toe. In de weken die volgden, ontvouwde hij tegenover Swegles het volledige plan: het graf, het losgeld, de vluchtroute naar Indiana. Swegles knikte enthousiast, stelde praktische vragen, en bood aan om de vluchtkar te regelen.
Elke avond, nadat hij The Hub had verlaten, liep Swegles naar een afgesproken locatie en schreef een gedetailleerd rapport voor Patrick D. Tyrrell van de Secret Service. Swegles was geen lijkenrover. Hij was een "roper", een informant die zich in criminele kringen infiltreerde om verdachten in de val te lokken. Tyrrell had hem persoonlijk gerekruteerd voor deze operatie.
Tyrrell stond voor een dilemma. Hij wist van het plan, hij had een man aan de binnenkant, maar hij moest de daders op heterdaad betrappen. Een bekentenis in een kroeg was niet genoeg. Ze moesten daadwerkelijk hun handen op Lincolns kist leggen voordat de wet kon ingrijpen. Tyrrell besloot de operatie door te laten gaan tot het allerlaatste moment.
Hij nam contact op met Robert T. Lincoln, de zoon van de vermoorde president, om hem in te lichten. Robert reageerde geschokt maar stemde in met het plan. Tyrrell benaderde ook Pinkerton's Detective Agency voor versterking. Twee Pinkerton-detectives, John McGinn en George Hay, werden aan het team toegevoegd. En hij waarschuwde John Power, de custodian van het grafmonument, die een sleutelrol zou spelen in de hinderlaag.
De datum werd bepaald door de daders zelf: dinsdag 7 november 1876. Verkiezingsdag. Het hele land zou afgeleid zijn door de presidentsverkiezingen tussen Rutherford B. Hayes en Samuel Tilden. Springfield zou uitgestorven zijn. Geen wandelaars op het kerkhof, geen bezoekers bij het monument. De perfecte avond voor een grafroof.
Op maandagavond 6 november stapten alle betrokkenen op de trein. Mullen, Hughes en Swegles reisden samen. In een andere wagon zaten Tyrrell, de Pinkerton-mannen en Elmer Washburn, hoofd van de Secret Service in Chicago. Ze arriveerden in Springfield zonder dat de criminelen ook maar een vermoeden hadden.
De volgende dag, dinsdag 7 november, bracht Swegles de middag door met Jack Hughes. Ze wandelden samen naar Oak Ridge Cemetery om het terrein te verkennen. Hughes bestudeerde de buitendeur van de grafkamer en was opvallend optimistisch. "Ik zou hem open kunnen trappen," zei hij. "Ik zou er tegenaan kunnen vallen en hij gaat open." Swegles knikte en maakte mentale notities.
Ondertussen bereidde Mullen de gereedschappen voor. Naast de inhoud van zijn reistas had hij besloten dat ze mogelijk een bijl nodig hadden om de binnenkant van de sarcofaag open te breken. "We hebben misschien een bijl nodig," zei hij tegen Swegles, "want we moeten wellicht de binnenkant openbreken." Die middag stal hij er een van een houtstapel achter een schuurtje in de buurt van het kerkhof.
Rond halfzeven 's avonds, toen de duisternis compleet was, verzamelde Tyrrell zijn team bij het monument. Power liet hen binnen via de hoofdingang van Memorial Hall, de grote ceremoniële ruimte die toegang gaf tot het gangenstelsel onder de obelisk. Power had lucifers en olielampen meegenomen. De mannen liepen op hun tenen door de hal, waar elke voetstap als donder weerklonk tegen de stenen muren. De lucht was koud en vochtig, doortrokken van de geur van rottend hout dat was achtergelaten door bouwvakkers die eerder dat jaar reparaties hadden uitgevoerd.
Tyrrell posteerde zijn mannen op strategische posities. John English, een van de agenten, werd tegen een dikke scheidingsmuur geplaatst die de grafkamer scheidde van het gangenstelsel. Zijn taak was simpel: luisteren. Elke kras, elk gemompel, elke beweging aan de andere kant van die muur moest hij opvangen en doorgeven. De rest van het team verspreidde zich door de donkere gangen. Sommigen trokken hun schoenen uit om geen geluid te maken op de stenen vloer.
Toen begon het wachten.
Om negen uur 's avonds klommen Mullen, Hughes en Swegles over het achterste hek van Oak Ridge Cemetery. Ze landden zacht op het gras en bleven even gehurkt zitten, luisterend naar de stilte. Niets. Geen bewaker, geen wandelaar, geen geluid behalve de wind door de kale bomen. Swegles droeg de gereedschapszak. Mullen had de gestolen bijl onder zijn jas.
