1940 · Oświęcim, Polen
De Man Die Zich Liet Arresteren om Auschwitz te Overleven
In 1940 liet de Poolse verzetsstrijder Witold Pilecki zich bewust arresteren om Auschwitz van binnenuit te onderzoeken. Wat hij daar ontdekte, smokkelde hij in geheime rapporten naar buiten.

Op de ochtend van 19 september 1940 stond een 39-jarige Poolse man bij een tramhalte in het centrum van Warschau. Hij droeg een eenvoudig overhemd, een donkere jas, en in zijn binnenzak zat een identiteitsbewijs op naam van Tomasz Serafiński. Dat was niet zijn echte naam. Hij heette Witold Pilecki, hij was kapitein in het Poolse leger, en hij wachtte op de Duitsers. Niet om te vluchten. Om gearresteerd te worden.
Ergens in de straten rondom hem klonk het geronk van motoren. Duitse vrachtwagens reden de wijk binnen. Soldaten sprongen van de laadvloeren, geweren in de aanslag, en begonnen mannen van de stoep te plukken. Dit was een łapanka, een straatrazzia waarbij de bezetter willekeurig burgers oppakte, soms honderden tegelijk, om ze als dwangarbeiders of politieke gevangenen af te voeren. De meeste Warschauers leefden in constante angst voor deze razzia's. Pilecki had er juist op gerekend.
De soldaten bereikten zijn deel van de straat. Een Wehrmacht-soldaat schreeuwde bevelen. Pilecki stak zijn handen omhoog, net als de tientallen mannen om hem heen. Toen een officier zijn papieren vroeg, overhandigde hij kalm het vervalste identiteitsbewijs. "Tomasz Serafiński," zei hij. De Duitser bekeek het document, knikte, en duwde hem richting de groep gearresteerden. Pilecki voegde zich bij de rij zonder verzet. Alles verliep precies zoals gepland.
Wat de Duitsers niet wisten, wat vrijwel niemand wist behalve een handvol mensen in het Poolse verzet, was dat deze arrestatie geen ongeluk was. Pilecki had zichzelf aangeboden voor een missie die geen enkel ander lid van de ondergrondse wilde uitvoeren. Hij zou zich laten deporteren naar een concentratiekamp dat nog geen jaar bestond, een plek waarover geruchten de ronde deden die zo gruwelijk waren dat niemand ze geloofde. Hij zou daar van binnenuit een verzetsnetwerk opbouwen en rapporten naar buiten smokkelen. Het kamp heette Auschwitz.
Het was een plan dat op waanzin leek. Niemand was ooit vrijwillig een Duits concentratiekamp binnengegaan.
Witold Pilecki was geboren in 1901 in een Pools gezin dat generaties lang had geleden onder Russische overheersing. Zijn grootvader was verbannen naar Siberië na een mislukte opstand tegen het tsarenrijk. Pilecki groeide op met het besef dat vrijheid iets was waarvoor je vocht, niet iets dat je cadeau kreeg. Als tiener sloot hij zich aan bij de Poolse padvinderij, die in werkelijkheid een dekmantel was voor paramilitaire training. Op zijn negentiende vocht hij al mee in de Pools-Russische oorlog van 1920, waar hij twee keer werd onderscheiden voor moed.
Tussen de oorlogen leidde Pilecki een betrekkelijk rustig leven. Hij trouwde, kreeg twee kinderen, en beheerde een klein landgoed in het oosten van Polen. Hij schilderde aquarellen in zijn vrije tijd. Buren kenden hem als een stille, bedachtzame man die graag paardrijdde en boeken las. Niets aan zijn uiterlijk, het smalle gezicht, de doordringende ogen, de keurige snor, verried dat hij een van de moedigste verzetsstrijders van de twintigste eeuw zou worden.
Toen Duitsland op 1 september 1939 Polen binnenviel, meldde Pilecki zich onmiddellijk bij zijn eenheid. Hij vocht in de septembercampagne, de korte maar bloedige verdediging van Polen die eindigde met een volledige Duitse bezetting. Na de capitulatie dook Pilecki onder in Warschau en richtte samen met een andere officier een van de eerste Poolse verzetsorganisaties op: de Tajna Armia Polska, het Geheime Poolse Leger. Het was een netwerk van voormalige militairen dat inlichtingen verzamelde, sabotageacties plande, en wachtte op het juiste moment om in opstand te komen.
