1976 · Chowchilla, Californië, Verenigde Staten
27 Mensen Levend Begraven, en de Daders Waren Miljonairszonen
In 1976 werden in Chowchilla 26 schoolkinderen en hun buschauffeur ontvoerd en levend begraven in een verhuiswagen. Hun ontsnapping werd een van de ongelooflijkste overlevingsverhalen én misdaden van de eeuw.

Op donderdag 15 juli 1976, even na drieën 's middags, startte Ed Ray de motor van zijn gele schoolbus op het terrein van Dairyland Elementary in Chowchilla, Californië. Het was een snikhete zomerdag, ruim 38 graden, en de 55-jarige buschauffeur had zijn raam helemaal opengedraaid. De airconditioning in de bus deed het al weken niet meer, maar Ed klaagde niet. Hij reed deze route al jaren. Dezelfde stoffige wegen door de San Joaquin Valley, dezelfde boerderijen, dezelfde kinderen die bij dezelfde brievenbussen uitstapten.
Die middag zaten er 26 kinderen in zijn bus. De jongste was vijf, de oudste veertien. Ze kwamen van het zomerprogramma van de school, een mix van knutselen, zwemmen en buitenspelen die de lange vakantiedagen vulde. Sommigen zaten voorin te kletsen, anderen hingen achterover op de kunstleren banken en staarden naar de eindeloze katoenvelden die voorbijgleden. Het was het soort middag waarop niets bijzonders kon gebeuren.
Om tien over vier reed Ed over Avenue 21, een smalle landweg ten westen van Chowchilla, toen hij een witte bestelbus zag staan die de weg blokkeerde. Hij remde af. Voordat hij kon inschatten wat er aan de hand was, verscheen er een man met een nylonkous over zijn hoofd en een geweer in zijn handen. Twee anderen doken op vanachter de bestelbus. Ze droegen dezelfde gezichtsloze maskers.
Ed Ray had 55 jaar geleefd zonder dat iemand ooit een wapen op hem had gericht.
De man met het geweer gebaarde dat hij de busdeur moest openen. Ed gehoorzaamde. De kinderen, die even daarvoor nog hadden gelachen en geduwd, werden doodstil. Eén van de gemaskerde mannen klom de bus in, liep door het gangpad en begon de kinderen naar buiten te dirigeren. Niet ruw, niet schreeuwend, bijna zakelijk, alsof hij een groep toeristen begeleidde. De tweede man hield Ed onder schot terwijl de derde een bestelbus achteruit reed tot de achterdeur tegen de busdeur stond.
Eén voor één stapten de kinderen over van de schoolbus naar de bestelbus. Sommigen huilden zachtjes. Anderen keken met grote ogen om zich heen, te verbijsterd om te reageren. Een meisje van zes klemde een tekening vast die ze die middag had gemaakt. Ze liet hem niet los, niet toen ze de bus uit werd geleid, niet toen ze in de bestelbus werd geduwd, niet tijdens de elf uur die volgden.
Ed Ray was de laatste die overstapte. De deur ging dicht. Het werd donker.
Wat niemand in Chowchilla op dat moment wist, niet de ouders die om halfvijf bij de bushaltes stonden te wachten, niet de buren die de lege schoolbus later die avond langs de weg zouden vinden, niet de sheriff die om zes uur de eerste melding binnenkreeg, was dat deze ontvoering al maanden eerder was gepland. En dat de drie mannen achter de maskers geen gewone criminelen waren. Het waren de zonen van enkele van de rijkste families in de San Francisco Bay Area.
Frederick Newhall Woods IV was 24 jaar oud. Zijn vader bezat een steengroeve in Livermore, zo'n 160 kilometer ten noordwesten van Chowchilla, de California Rock and Gravel Company. Frederick was opgegroeid in een villa in Portola Valley, een van de duurste buurten van het schiereiland ten zuiden van San Francisco. Hij had op particuliere scholen gezeten, reed in dure auto's en had nooit een dag in zijn leven hoeven werken. James Schoenfeld, 24, en zijn jongere broer Richard, 22, kwamen uit een vergelijkbaar milieu. Hun vader was een succesvolle arts in Atherton, een stadje waar het gemiddelde huishoudinkomen tot de hoogste van het land behoorde.
Drie jonge mannen die alles hadden. En die desondanks besloten om 26 kinderen en hun buschauffeur te ontvoeren voor $5 miljoen losgeld.
