1968 · Decatur, Georgia / Norcross, Georgia, Verenigde Staten
Zes Dagen Zuurstof
In 1968 werd studente Barbara Mackle levend begraven in een ondergrondse kist. Terwijl haar ontvoerders losgeld eisten, zochten FBI en familie in een race tegen zuurstof en tijd.

Op 16 december 1968, ergens in de bossen ten noordoosten van Atlanta, groef een man een gat. Het was geen diep gat, misschien een meter, anderhalve meter. Net genoeg om er een kist in te laten zakken. De kist was van glasvezel, ruwweg twee meter lang en zestig centimeter breed. Aan de binnenkant zaten twee ventilatiebuizen die boven het maaiveld uit zouden steken, een kleine ventilator op batterijen, een lamp, een fles water en wat voedsel. De man die het gat groef heette Gary Steven Krist. Hij was 23 jaar oud, een voortvluchtige die eerder uit een gevangenis in Californië was ontsnapt, en hij had een plan bedacht dat zo methodisch was dat het leek alsof hij een ingenieur was in plaats van een crimineel. De kist was ontworpen om iemand in leven te houden. Niet comfortabel. Niet lang. Maar lang genoeg.
De vraag was alleen: lang genoeg waarvoor?
Het antwoord lag in Coral Gables, Florida, een welvarende buitenwijk van Miami waar de familie Mackle woonde. Robert Mackle was een van de meest succesvolle vastgoedontwikkelaars van Zuid-Florida. Samen met zijn broer Elliott had hij een imperium opgebouwd dat hele wijken uit de grond stampte, letterlijk. De Mackle-broers bouwden huizen, winkelcentra, golfbanen. Het soort rijkdom dat niet schreeuwt maar fluistert, het soort dat zichtbaar is in de lengte van opritten en de stilte van straten. Robert Mackle had een vrouw, Jane, en een dochter, Barbara Jane, die op dat moment twintig jaar oud was en studeerde aan Emory University in Atlanta.
Barbara was ziek geworden. Griep, vlak voor de kerstvakantie. Haar moeder Jane was vanuit Florida naar Atlanta gevlogen om voor haar te zorgen. Op de avond van 16 december checkten moeder en dochter in bij het Rodeway Inn in Decatur, een voorstad van Atlanta, zodat Barbara kon uitrusten voordat ze de volgende dag naar huis zou vliegen. Het was een onopvallend motel langs een doorgaande weg, het soort plek waar handelsreizigers overnachtten en waar niemand twee keer naar je keek.
Gary Steven Krist keek wel. Hij had Barbara Mackle niet willekeurig gekozen. Hij had onderzoek gedaan, krantenartikelen gelezen over de Mackle-familie, hun vermogen ingeschat. Naast hem stond Ruth Eisemann-Schier, een 26-jarige vrouw van Hondurees-Duitse afkomst die hij had ontmoet aan de University of Miami, waar Krist onder een valse naam cursussen volgde. Eisemann-Schier was een wetenschappelijk onderzoeker, intelligent en, om redenen die later nooit helemaal helder werden, bereid om mee te werken aan wat Krist had bedacht.
Rond vier uur 's nachts op 17 december 1968 klopten ze op de deur van kamer 137 van het Rodeway Inn.
Jane Mackle deed open. Ze verwachtte misschien een medewerker van het motel, of een arts die ze had gebeld voor Barbara's griep. In plaats daarvan stond er een man met een shotgun. Krist droeg een masker. Eisemann-Schier stond achter hem, ook gemaskerd. Binnen enkele seconden was de situatie onherstelbaar. Krist richtte het wapen op Jane en dwong haar op het bed. Barbara, koortsig en verward, werd uit het andere bed getrokken. Jane werd vastgebonden en gechloroformeerd, niet genoeg om haar bewusteloos te maken, maar genoeg om haar te desoriënteren. Krist sleepte Barbara naar buiten, de koude decembernacht in, naar een auto die klaarstond op de parkeerplaats.
