1978 · Corsier-sur-Vevey, Zwitserland
Chaplins Kist, Opgegraven, Weduwe Krijgt de Rekening
In 1978 graven twee mannen Charlie Chaplins kist op uit een Zwitsers kerkhof en eisen losgeld van zijn weduwe. De bizarre zaak eindigt met telefoonsporen, modderwegen en een onverwacht knullige ontknoping.

Op 25 december 1977, eerste kerstdag, stierf Charlie Chaplin in zijn slaap. Hij was 88 jaar oud. Buiten zijn landhuis in Corsier-sur-Vevey, een klein Zwitsers dorp aan het Meer van Genève, lag een dun laagje sneeuw op de hellingen. Twee dagen later, op 27 december, droegen familieleden en dorpsbewoners zijn eikenhouten kist naar het gemeentelijke kerkhof, een bescheiden begraafplaats met cypressen en lage hagen, op loopafstand van het huis waar hij zijn laatste 25 levensjaren had doorgebracht. De begrafenis was klein en privé. Geen Hollywood-ceremonie, geen menigte. Precies zoals Chaplin het had gewild.
Wat niemand op dat kerkhof kon vermoeden, was dat het graf binnen tien weken leeg zou zijn.
Charlie Chaplin was in 1952 uit de Verenigde Staten vertrokken, of beter gezegd: hij was er niet meer welkom. Tijdens een reis naar Londen had de Amerikaanse immigratiedienst zijn terugkeervisum ingetrokken. De FBI onder J. Edgar Hoover had jarenlang een dossier over hem bijgehouden, meer dan 1900 pagina's dik, gevuld met vermoedens over communistische sympathieën. Chaplin, die nooit Amerikaans staatsburger was geworden ondanks bijna veertig jaar in Hollywood, besloot niet te vechten. Hij vestigde zich met zijn vierde vrouw Oona O'Neill en hun groeiende gezin in het Manoir de Ban, een achttiende-eeuws landhuis boven Corsier-sur-Vevey met uitzicht over het meer en de Alpen.
Oona was 36 jaar jonger dan hij. De dochter van toneelschrijver Eugene O'Neill, die haar vader had verstoten toen ze op haar achttiende met de toen 54-jarige Chaplin trouwde. Samen kregen ze acht kinderen. In Zwitserland leefden ze teruggetrokken. Chaplin maakte nog twee films: A King in New York en A Countess from Hong Kong, maar het was vooral een rustig bestaan van wandelingen langs het meer, familiebijeenkomsten en af en toe een bezoeker uit de filmwereld. In 1972 keerde hij één keer terug naar Hollywood om een ere-Oscar in ontvangst te nemen. De staande ovatie duurde twaalf minuten, de langste in de geschiedenis van de Academy Awards.
Vijf jaar later was hij dood. En twee maanden en drie dagen daarna was zijn lichaam verdwenen.
De ochtend van 2 maart 1978 arriveerde een tuinman op het kerkhof van Corsier-sur-Vevey voor zijn dagelijkse ronde. Bij Chaplins graf stopte hij. De aarde was omgewoeld. Waar de kist had gelegen, gaapte een donker, leeg gat. De grafzerk, die nog niet definitief was geplaatst na de winterbegrafenis, lag opzij geschoven. Modderige voetsporen liepen van het graf naar de rand van het kerkhof.
De tuinman belde de politie van kanton Vaud. Binnen het uur stond een forensisch team tussen de graven. De sporen waren duidelijk: iemand had met schoppen de zachte wintergrond opengewerkt, de kist naar boven getild en weggedragen. Een recente dooiperiode had de grond vochtig en bewerkbaar gemaakt, de bevroren bovenlaag die normaal een natuurlijke barrière vormde, was verdwenen. Het kerkhof had geen hek dat 's nachts op slot ging. Er was geen bewaking, geen verlichting bij de graven. Het was een dorpskerkhof zoals duizenden andere in Zwitserland, waar zoiets simpelweg niet voorkwam.
De politie schatte het gewicht van de eikenhouten kist op ongeveer 135 kilogram. Twee sterke mannen konden dat tillen, maar het vergde kracht en planning. Bij de rand van het kerkhof vonden agenten bandensporen in de modder, een voertuig had daar gestaan, vermoedelijk een bestelwagen.
Het nieuws verspreidde zich diezelfde dag over de wereld. Kranten van Tokio tot New York openden met koppen over de verdwenen Chaplin. In Corsier-sur-Vevey belden journalisten aan bij het Manoir de Ban. Oona Chaplin, 52 jaar oud en nog geen drie maanden weduwe, weigerde iedereen te woord te staan.