Het plan was ontstaan in de herfst van 1975, bijna een jaar voor de ontvoering. Frederick Woods had het idee geopperd tijdens een avond met de broers Schoenfeld. Hij had gelezen over ontvoeringen en was gefascineerd geraakt door de bedragen die werden geëist. Niet uit financiële nood, zijn familie was vermogend, maar uit een soort verveelde ambitie die later door psychiaters zou worden beschreven als een combinatie van narcisme en een volkomen gebrek aan empathie.
Het drietal bestudeerde busroutes in de Central Valley. Ze kozen Chowchilla omdat het afgelegen lag, omdat de wegen eromheen leeg waren, en omdat de politie er klein en onderbemand was. Ze kochten twee bestelwagens en begonnen aan het meest bizarre onderdeel van hun plan: het begraven van een verhuiswagen.
Op het terrein van de steengroeve van Woods' vader in Livermore groeven ze met een graafmachine een gat van ruim twee meter diep en tien meter lang. Ze reden een oude meubeltransportwagen het gat in, een stalen container van het type dat normaal wordt gebruikt om huisraad te vervoeren. Binnenin plaatsten ze een paar matrassen, wat water, een ventilator die op een accu werkte, en een primitief chemisch toilet. Daarna schoven ze er een tweede, kleinere container bovenop als een soort toegangsschacht, en bedekten het geheel met aarde.
Het resultaat was een ondergrondse gevangenis. Groot genoeg voor dertig mensen. Volledig onzichtbaar vanaf het oppervlak.
De drie mannen oefenden de route van Chowchilla naar Livermore meerdere keren. Ze kochten nylonkousen, handschoenen en wapens. Ze maakten een losgeldbriefje op. En op 15 juli 1976 reden ze naar Madera County om hun plan uit te voeren.
In de bestelbus was het verstikkend heet. De 26 kinderen en Ed Ray zaten opeengepakt in een ruimte die bedoeld was voor vracht, niet voor mensen. Er waren geen ramen. De enige lucht kwam door een paar kleine ventilatieopeningen. Sommige kinderen begonnen te hyperventileren. Anderen werden wagenziek van het schudden en slingeren op de onverharde wegen.
Ed Ray probeerde kalm te blijven. Hij kende elk kind bij naam. Hij praatte tegen hen, zei dat alles goed zou komen, dat hun ouders hen zouden vinden. Maar hij wist niet waar ze naartoe werden gebracht. Hij wist niet wat de mannen van plan waren. En hij wist niet dat de rit elf uur zou duren.
De ontvoerders reden niet rechtstreeks naar Livermore. Ze namen omwegen, stopten onderweg om van voertuig te wisselen, en reden op een gegeven moment met twee bestelwagens tegelijk, de kinderen verdeeld over beide voertuigen. Het was diep in de nacht toen ze eindelijk het terrein van de steengroeve opreden.
Wat volgde was een scène die de kinderen de rest van hun leven zou achtervolgen.
De ontvoerders openden de achterdeuren van de bestelwagens en begonnen de kinderen één voor één naar een opening in de grond te leiden. Het was pikdonker. De kinderen konden niets zien behalve de lichtkegels van zaklampen die over rotsachtige grond dansten. Ze moesten een ladder af, een smalle schacht in, en kwamen terecht in de begraven verhuiswagen.
De ruimte was ongeveer twee meter breed, twee meter hoog en tien meter lang. De wanden waren van staal. De vloer was bedekt met een paar dunne matrassen. Er stonden plastic emmers met water en een chemisch toilet in de hoek. De ventilator zoemde, maar produceerde nauwelijks verkoeling. De lucht was zwaar en rook naar aarde en metaal.
Ed Ray werd als laatste naar beneden gebracht. Boven hem hoorde hij hoe de ontvoerders de toegangsschacht afsloten. Er klonk het geluid van metaal op metaal, gevolgd door het doffe bonken van aarde die op het luik werd geschept. Daarna werd het stil.
Ze waren begraven.
In Chowchilla was inmiddels de paniek uitgebroken. Om halfvijf die middag hadden de eerste ouders bij de bushaltes gestaan. Om vijf uur belden ze de school. Om zes uur belde de school de politie. Om zeven uur vond een boer de lege schoolbus langs Avenue 21, de motor nog warm, de sleutels nog in het contact, de persoonlijke bezittingen van de kinderen nog op de banken.
Zesentwintig kinderen en hun buschauffeur waren verdwenen. Geen briefje, geen telefoontje, geen spoor.
De sheriff van Madera County, Ed Bates, had in zijn hele carrière nog nooit een vermissingszaak van deze omvang meegemaakt. Binnen enkele uren werd de FBI ingeschakeld. Tegen middernacht waren er meer dan honderd agenten in het veld. Helikopters vlogen met zoeklichten over de katoenvelden. Duikers doorzochten irrigatiekanalen. Speurhonden volgden geursporen die doodliepen op de plek waar de bestelbus had gestaan.