In de zomer van 1940 bereikten het verzet verontrustende berichten over een nieuw Duits kamp bij het stadje Oświęcim, zo'n 60 kilometer ten westen van Kraków. De Duitsers hadden de stad hernoemd tot Auschwitz en een voormalige Poolse artilleriekazerne omgebouwd tot concentratiekamp. Op 27 april 1940 had Heinrich Himmler, de leider van de SS, persoonlijk het bevel gegeven tot de oprichting. Op 14 juni 1940 was het eerste grote transport aangekomen: 728 Poolse politieke gevangenen uit de gevangenis van Tarnów. De weinige berichten die het verzet bereikten, spraken van systematische mishandeling, willekeurige executies en onmenselijke omstandigheden. Het probleem was dat niemand precies wist wat er werkelijk gebeurde. Er was geen betrouwbare bron van binnenuit.
Pilecki's commandant, majoor Włodarkiewicz, legde het dilemma voor aan zijn officieren. Ze hadden iemand nodig in het kamp. Iemand die kon observeren, organiseren, en informatie naar buiten kon krijgen. Het was in feite een zelfmoordmissie, de kans om levend terug te keren was minimaal. Pilecki bood zich aan. Volgens latere getuigenissen aarzelde hij geen moment.
De voorbereiding was minimaal. Een arts die banden had met het verzet, vermoedelijk een zekere dokter Władysław Dering, regelde een vals identiteitsbewijs op naam van Tomasz Serafiński, een echte persoon die ermee had ingestemd zijn naam te laten gebruiken. Pilecki memoriseerde de basisgegevens van Serafiński's leven: geboortedatum, woonplaats, beroep. Verder had hij niets. Geen wapen, geen zendapparatuur, geen ontsnappingsplan. Alleen een naam die niet de zijne was, en de wetenschap dat hij zich vrijwillig in de hel begaf.
Op 19 september 1940 liep hij de łapanka in.
De drie dagen die volgden op zijn arrestatie waren een voorproefje van wat komen zou. Samen met ongeveer 2000 andere opgepakte mannen werd Pilecki vastgehouden in een kazerne in Warschau. De gevangenen sliepen op de grond, kregen nauwelijks water, en werden bij het minste geringste geslagen door bewakers. Op 21 september werden ze in veewagons geladen, houten wagons zonder ramen, bedoeld voor veetransport, waarin tientallen mannen op elkaar geperst stonden. De deuren werden dichtgeschoven en vergrendeld.
De trein reed zuidwaarts door het Poolse landschap. Door de kieren in het hout zag Pilecki flarden van het platteland voorbijglijden: akkers, boerderijen, kerktorens. De lucht in de wagon was verstikkend. Mannen vielen flauw, anderen baden hardop. Sommigen huilden. Pilecki zweeg. Hij wist waar de trein naartoe ging. De anderen niet.
Op 22 september 1940, in de vroege ochtend, stopte de trein. De deuren werden opengerukt. Daglicht stroomde naar binnen, samen met het geblaf van honden en het geschreeuw van SS-bewakers. "Raus! Raus! Schnell!" De mannen strompelden naar buiten, verblind door het licht, en werden onmiddellijk in rijen opgesteld. Pilecki zette zijn voeten op de grond van Auschwitz.
Het eerste wat hij zag was het hek. Boven de hoofdingang van het kamp hing een smeedijzeren bord met de woorden "Arbeit Macht Frei": Werk Bevrijdt. Erachter strekten zich rijen lage, bakstenen gebouwen uit, omringd door dubbele rijen prikkeldraad onder hoogspanning. Wachttorens rezen op aan elke hoek. De geur was het tweede wat hem trof: een zoetige, weeïge lucht die hij niet onmiddellijk kon plaatsen. Later zou hij begrijpen dat het de geur was van het crematorium, dat dag en nacht brandde.