Ze slopen naar het monument en liepen er eerst omheen. Bij de deur van Memorial Hall bleven ze staan. Swegles drukte zijn gezicht tegen het smalle glas naast de deur en tuurde naar binnen. Pikkedonker. "Ik zie niemand," fluisterde hij. Hughes duwde tegen de deur. Op slot. Mullen knikte. "Ligt er een bed daarbinnen waar iemand op zou kunnen slapen?" vroeg hij, doelend op de custodian. Swegles schudde zijn hoofd. "Ik denk het niet. Maar de oude man zou er kunnen zitten lezen of schrijven."
Ze besloten dat het veilig was.
Aan de andere kant van de muur hield John English zijn adem in. Hij hoorde stemmen. Gedempt, maar onmiskenbaar. De dieven waren er.
Om kwart over negen begonnen Hughes en Mullen aan het hangslot van de houten buitendeur van de grafkamer. Hughes haalde het zaagblad uit de tas en zette het op het metaal. Het professionele brekerszaagje beet in het staal, maar na enkele seconden knapte het blad doormidden. "Een prachtige zaag," mompelde Mullen sarcastisch. Hughes pakte de vijl en begon het slot te bewerken. Het metaal was hard en het werk ging langzaam. Drie minuten lang klonk het ritmische krassen van staal op staal door de grafkamer, een geluid dat English aan de andere kant van de muur woord voor woord kon volgen.
Toen gaf het slot mee. De beugel sprong los. Hughes trok de deur open.
De drie mannen stapten de grafkamer binnen. Swegles hield de bull's-eye lantern omhoog, een metalen lamp met een enkele smalle lichtbundel die als een vinger door het duister sneed. In het schijnsel verscheen de marmeren sarcofaag van Abraham Lincoln. Een massief blok wit marmer, glad gepolijst, rustend op een granieten sokkel.
Mullen greep naar de bovenkant van het sarcofaagdeksel. Het was zwaar, honderden kilo's steen. Hughes pakte de andere kant. Samen tilden ze het deksel op en zetten het voorzichtig tegen de muur. Daaronder lag een tweede, plattere deksel, vastgezet met koperen pinnen. Mullen wilde naar de bijl grijpen, maar Swegles hield hem tegen. Te veel lawaai. De custodian kon in de buurt zijn. In plaats daarvan werkten ze de koperen pinnen los met de vijl en hun vingers, centimeter voor centimeter, tot ook dit deksel loskwam en aan het voeteneinde werd gelegd.
Nu lag de kist zichtbaar in het licht van de lantaarn. Een cederhouten doodskist, bekleed met lood, waarin de stoffelijke resten van Abraham Lincoln al elf jaar rustten. De kist was zwaarder dan ze hadden verwacht. Het lood maakte hem loodzwaar, een woordspeling die op dat moment niemand kon waarderen. Mullen en Hughes grepen de kist bij de zijkanten en trokken. De kist schoof. Centimeter voor centimeter. Het hout schuurde over het graniet met een laag, klagend geluid. Na een halve minuut van trekken en hijgen stak de kist ongeveer 15 inches, zo'n 38 centimeter, uit de sarcofaag.
Verder kregen ze hem niet. De kist was simpelweg te zwaar voor twee mannen.
Mullen veegde het zweet van zijn voorhoofd en keek naar Swegles. "Haal de wagen," zei hij. "En als je terugkomt, fluit dan. Anders schieten we misschien per ongeluk op je."
Swegles knikte, pakte de lantaarn en liep de grafkamer uit, de novembernacht in. Maar in plaats van naar een wagen te lopen die er niet was, rende hij naar de achterkant van het monument, waar Tyrrell en zijn team in het donker wachtten.
Dit was het signaal.
Tyrrell hoorde Swegles naderen en fluisterde het afgesproken codewoord: "Wash." Onmiddellijk kwamen de agenten in beweging. Tyrrell, op kousenvoeten om geen geluid te maken, leidde zijn mannen via de zijingang naar buiten. Ze renden langs de oostzijde van het monument, revolvers in de hand, richting de grafkamer.
Toen ging alles mis.
In het pikkedonker van het gangenstelsel, terwijl de mannen zich naar buiten haastten, stootte George Hay, een van de Pinkerton-detectives, tegen een muur. Zijn revolver, een ouderwets percussiemodel met een gevoelige slaghamer, ging af. De knal was oorverdovend. In de besloten ruimte van het stenen gangenstelsel weerkaatste het schot als een donderslag. Iedereen verstijfde. Hay vloekte binnensmonds.