De media pikten het verhaal op met een snelheid die zelfs voor Amerikaanse begrippen uitzonderlijk was. Tegen de ochtend van 16 juli was de verdwijning van de Chowchilla-schoolbus het belangrijkste nieuwsverhaal in het land. Televisieploegen uit Los Angeles, San Francisco en New York reden naar het kleine boerenstadje. Ouders werden voor camera's geïnterviewd terwijl ze huilden. De burgemeester deed een oproep. De gouverneur van Californië, Jerry Brown, werd geïnformeerd.
Maar niemand wist waar de kinderen waren. En de ontvoerders belden niet.
Dat was het opmerkelijke aan het plan van Woods en de broers Schoenfeld. Ze hadden alles tot in detail voorbereid, de route, de bestelwagens, de begraven container, het losgeld, behalve het belangrijkste onderdeel: de communicatie. Ze hadden gepland om na de ontvoering naar een telefooncel te rijden en het losgeldbedrag door te geven aan de politie. Maar toen ze na de elf uur durende rit in Livermore aankwamen, waren ze zo uitgeput dat ze eerst gingen slapen. Frederick Woods reed naar het huis van zijn ouders. De broers Schoenfeld gingen naar hun eigen woning. Ze zetten hun wekkers, maar sliepen door.
Terwijl 26 kinderen en hun buschauffeur onder de grond lagen, in een stalen doos zonder daglicht, zonder te weten of iemand hen zocht, zonder te weten of ze ooit gevonden zouden worden, lagen hun ontvoerders te slapen in hun comfortabele bedden.
Onder de grond begon de situatie te verslechteren. De temperatuur in de container steeg gestaag. De ventilator op de accu draaide steeds langzamer. Het water in de plastic emmers raakte op. De jongste kinderen, vijf en zes jaar oud, huilden onafgebroken. Anderen waren apathisch geworden, lagen stil op de matrassen en staarden naar het stalen plafond dat amper een armlengte boven hen hing.
Ed Ray telde de uren. Hij had geen horloge, dat was hem afgenomen, maar hij probeerde de tijd bij te houden aan de hand van de geluiden buiten de container. Vogels in de ochtend. Stilte in de middag. Het probleem was dat hij niets hoorde. De container lag te diep. De enige geluiden waren het zoemen van de stervende ventilator en het huilen van kinderen.
Na wat Ed schatte als twaalf uur begon hij na te denken over ontsnapping. Hij had de constructie van de toegangsschacht bestudeerd toen hij naar beneden was gebracht. Boven de container bevond zich een tweede, kleinere metalen doos, een soort verticale koker, die als toegangsschacht diende. Het luik bovenaan die koker was afgesloten, en de ontvoerders hadden er iets zwaars op geplaatst. Maar Ed had iets opgemerkt: de koker was niet vastgelast aan de container eronder. Er zat een opening tussen.
Hij begon te werken. Met zijn blote handen duwde hij tegen het plafond van de container, op de plek waar de koker erop rustte. Het staal gaf niet mee. Hij keek om zich heen naar iets dat hij als hefboom kon gebruiken. Een van de matrassen had een houten lattenbodem. Ed trok er een lat uit, een plank van misschien een meter lang en vijf centimeter breed. Hij stak de lat in de naad tussen de container en de koker en begon te wrikken.
Enkele van de oudere kinderen kwamen helpen. Michael Marshall, veertien jaar oud en de oudste van de groep, ging naast Ed staan en duwde mee. Een ander kind, een jongen van twaalf, hield de lat vast terwijl Ed er met zijn volle gewicht op leunde. Het metaal kraakte. De naad werd wijder. Maar boven de koker lag aarde, en die aarde drukte het luik naar beneden met een gewicht dat Ed niet kon inschatten.
Ze werkten in shifts. Ed en de oudere jongens duwden en wrikten, terwijl de jongere kinderen aan de kant zaten. De lucht werd steeds zwaarder. De ventilator was gestopt. Sommige kinderen ademden in korte, snelle halen, de eerste tekenen van zuurstofgebrek.
Ed wist dat ze niet veel tijd meer hadden.
Na wat aanvoelde als uren van onafgebroken wrikken en duwen, schoof het luik bovenaan de koker een paar centimeter opzij. Er viel aarde naar binnen, een stortvloed van droge, zanderige grond die in hun ogen en monden terechtkwam. Maar er kwam ook lucht mee. Frisse, koele nachtlucht die naar eucalyptus rook.