De ontvangst was ontworpen om elke vorm van menselijke waardigheid te vernietigen. SS-bewakers sloegen willekeurig op de nieuwkomers in terwijl ze van de trein naar het kampterrein marcheerden. Een SS-Hauptsturmführer, vermoedelijk Karl Fritzsch, de plaatsvervangend kampcommandant, hield een toespraak die Pilecki later bijna woordelijk zou opschrijven in zijn rapport. "Jullie zijn hier niet in een sanatorium terechtgekomen," schreeuwde Fritzsch. "Dit is een Duits concentratiekamp, en de enige uitweg is door de schoorsteen. Als iemand dat niet bevalt, kan hij nu meteen naar het prikkeldraad lopen. Als er Joden in dit transport zitten: jullie hebben het recht om niet langer dan twee weken te leven."
Pilecki stond in de rij en luisterde. Om hem heen zag hij mannen die trilden, mannen die huilden, mannen die verstijfd waren van angst. Een gevangene die niet snel genoeg bewoog, werd door een bewaker met een geweerkolf in het gezicht geslagen. De man viel op de kasseien. Niemand hielp hem overeind. Niemand durfde.
Daarna volgde de registratieprocedure. De gevangenen werden een voor een naar een barak geleid waar hun hoofden werden kaalgeschoren, hun kleding werd afgepakt, en ze een gestreept gevangenisuniform kregen, de beruchte blauw-grijze pyjama die het symbool zou worden van het kamp. Pilecki moest zijn nummer onthouden: 4859. Het werd op een strook stof genaaid die op zijn borst werd bevestigd. Vanaf dat moment had hij geen naam meer. Hij was nummer 4859.
Tijdens de registratie moest elke gevangene een houten bordje met zijn nummer vasthouden terwijl er een foto werd gemaakt, drie opnames: van voren, van opzij, en met pet. Pilecki's registratiefoto is bewaard gebleven. Het toont een man met een kaalgeschoren hoofd, een aquilijnneus, borstelige wenkbrauwen, en ogen die recht in de camera kijken. Er is geen angst in die ogen te lezen. Eerder iets van vastberadenheid, alsof hij de fotograaf uitdaagt.
Bij het vasthouden van het nummerbordje tussen zijn tanden, een vernederende procedure die de SS had bedacht, werd Pilecki door een bewaker met een stok in het gezicht geslagen. Twee van zijn voortanden braken af. Het bloed liep over zijn kin en druppelde op het gestreepte uniform. "Het was hier dat ik mijn eerste twee tanden verloor," schreef hij later in zijn rapport, met de droge, bijna klinische toon die kenmerkend zou worden voor zijn verslagen.
De eerste weken in Auschwitz waren een oefening in overleven. Het kamp was in september 1940 nog relatief klein, enkele duizenden gevangenen, voornamelijk Poolse politieke gevangenen en een groep Duitse criminelen die als kapo's fungeerden. De kapo's waren gevangenen die door de SS waren aangesteld om andere gevangenen te bewaken en te straffen. Veel van hen waren wreder dan de SS-bewakers zelf, omdat hun eigen overleving afhing van hun brutaliteit.
De dagelijkse routine was ontworpen om te breken. Om half vijf 's ochtends werden de gevangenen gewekt. Ze moesten zich in rijen opstellen op het appèlveld, waar ze soms uren moesten staan terwijl de SS de aantallen controleerde. Bij regen, bij vrieskou, bij hitte, het maakte niet uit. Wie viel, werd geslagen. Wie niet meer opstond, werd weggesleept. Na het appèl volgde het werk: steensjouwen, greppels graven, wegen aanleggen, alles onder constante bewaking en met regelmatige slagen. Het voedsel bestond uit een halve liter waterige soep per dag en een klein stuk brood. De calorische inname was zo laag berekend dat een gemiddelde gevangene er volgens de kampautoriteiten zes weken op kon overleven.