Jane Mackle lag alleen in de motelkamer. Het chloroform maakte haar duizelig, maar ze was bij bewustzijn. Ze hoorde de auto wegrijden. Het duurde minuten, misschien tien, misschien twintig, voordat ze erin slaagde haar handen los te werken en naar de telefoon te kruipen. Ze belde de receptie. De receptie belde de politie. De politie belde de FBI.
Tegen zonsopgang op 17 december was het Rodeway Inn een misdaadscène. FBI-agenten doorzochten de kamer, namen vingerafdrukken af, ondervroegen Jane Mackle. Ze kon weinig vertellen, een man met een shotgun, een vrouw, maskers, een auto. Haar dochter was weg. Maar er was iets wat Jane zich herinnerde: de man had gezegd dat Barbara niets zou overkomen, zolang de familie betaalde.
De losgeldbrief arriveerde diezelfde dag bij de familie Mackle in Coral Gables. Het bedrag: $500.000. In biljetten van twintig dollar. De brief bevatte gedetailleerde instructies voor de overdracht en een waarschuwing die de familie deed verstijven: Barbara lag begraven in een kist onder de grond. Als het losgeld niet werd betaald, zou niemand haar ooit vinden. De brief beschreef de kist, de ventilatiebuizen, het voedsel, het water, met de klinische precisie van een handleiding. Het was alsof Krist wilde bewijzen dat hij geen barbaar was, dat hij had nagedacht, dat dit een transactie was en geen moord. Betaal, en het meisje komt vrij. Betaal niet, en de batterijen van de ventilator gaan op.
Robert Mackle las de brief en begreep onmiddellijk wat er op het spel stond. Dit was geen bluf. Iemand had een kist gebouwd, een gat gegraven, zijn dochter erin gelegd en aarde erover geschept. Elke minuut die verstreek was een minuut minder zuurstof, minder water, minder tijd. Hij belde de FBI. De FBI stond voor een dilemma dat ze zelden tegenkwamen: normaal gesproken probeerden ze tijd te rekken bij ontvoeringen, te onderhandelen, de daders te lokaliseren. Hier was tijd precies wat ze niet hadden. De kist had een beperkte levensduur. De ventilator draaide op batterijen. Het water was eindig. Elke dag die de FBI gebruikte om Krist op te sporen, was een dag die Barbara misschien niet had.
Robert Mackle besloot te betalen. De FBI stemde in, op voorwaarde dat ze de overdracht konden observeren en proberen de daders te volgen.
Terwijl dit alles zich afspeelde in telefoonlijnen tussen Atlanta, Miami en Washington, lag Barbara Jane Mackle onder de grond.
De kist was krap. Ze kon niet rechtop zitten. Ze kon zich nauwelijks omdraaien. Boven haar hoofd zat een deksel van glasvezel, daarop een laag aarde. De twee ventilatiebuizen, flexibele slangen die boven het maaiveld uitkwamen, brachten buitenlucht naar binnen. De ventilator hielp daarbij, een klein apparaat dat zoemde in de stilte. Er was een lamp, maar die ging al snel uit. Er was water in een fles en er was voedsel, maar Barbara was ziek, ze had griep, koorts, en de kou van de decembergrond kroop door de glasvezelwanden heen.
De eerste uren waren de ergste. De desoriëntatie van het chloroform ebde weg en maakte plaats voor een helderheid die erger was. Barbara begreep waar ze was. Ze begreep dat er aarde boven haar lag. Ze begreep dat de buizen boven haar de enige verbinding waren met de buitenwereld, en dat als die buizen verstopt raakten, door regen, door bladeren, door een dier dat erop ging staan, ze zou stikken. Ze begreep ook dat niemand wist waar ze was. Niet haar moeder, niet haar vader, niet de FBI. Alleen de man met de shotgun wist het, en die man had haar hier achtergelaten.
Wat Barbara niet wist, was dat de eerste poging om het losgeld over te dragen mislukte.
De instructies van Krist waren ingewikkeld. Hij had een systeem bedacht met telefonische aanwijzingen die Robert Mackle van de ene locatie naar de andere stuurden, een soort papieren jacht door de straten van Miami. Het idee was dat de FBI niet kon volgen als het doelwit steeds veranderde. Robert Mackle reed met een koffer vol geld door de nacht, volgde aanwijzingen die hem naar parkeerplaatsen en telefoonpalen leidden. Maar de eerste keer ging het mis. De FBI-agenten die op afstand volgden werden opgemerkt, of Krist dacht dat ze werden opgemerkt, en de overdracht werd afgebroken. Krist belde opnieuw. Hij was woedend. Hij dreigde Barbara te laten sterven.