Ed duwde harder. Michael Marshall klom op zijn schouders en drukte met zijn rug tegen het luik. Meer aarde stortte naar beneden. De opening werd groter. Michael stak zijn hoofd erdoorheen en zag sterren.
Ze waren er bijna uit.
Het luik bleek verzwaard te zijn met twee industriële accu's, het type dat in vrachtwagens wordt gebruikt, elk zo'n 25 kilo zwaar. De ontvoerders hadden ze op het luik geplaatst als extra beveiliging. Michael en Ed schoven ze opzij, centimeter voor centimeter, terwijl de aarde om hen heen bleef instorten. Toen het luik ver genoeg open was, klom Michael als eerste naar buiten. Hij stond op het terrein van een steengroeve, omringd door hopen grind en geparkeerde machines. Het was donker. De lucht was helder. Hij had geen idee waar hij was.
Ed Ray klom als tweede naar buiten en begon de kinderen één voor één omhoog te trekken. De jongsten moest hij optillen, sommigen waren te zwak om zelf te klimmen. Een meisje van vijf was zo uitgedroogd dat ze nauwelijks kon staan. Ed droeg haar op zijn arm terwijl hij met zijn andere hand het volgende kind omhooghielp.
Het duurde bijna een uur voordat alle 26 kinderen boven de grond stonden. Ze waren vies, uitgedroogd, sommigen hadden snijwonden van het metaal en kneuzingen van het klimmen. Maar ze leefden. Allemaal.
Ed leidde de groep over het terrein van de steengroeve naar een hek. Aan de andere kant van het hek stond een gebouwtje met licht aan, het kantoor van de steengroeve, waar een nachtwaker dienst had. Ed klopte op de deur.
De nachtwaker, een man die net zijn koffie aan het zetten was, opende de deur en zag een 55-jarige man met bebloede handen, gevolgd door 26 kinderen in gescheurde kleren, bedekt met aarde. Het was even na middernacht op 17 juli 1976. Ze hadden ongeveer 16 uur onder de grond gezeten.
De nachtwaker belde de politie van Livermore. De politie van Livermore belde de FBI. De FBI belde de sheriff van Madera County. Binnen een uur wist heel Amerika dat de kinderen van Chowchilla levend waren gevonden, niet door de politie, niet door de FBI, niet door de honderden vrijwilligers die de Central Valley hadden uitgekamd, maar door een 55-jarige buschauffeur en een groep kinderen die zichzelf hadden bevrijd.
De terugkeer naar Chowchilla was een scène die de inwoners van het stadje nooit zouden vergeten. Kort voor zonsopgang op 17 juli reden politieauto's met zwaailichten de hoofdstraat in, gevolgd door een bus met 26 kinderen en Ed Ray. Ouders stonden langs de weg. Sommigen renden naar de bus voordat hij tot stilstand was gekomen. Een moeder trok haar dochter door het raam naar buiten. Een vader stond midden op straat te huilen met zijn zoon in zijn armen.
Ed Ray stapte als laatste uit de bus. Hij liep naar zijn pick-up truck, die nog op het schoolplein stond waar hij hem die ochtend, een eeuwigheid geleden, had geparkeerd. Hij reed naar huis, nam een douche, en ging naar bed.
De jacht op de ontvoerders begon onmiddellijk. De FBI had een cruciaal aanknopingspunt: de steengroeve in Livermore. Het terrein behoorde toe aan de California Rock and Gravel Company, eigendom van Frederick Woods III, de vader van Frederick Woods IV. Agenten doorzochten het terrein en vonden de begraven verhuiswagen, de bestelwagens die voor het transport waren gebruikt, en fysiek bewijs dat naar de drie jonge mannen leidde.
Frederick Woods werd op 29 juli 1976 gearresteerd in Vancouver, Canada, waar hij naartoe was gevlucht na het nieuws van de ontsnapping. James Schoenfeld werd dezelfde week opgepakt in Menlo Park, niet ver van zijn ouderlijk huis. Richard Schoenfeld, de jongste van de drie, meldde zich zelf bij de politie. Hij was de eerste die een verklaring aflegde.
Uit die verklaring en het daaropvolgende onderzoek werd het volledige plan duidelijk. De drie hadden $5 miljoen losgeld willen eisen, een bedrag dat ze van plan waren te verdelen. Ze hadden het geld willen gebruiken om, zoals Woods later tegen onderzoekers zei, "iets eigens op te bouwen." Wat dat precies was, kon hij niet uitleggen. De drie kwamen uit families met een gezamenlijk vermogen van tientallen miljoenen dollars. Het losgeld was geen noodzaak. Het was een project.