Pilecki observeerde alles. Hij telde de bewakers en hun wisseltijden. Hij noteerde de indeling van de barakken, de locatie van de wachttorens, de routes van de patrouilles. Hij bestudeerde welke gevangenen in sleutelposities zaten, in de keuken, in de ziekenbarak, in de administratie, en welke van hen betrouwbaar genoeg waren om te benaderen. Dit alles deed hij in zijn hoofd. Er was geen papier, geen pen, geen enkele manier om aantekeningen te maken zonder ontdekt te worden. Alles moest worden onthouden.
De eerste stap was het vinden van bondgenoten. Pilecki begon voorzichtig, met individuele gesprekken tijdens het werk of in de barak na het avondappèl. Hij zocht naar voormalige militairen, naar mannen met een achtergrond in het verzet, naar iemand die hij kon vertrouwen. Het risico was enorm. Eén verkeerd woord tegen de verkeerde persoon, een informant, een kapo die gunsten zocht bij de SS, en Pilecki zou worden geëxecuteerd. Of erger: gemarteld tot hij de namen van zijn contacten buiten het kamp prijsgaf.
Toch vond hij ze. Een voor een, in de loop van oktober 1940, rekruteerde Pilecki een kleine groep medegevangenen. Hij vertelde hun niet alles, niemand kende het volledige plaatje behalve hijzelf. Elke rekruut kende alleen zijn eigen cel van drie tot vijf man. Als iemand werd gepakt en gemarteld, kon hij hooguit een handvol namen verraden, niet het hele netwerk. Het was een klassieke verzetsstructuur, een cellenmodel dat Pilecki kende uit zijn militaire training, maar nu toegepast onder de meest extreme omstandigheden denkbaar.
De organisatie die hij oprichtte kreeg de naam Związek Organizacji Wojskowej, de Militaire Organisatie Unie, afgekort ZOW. Het was de eerste verzetsorganisatie die ooit binnen de muren van een Duits concentratiekamp opereerde.
De doelen van ZOW waren drieledig. Ten eerste: het moreel van de gevangenen versterken. In een omgeving die was ontworpen om elke hoop te vernietigen, was het simpele feit dat er een georganiseerd verzet bestond al een daad van rebellie. Gevangenen die wisten dat ze niet alleen stonden, hielden langer vol. Ten tweede: het verbeteren van de overlevingskansen van sleutelleden. ZOW-leden in de kampkeuken smokkelden extra voedsel naar zieke kameraden. Leden in de ziekenbarak zorgden ervoor dat bepaalde gevangenen niet werden geselecteerd voor executie. Leden in de administratie manipuleerden werklijsten zodat uitgeputte mannen lichter werk kregen. Het waren kleine ingrepen, maar in Auschwitz kon een extra portie soep het verschil betekenen tussen leven en dood.
Het derde doel was het belangrijkste: informatie naar buiten krijgen.
Dit was het gevaarlijkste onderdeel van de operatie. Pilecki moest een manier vinden om gedetailleerde rapporten over de kamprealiteit te smokkelen naar het Poolse verzet in Warschau, meer dan 300 kilometer verderop. De methoden die hij en zijn netwerk ontwikkelden waren even ingenieus als wanhopig.
Een van de eerste kanalen liep via de kampwasserij. Gevangenen die werkten in de wasserij hadden contact met Poolse burgers uit Oświęcim die af en toe leveringen deden aan het kamp. Via deze burgers konden kleine berichten, geschreven op flinterdunne strookjes papier, soms niet groter dan een luciferdoosje, naar buiten worden gesmokkeld. De berichten werden verstopt in de naden van vuile kleding die het kamp verliet, of in de dubbele bodem van broodmanden.
Een ander kanaal maakte gebruik van gevangenen die werden vrijgelaten of overgeplaatst. Hoewel het zeldzaam was, kwam het in de vroege periode van Auschwitz nog voor dat individuele gevangenen werden ontslagen, meestal na interventie van invloedrijke familieleden of door administratieve fouten. Pilecki zorgde ervoor dat deze gevangenen, voordat ze het kamp verlieten, cruciale informatie hadden gememoriseerd: aantallen doden, namen van SS-officieren, beschrijvingen van mishandelingen, de indeling van het kamp.