Binnen in de grafkamer hoorden Mullen en Hughes de explosie van geluid. Ze lieten de kist los, keken elkaar aan, en renden. Niet naar de voorkant van het monument, waar ze verwacht zouden worden, maar naar de zijkant, het terras op, de duisternis in.
Tyrrell bereikte de grafkamer seconden later. Hij stak een lucifer aan. In het flakkerende licht zag hij de opengebroken sarcofaag, de twee deksels tegen de muur, en de cederhouten kist van Lincoln die als een uitgestoken tong uit het graf stak. Maar geen dieven. De kamer was leeg.
Hij rende naar buiten, het terras op. De maan brak net door de wolken, een dun, melkachtig licht dat schaduwen wierp over het granieten platform rondom het monument. Op de noordwesthoek van het terras, misschien 20 meter verderop, zag Tyrrell twee donkere figuren bewegen. Silhouetten tegen de nachtlucht.
Tyrrell hief zijn revolver en vuurde. De figuren schoten terug. Twee, drie schoten knetterden over het terras. Tyrrell rende naar de zuidoosthoek voor een betere positie en vuurde opnieuw. De silhouetten beantwoordden zijn vuur vanuit dekking achter een van de granieten pilaren. Kogels ketsten af op steen.
"Chief!" schreeuwde Tyrrell naar beneden, waar Washburn moest staan. "We hebben hier de duivels!"
Stilte. Toen, vanuit de duisternis aan de overkant van het terras, een stem: "Tyrrell? Ben jij dat? Schiet je op ons?"
Het was John McGinn. De Pinkerton-detective.
Tyrrell liet zijn revolver zakken. De twee donkere figuren op wie hij had geschoten waren geen grafrovers. Het waren zijn eigen mannen. In de chaos na het onbedoelde schot van Hay waren de agenten en de Pinkertons elk een andere kant op gerend, en in het donker hadden ze elkaar voor de vijand aangezien. Minuten lang hadden federale agenten en privédetectives op elkaar gevuurd rondom het graf van Abraham Lincoln.
Terwijl Tyrrell en McGinn elkaar in het donker vonden en de situatie reconstrueerden, waren Mullen en Hughes allang verdwenen. Ze waren van het terras gesprongen, hadden zich door de struiken gewerkt, en waren via de omliggende akkers de nacht in gevlucht. De hinderlaag, wekenlang voorbereid, met een infiltrant, federale agenten en Pinkerton-detectives, was mislukt door één onbedoeld pistoolschot en de totale duisternis van een bewolkte novembernacht.
Tyrrell stond in de grafkamer en keek naar de kist van Lincoln, die nog steeds uit de sarcofaag stak. Het lood glom dof in het licht van zijn olielamp. De president was veilig. Maar de daders waren weg.
De volgende ochtend brak het nieuws. Kranten in heel Illinois berichtten over de poging tot grafroof, hoewel de details aanvankelijk vaag bleven. De Secret Service hield de naam van hun informant geheim. Tyrrell wist dat Mullen en Hughes zouden terugkeren naar de enige plek die ze kenden: The Hub.
Tien dagen later, rond 17 november, sloegen agenten toe in Chicago. Ze vonden Mullen en Hughes in de saloon aan de South Side, precies waar Tyrrell had voorspeld. De twee mannen werden gearresteerd zonder verzet. In het café, achter de bar, vonden agenten een opmerkelijk bewijsstuk: een pagina uit een Londense krant, The Catholic Union and Times, die de dieven hadden meegenomen naar het graf. Ze hadden het plan gehad om deze pagina achter te laten in de sarcofaag als bewijs dat zij daadwerkelijk het lichaam hadden gehad, een soort visitekaartje van de grafrover. De rest van diezelfde krant werd gevonden achter een buste van Lincoln die boven de bar van The Hub hing.
Op 20 november 1876 bracht een speciale grand jury in Sangamon County een aanklacht uit tegen Terrence Mullen en John Hughes. En hier onthulde de zaak een verbijsterend juridisch gat.
In de staat Illinois bestond in 1876 geen wet die het stelen van een lichaam strafbaar stelde. Lijkenroof, het opgraven en meenemen van menselijke resten, was simpelweg niet opgenomen in het wetboek van strafrecht. De enige aanklacht die de openbare aanklager, Robert H. Hazlett, kon formuleren, was "poging tot diefstal" van een kist. Niet het lichaam van Abraham Lincoln. De kist. Een cederhouten doos met loden bekleding, eigendom van de National Lincoln Monument Association, geschatte waarde: $75.
Twee mannen die hadden geprobeerd het lichaam van de meest vereerde president in de Amerikaanse geschiedenis te ontvoeren voor $200.000 losgeld, werden aangeklaagd voor de poging tot diefstal van een houten kist van vijfenzeventig dollar.