Het proces dat volgde trok nationale aandacht. De drie daders werden aangeklaagd voor 27 tellingen van kidnapping for ransom, één voor elk slachtoffer, plus roof. De rechtszaak werd verplaatst van Madera County naar Alameda County vanwege de enorme media-aandacht. In 1977 pleitten alle drie schuldig.
De veroordeling leidde tot levenslange gevangenisstraffen. Aanvankelijk werden ze veroordeeld tot life without parole, mede op basis van de aanklacht dat de slachtoffers "bodily harm", lichamelijk letsel, hadden opgelopen. De snijwonden, kneuzingen en uitdrogingsverschijnselen van de kinderen werden als bewijs aangevoerd. Maar in 1980 oordeelde een appelrechter dat deze verwondingen niet voldeden aan de wettelijke definitie van "bodily harm" zoals die in de Californische wet was vastgelegd. De strafbasis werd gewijzigd, waardoor de drie in aanmerking kwamen voor voorwaardelijke vrijlating.
Die juridische wending zou decennialang een bron van frustratie en verdriet blijven voor de slachtoffers en hun families.
De psychologische gevolgen voor de 26 kinderen waren diepgaand en langdurig. In de jaren na de ontvoering werden meerdere van hen gevolgd door onderzoekers, onder wie de kinderpsychiater Lenore Terr van de Universiteit van Californië. Haar studies, gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften, documenteerden een patroon van posttraumatische stresssymptomen dat opmerkelijk consistent was onder de slachtoffers: nachtmerries over begraven worden, claustrofobie, angst voor bestelwagens en bussen, en een diepgeworteld wantrouwen jegens vreemden.
Sommige kinderen ontwikkelden deze symptomen pas jaren later, als tiener of jongvolwassene. Een van de slachtoffers beschreef hoe ze als volwassene geen lift kon nemen zonder in paniek te raken. Een ander vertelde dat hij jarenlang niet in een auto kon zitten zonder het raampje open te hebben. De tekening die het zesjarige meisje had vastgehouden tijdens de ontvoering, een aquarel van een huis met een tuin, werd later een symbool van de zaak, een tastbaar overblijfsel van de normaliteit die in een middag was weggerukt.
Ed Ray werd een lokale held in Chowchilla. De stad vernoemde het zwembad bij de school naar hem, het Ed Ray Natatorium. Hij bleef schoolbussen rijden tot zijn pensioen, dezelfde routes, dezelfde wegen. Toen journalisten hem vroegen waarom hij niet was gestopt, antwoordde hij dat de kinderen een chauffeur nodig hadden die ze kenden en vertrouwden. Hij overleed in 2012, op 91-jarige leeftijd.
De drie daders dienden in de decennia na hun veroordeling herhaaldelijk verzoeken in voor voorwaardelijke vrijlating. Elke keer verschenen slachtoffers en hun familieleden bij de hoorzittingen om te getuigen tegen vrijlating. Elke keer werden de verzoeken afgewezen, tot 2012, toen Richard Schoenfeld als eerste werd vrijgelaten. James Schoenfeld volgde in 2015. Frederick Woods, die door de parole board consequent als het minst berouwvol werd beoordeeld, werd uiteindelijk in 2022 vrijgelaten, 46 jaar na de ontvoering.
Bij zijn vrijlating was Woods 70 jaar oud. De kinderen die hij had ontvoerd waren inmiddels volwassenen van halverwege de vijftig. Sommigen van hen spraken zich publiekelijk uit tegen zijn vrijlating. Een van hen, een vrouw die tijdens de ontvoering acht jaar oud was geweest, zei tegen de Los Angeles Times dat ze nog steeds niet in een kelder kon zijn zonder het gevoel te krijgen dat de muren op haar afkwamen.
Chowchilla is vandaag een stadje van zo'n 19.000 inwoners, nog steeds omringd door dezelfde katoenvelden en amandelboomgaarden als in 1976. Op de website van de gemeente staat een pagina over de ontvoering, een beknopt overzicht van de feiten, zonder dramatiek, zonder analyse. Avenue 21, de weg waar Ed Ray's bus werd klemgereden, is nog steeds een smalle landweg zonder vangrails of straatverlichting.
Het Ed Ray Natatorium staat er nog. Kinderen zwemmen er op zomerse middagen, onder dezelfde verzengende zon die op 15 juli 1976 op de gele schoolbus scheen toen die voor de laatste keer zijn normale route reed.