De berichten die het kamp verlieten, werden via een keten van koeriers doorgegeven aan het Poolse verzet in Warschau. Daar werden ze gecompileerd tot rapporten die vervolgens werden doorgestuurd naar de Poolse regering in ballingschap in Londen. Het eerste rapport van Pilecki bereikte Warschau in november 1940, nog geen twee maanden na zijn aankomst in het kamp.
De inhoud was vernietigend. Pilecki beschreef in klinische, precieze bewoordingen wat er in Auschwitz gebeurde: de systematische mishandeling, de willekeurige executies, de onmenselijke leefomstandigheden, het gebruik van gevangenen als dwangarbeiders tot ze stierven van uitputting. Hij noemde namen van daders. Hij gaf schattingen van het aantal doden. Hij beschreef de structuur van het kamp, de hiërarchie van de SS, de rol van de kapo's. Het was het eerste ooggetuigenverslag van binnenuit een Duits concentratiekamp dat de buitenwereld bereikte.
Het rapport werd doorgestuurd naar Londen. En daar gebeurde iets dat Pilecki niet had verwacht, iets dat hem de rest van zijn leven zou achtervolgen.
Niemand geloofde het.
De Poolse regering in ballingschap stuurde de informatie door naar de Britse inlichtingendiensten en naar de geallieerde regeringen. De reactie was overwegend scepsis. De beschrijvingen leken te extreem om waar te zijn. Britse functionarissen vermoedden dat het Poolse verzet overdreef om meer steun los te krijgen. De Amerikanen, die op dat moment nog niet eens in de oorlog zaten, besteedden er nauwelijks aandacht aan. Zelfs binnen het Poolse verzet waren er mensen die twijfelden aan de betrouwbaarheid van de berichten.
Pilecki wist dit niet. Hij zat in Auschwitz, riskeerde dagelijks zijn leven om informatie naar buiten te krijgen, en ging ervan uit dat de wereld zou reageren zodra ze wist wat er gebeurde. Hij bleef rapporten sturen. Maand na maand, jaar na jaar. In totaal zou hij meer dan drie jaar in het kamp doorbrengen, van september 1940 tot april 1943, en in die periode tientallen rapporten naar buiten smokkelen.
Terwijl de maanden verstreken, veranderde Auschwitz. Het kamp groeide. Nieuwe barakken werden gebouwd, nieuwe transporten arriveerden. In 1941 begonnen de eerste experimenten met Zyklon B, het gifgas dat zou worden gebruikt voor de industriële massamoord op Joden, Roma en andere groepen. Pilecki was een van de eersten die rapporteerde over deze ontwikkeling. Hij beschreef hoe Sovjet-krijgsgevangenen en zieke gevangenen werden vergast in de kelders van Blok 11, het strafblok van Auschwitz I. Later, toen Auschwitz II-Birkenau werd gebouwd als vernietigingskamp, rapporteerde hij over de schaal van de moord die daar plaatsvond.
Zijn rapporten werden steeds urgenter. Hij smeekte om actie, een geallieerd bombardement op het kamp, een luchtlanding, wapens die naar het verzet konden worden gedropt. Hij had plannen uitgewerkt voor een opstand van binnenuit, maar daarvoor had hij steun van buitenaf nodig. Die steun kwam niet.
De geallieerden hadden andere prioriteiten. De oorlog woedde op meerdere fronten. De middelen waren beperkt. En de berichten uit Auschwitz, hoe gedetailleerd ook, werden nog steeds niet volledig serieus genomen. Het was een van de meest tragische communicatiestoringen van de twintigste eeuw: de waarheid was zo onvoorstelbaar dat ze werd afgedaan als propaganda.
Ondertussen werd het voor Pilecki steeds gevaarlijker om in het kamp te blijven. De Gestapo had geruchten opgevangen over een ondergrondse organisatie onder de gevangenen. Er vonden arrestaties plaats. Leden van ZOW werden opgepakt en ondervraagd. Pilecki wist dat het een kwestie van tijd was voordat het spoor naar hem zou leiden.