De politie van kanton Vaud stond voor een raadsel. Grafschennis was uiterst zeldzaam in Zwitserland. De rechercheurs overwogen verschillende scenario's: een macabere grap, een politiek statement, een religieus gemotiveerde actie, of, het meest waarschijnlijke, een poging tot afpersing. Ze besloten te wachten. Als iemand een lichaam stal, wilde diegene er iets mee.
De wachttijd duurde niet lang.
Enkele dagen na de diefstal ging de telefoon in het Manoir de Ban. Een mannenstem, met een zwaar Oost-Europees accent, sprak gebroken Frans. Hij noemde zichzelf "Monsieur Rochat" en kwam direct ter zake: hij had de kist van Charlie Chaplin. Hij wilde 600.000 Zwitserse frank voor de teruggave. Als de familie niet betaalde, zou het lichaam nooit worden teruggevonden.
Oona Chaplin luisterde. Daarna legde ze de hoorn neer en belde de politie.
Wat volgde was een kat-en-muisspel dat elf weken zou duren.
De politie van kanton Vaud installeerde afluisterapparatuur op de telefoonlijn van het Manoir de Ban. Elke inkomend gesprek werd opgenomen en getraceerd. Chaplins advocaat, Jean-Félix Paschoud, kreeg instructies om bij elk volgend telefoontje het gesprek zo lang mogelijk te rekken, elke seconde extra gaf de technische dienst meer tijd om de herkomst van het signaal te lokaliseren.
"Monsieur Rochat" belde opnieuw. En opnieuw. Steeds vanuit een ander telefoonhokje, steeds in de regio Lausanne, steeds kort genoeg om tracering te bemoeilijken. Hij herhaalde zijn eis: 600.000 frank. De advocaat onderhandelde, stelde vragen, vroeg om bewijs. De stem aan de andere kant werd ongeduldig.
Oona Chaplin zelf was opmerkelijk vastberaden. Tegen de politie en later tegen de pers verklaarde ze dat ze niet van plan was te betalen. Haar woorden werden beroemd: "Charlie is in de hemel en in mijn hart." Het geld interesseerde haar niet, de Chaplins waren welgesteld, 600.000 frank was betaalbaar, maar het principe wel. Ze weigerde mee te werken aan wat ze beschouwde als een groteske daad.
De afperser verhoogde de druk. In een van de telefoongesprekken dreigde hij niet alleen met het lichaam, maar ook met de veiligheid van de jongste kinderen van de familie. Dit was het moment waarop de zaak van grafschennis escaleerde naar een serieuze bedreiging. De politie verdubbelde de bewaking rond het Manoir de Ban.
Ondertussen ontstond een onverwacht probleem. Het nieuws over de grafroof had een golf van imitators aangetrokken. Tientallen mensen belden de familie Chaplin met eigen losgeldeisen, allemaal beweerden zij de kist te hebben. De politie moest elke claim onderzoeken en tegelijkertijd de echte afperser identificeren tussen het lawaai van opportunisten en gestoorden.
De echte daders losten dit probleem zelf op. Om te bewijzen dat zij, en niet een van de nabootsers, werkelijk de kist hadden, stuurden ze de familie een foto. Het beeld toonde Chaplins eikenhouten kist naast een vers gegraven gat in wat eruitzag als een akker. De aarde was donker en vochtig, de kist herkenbaar aan de metalen handgrepen. Voor de politie was dit het eerste concrete bewijs. De foto bevestigde dat de kist intact was en dat de afpersers hem ergens in een veld hadden herbegraven.
De rechercheurs analyseerden de foto op zoek naar aanwijzingen over de locatie, het type gewas, de bodemkleur, de achtergrond, maar de informatie was te beperkt om een exacte plek te bepalen.
De telefoontjes bleven komen, steeds vanuit Lausanne, steeds vanuit openbare telefoonhokjes. De politie besloot tot een grootschalige operatie. In en rond Lausanne werden bijna 200 telefoonhokjes onder permanente observatie geplaatst. Bij elk hokje stond een agent in burgerkleding of een onopvallend geparkeerde auto. Het was een logistieke nachtmerrie, honderden manuren per dag, maar de rechercheurs wisten dat "Monsieur Rochat" vroeg of laat opnieuw zou bellen.
Lees en luister verder
Dit verhaal, en de hele bibliotheek
Met Onverteld lees en beluister je elk verhaal volledig, meteen en zonder wachten. Probeer 7 dagen alles voor € 0,99.
Liever eerst horen hoe het klinkt? Beluister twee minuten van dit verhaal.