De rechtszaak die volgde in 1877 was kort. Mullen en Hughes werden schuldig bevonden aan poging tot diefstal en samenzwering. De straf: elk één jaar gevangenis in Joliet, dezelfde gevangenis waar Benjamin Boyd, de meestervervalser voor wiens vrijlating het hele plan was bedacht, al vastzat. Het is niet overgeleverd of Boyd en zijn mislukte bevrijders elkaar ooit in de gangen zijn tegengekomen.
De zaak had echter gevolgen die veel verder reikten dan de veroordeling van twee onhandige grafrovers. De publieke verontwaardiging over het juridische gat, het feit dat het stelen van een menselijk lichaam technisch gezien niet strafbaar was, leidde ertoe dat de staat Illinois in 1879 een nieuwe wet aannam die grafroof expliciet tot een misdrijf maakte, strafbaar met een gevangenisstraf van één tot tien jaar.
En dan was er nog de kwestie van Lincolns lichaam zelf.
Na de mislukte roof realiseerde John Power zich dat de sarcofaag in de openbare grafkamer volstrekt onveilig was. Iedereen die het monument bezocht, kon zien waar Lincoln lag. Een volgende poging was slechts een kwestie van tijd. Power nam een besluit dat hij de komende jaren geheim zou houden: samen met een kleine groep vertrouwelingen verplaatste hij Lincolns kist naar een verborgen locatie binnen het monument. De president lag niet langer waar bezoekers dachten dat hij lag. Zijn graf was leeg.
Dit geheim zou decennialang standhouden. Lincolns kist werd meerdere malen verplaatst, verstopt in kelders, begraven onder vloeren, verborgen achter valse muren, terwijl bezoekers bloemen legden bij een sarcofaag die niets bevatte. De man die uit zijn graf verdween, verdween niet door toedoen van de dieven, maar door toedoen van zijn eigen bewakers.
Pas in 1901, een kwart eeuw na de mislukte roof, werd Lincolns kist definitief bijgezet in een betonnen kluis, drie meter onder de grond, onder de vloer van de herbouwde grafkamer. Robert T. Lincoln, inmiddels een oude man, stond erbij toen de kluis werd verzegeld. Hij had erop gestaan dat de kist één laatste keer werd geopend, zodat getuigen konden bevestigen dat het lichaam er nog lag. Drieëntwintig mensen keken die dag naar het gezicht van Abraham Lincoln, 36 jaar na zijn dood nog herkenbaar door de balsemtechnieken van de negentiende eeuw.
De kluis werd gevuld met beton. Twee ton. Lincoln zou nooit meer worden verplaatst.
Lewis Swegles, de informant die het hele plan aan het licht had gebracht, verdween na de rechtszaak uit de geschiedschrijving. Zijn echte achtergrond bleef lang onduidelijk. Patrick Tyrrell zette zijn carrière bij de Secret Service voort en werkte nog jaren aan valsemunterij-zaken in het Midden-Westen. John Power bleef custodian van het monument tot zijn dood en schreef uiteindelijk zelf een boek over de gebeurtenissen: History of an Attempt to Steal the Body of Abraham Lincoln, een van de weinige primaire bronnen die het volledige verhaal vastleggen.
Big Jim Kinealy, de misdaadbaas die het plan had bedacht, werd nooit aangeklaagd. Er was onvoldoende bewijs om hem direct aan de poging te koppelen, en Mullen en Hughes weigerden tegen hem te getuigen. Kinealy verdween in de anonimiteit van het negentiende-eeuwse Chicago.
En Benjamin Boyd, de meestervervalser voor wie dit alles was begonnen? Hij zat zijn straf uit in Joliet, werd vrijgelaten, en keerde terug naar de valsemunterij. De Secret Service arresteerde hem opnieuw. Hij stierf in relatieve obscuriteit, zonder ooit te weten, of misschien juist heel goed wetend, dat twee mannen hadden geprobeerd het lichaam van een president te stelen om hem vrij te krijgen.
Het Lincoln-monument staat er nog steeds, op de heuvel in Oak Ridge Cemetery, bekroond door een 36 meter hoge obelisk. Elk jaar bezoeken honderdduizenden mensen het graf. Ze leggen bloemen bij de sarcofaag, raken de bronzen neus van het Lincoln-standbeeld aan voor geluk, en lopen door Memorial Hall waar hun voetstappen echoën tegen dezelfde stenen muren waar Tyrrell en zijn mannen in het donker op elkaar schoten.
Onder hun voeten, drie meter diep in twee ton beton, ligt Abraham Lincoln. Deze keer gaat hij nergens heen.