In de nacht van 26 op 27 april 1943 ontsnapte Pilecki uit Auschwitz. Samen met twee medegevangenen: Jan Redzej en Edward Ciesielski, maakte hij gebruik van zijn positie in de kampbakkerij. De bakkerij lag aan de rand van het kamp, buiten de binnenste ring van prikkeldraad. De drie mannen werkten de nachtdienst. Hun plan was even simpel als riskant.
Om twee uur 's nachts, toen de bewaking op zijn dunst was, openden ze de achterdeur van de bakkerij. De deur gaf toegang tot een kleine laadruimte die grensde aan de buitenste omheining. Pilecki had wekenlang de patronen van de zoeklichten bestudeerd. Hij wist dat er een interval van ongeveer dertig seconden was waarin de lichtbundel van de dichtstbijzijnde wachttoren de achterzijde van de bakkerij niet bestreek.
Redzej ging als eerste. Hij rende gebukt naar de buitendeur, die met een ijzeren grendel was afgesloten. De grendel was eerder die avond door een ZOW-lid in de bakkerij losgemaakt, niet helemaal verwijderd, want dat zou opvallen bij inspectie, maar net genoeg losgedraaid zodat hij met één ruk open kon. Redzej trok. De grendel gaf mee. De deur zwaaide open en de koude nachtlucht stroomde naar binnen.
Ciesielski volgde. Pilecki ging als laatste. Hij trok de deur achter zich dicht, niet op slot, dat kon niet meer, maar dicht genoeg om bij een vluchtige blik normaal te lijken. De drie mannen renden over een open strook gras naar een greppel die langs de weg liep. De zoeklichten zwaaiden. De honden in de kennels aan de andere kant van het kamp blaften, maar dat deden ze altijd. Niemand sloeg alarm.
Ze renden. Eerst door de greppel, dan door een veld, dan een bos in. Pilecki had een pakje tabak bij zich dat met atropine was doordrenkt, een stof die de geur van een vluchteling maskeerde voor speurhonden. Hij strooide het uit achter zich terwijl ze renden. De truc werkte. Hoewel de SS de volgende ochtend een grootschalige zoekactie op touw zette, met honden en patrouilles die het hele gebied uitkamden, werden de drie mannen niet gevonden.
Na drie dagen lopen bereikten ze een boerderij van een vertrouwde contactpersoon. Van daaruit werden ze via het verzetsnetwerk naar Warschau gesmokkeld. Pilecki was vrij. Hij had 947 dagen in Auschwitz doorgebracht.
Terug in Warschau schreef Pilecki onmiddellijk een uitgebreid rapport, het meest gedetailleerde verslag dat tot dan toe over Auschwitz was opgesteld. Het document, dat later bekend zou worden als het "Rapport W," besloeg tientallen pagina's en beschreef niet alleen de dagelijkse terreur in het kamp, maar ook de systematische vernietiging van Joden die in 1942 op industriële schaal was begonnen. Pilecki schatte dat op dat moment al meer dan een miljoen mensen in Auschwitz-Birkenau waren vermoord.
Het rapport werd opnieuw doorgestuurd naar Londen. En opnieuw was de reactie teleurstellend. De geallieerden erkenden nu wel dat er verschrikkelijke dingen gebeurden in de Duitse kampen, maar concrete actie bleef uit. Er werd geen bombardement uitgevoerd op de spoorlijnen naar Auschwitz. Er werden geen wapens gedropt voor het verzet. De vernietiging ging door.
Pilecki vocht ondertussen verder in het Poolse verzet. In augustus 1944 nam hij deel aan de Opstand van Warschau, de wanhopige poging van het Poolse thuisleger om de stad te bevrijden voordat het Rode Leger arriveerde. De opstand duurde 63 dagen en eindigde in een catastrofale nederlaag. Warschau werd vrijwel volledig verwoest. Pilecki werd krijgsgevangen genomen door de Duitsers en bracht de rest van de oorlog door in een krijgsgevangenenkamp in Duitsland.
Na de bevrijding in 1945 meldde Pilecki zich bij de Poolse strijdkrachten in het Westen, die onder Brits commando opereerden in Italië. Daar schreef hij zijn definitieve rapport over Auschwitz, een document dat later door historici zou worden beschouwd als een van de belangrijkste ooggetuigenverslagen van de Holocaust. Het was een droog, feitelijk, bijna bureaucratisch verslag, geen emotionele oproep, maar een militair rapport, compleet met plattegronden, namenlijsten en statistische schattingen.
Wat er daarna met Pilecki gebeurde, is misschien wel het meest opmerkelijke deel van zijn verhaal.
In 1945 verschoof de politieke realiteit in Europa. Polen kwam onder Sovjet-invloed. Een communistisch regime nam de macht over in Warschau, gesteund door Moskou. Voor het nieuwe regime waren voormalige leden van het Poolse thuisleger, dat had gevochten voor een onafhankelijk, niet-communistisch Polen, geen helden maar vijanden. Ze werden systematisch vervolgd, gearresteerd en berecht in showprocessen.
Pilecki's superieuren in het Westen waarschuwden hem om niet terug te keren naar Polen. Het was te gevaarlijk. Pilecki negeerde het advies. In de herfst van 1945 keerde hij terug naar Warschau, onder een valse identiteit, opnieuw. Zijn nieuwe missie: inlichtingen verzamelen over de Sovjet-dominantie in Polen en rapporteren aan de Poolse regering in ballingschap in Londen.
Het was alsof hij niet kon stoppen. Dezelfde man die zich vrijwillig in Auschwitz had laten opsluiten, begaf zich nu vrijwillig in het volgende totalitaire systeem. Hij verzamelde informatie over de arrestaties van voormalige verzetsstrijders, over de manipulatie van verkiezingen, over de Sovjet-invloed op het Poolse leger. Hij stuurde zijn bevindingen naar Londen via dezelfde soort clandestiene kanalen die hij in Auschwitz had gebruikt.
Op 8 mei 1947 werd hij gearresteerd door de Poolse geheime politie, de Urząd Bezpieczeństwa. De ironie was wreed: de man die de nazi's had getrotseerd, werd nu gevangengezet door het regime dat beweerde Polen van de nazi's te hebben bevrijd.
Wat volgde was een showproces in de beste Stalinistische traditie. Pilecki werd beschuldigd van spionage, illegaal wapenbezit, en het plannen van moordaanslagen op Poolse regeringsfunctionarissen. De aanklachten waren grotendeels verzonnen. Tijdens zijn detentie werd hij maandenlang gemarteld, zo hevig dat hij tegen zijn vrouw zou hebben gezegd dat Auschwitz daarbij vergeleken "kinderspel" was geweest.
Op 15 maart 1948 werd Pilecki ter dood veroordeeld. Op 25 mei 1948 werd het vonnis voltrokken in de Mokotów-gevangenis in Warschau. Hij werd doodgeschoten met een kogel in het achterhoofd. Hij was 47 jaar oud. Zijn lichaam werd begraven op een onbekende locatie. Tot op de dag van vandaag is zijn graf niet gevonden.
Na zijn executie werd Pilecki's naam systematisch uit de Poolse geschiedschrijving gewist. Het communistische regime verbood elke vermelding van zijn missie in Auschwitz. Zijn rapporten werden verzegeld in archieven. Zijn familie werd geïntimideerd en gemarginaliseerd. Voor een hele generatie Polen bestond Witold Pilecki simpelweg niet.
Het duurde tot 1989, na de val van het communisme in Polen, voordat zijn verhaal langzaam weer aan het licht kwam. In 1990 werd hij postuum gerehabiliteerd door een Poolse rechtbank. Zijn rapporten werden vrijgegeven uit de archieven. Historici begonnen zijn verhaal te reconstrueren. In 2006 werd hij postuum bevorderd tot kolonel. In 2013 werd hij postuum onderscheiden met de Orde van de Witte Adelaar, de hoogste Poolse onderscheiding.
In Polen is Pilecki inmiddels een nationale held. Scholen dragen zijn naam, er staan standbeelden van hem in Warschau en andere steden, en zijn rapport over Auschwitz is gepubliceerd als boek. Buiten Polen blijft hij grotendeels onbekend. De man die vrijwillig Auschwitz binnenging om de wereld te waarschuwen, die bijna drie jaar overleefde in een van de ergste plekken die de