Onder de grond merkte Barbara niets van deze onderhandelingen. Ze merkte wel dat de tijd anders bewoog. Zonder licht, zonder geluid van buiten, zonder enig referentiepunt verloor ze het besef van uren en dagen. De ventilator zoemde. Soms stopte hij even en dan hield ze haar adem in, luisterend of hij weer zou starten. Hij startte weer. De lucht was vochtig en koud. De temperatuur in de kist daalde 's nachts en steeg overdag, maar het verschil was klein, het was december in Georgia, en de grond was koud.
Barbara at weinig. De griep maakte haar misselijk, en de angst maakte het erger. Ze dronk water, kleine slokjes, omdat ze niet wist hoelang het moest duren. Ze probeerde te slapen, maar de kist was te krap om een comfortabele positie te vinden, en elke keer dat ze wegdommelde schrok ze wakker van de stilte, of van een geluid dat ze niet kon plaatsen, het kraken van een tak boven haar, het ruisen van wind door de ventilatiebuizen.
Op een gegeven moment begon er water de kist in te sijpelen. Het had geregend in Georgia, en de grond rond de kist was verzadigd. Het water kwam langzaam, eerst als vocht langs de wanden, toen als een dun laagje op de bodem. Barbara lag erin. Ze kon het niet tegenhouden. Ze kon nergens heen. De kist vulde zich centimeter voor centimeter, en ze realiseerde zich dat ze niet alleen kon stikken of verhongeren, maar ook kon verdrinken, langzaam, in een paar centimeter regenwater, in een kist onder de grond.
Ze schreeuwde. Niemand hoorde haar. De kist lag in een bebost gebied, ver van wegen en huizen. De aarde boven haar absorbeerde het geluid. Ze schreeuwde totdat haar stem het begaf, en toen lag ze stil en luisterde naar de ventilator en het water.
In Miami werd een tweede poging voorbereid. Robert Mackle zou opnieuw rijden, opnieuw aanwijzingen volgen, opnieuw proberen het geld af te leveren. De FBI trok zich dit keer verder terug. Ze begrepen dat elke mislukte overdracht een doodvonnis kon zijn voor Barbara. De agenten hielden meer afstand. Robert Mackle reed opnieuw door de nacht, volgde telefonische instructies naar een afgelegen plek. Dit keer lukte het. Hij zette de koffer met $500.000 neer op de aangewezen locatie en reed weg.
Krist haalde het geld op. De transactie was voltooid.
Maar Krist belde niet terug. Niet meteen. De uren verstreken en de telefoon in het huis van de Mackles bleef stil. Robert Mackle wachtte. Jane Mackle wachtte. De FBI wachtte. Niemand wist of Krist zijn woord zou houden, of hij de locatie van de kist zou doorgeven, of dat hij gewoon zou verdwijnen met het geld en Barbara zou achterlaten om te sterven in de grond.
Wat er vervolgens gebeurde, was het gevolg van een combinatie van opsporingswerk en geluk. De FBI had tijdens de losgeldoverdracht niet stilgezeten. Ze hadden vingerafdrukken van de motelkamer in Decatur door hun systemen gehaald. Ze hadden getuigenverklaringen verzameld. Ze hadden de losgeldbrief geanalyseerd, het taalgebruik, het handschrift, de technische kennis die eruit sprak. En ze hadden een doorbraak: de vingerafdrukken kwamen overeen met die van Gary Steven Krist, een voortvluchtige uit Californië die in 1966 uit een gevangenis was ontsnapt waar hij vastzat voor autodiefstal. Krist had sindsdien onder een valse naam geleefd, zich ingeschreven aan de universiteit, een nieuw leven opgebouwd, en dat nieuwe leven gebruikt om een ontvoering te plannen.
Met Krists identiteit hadden de agenten een naam, een gezicht, een verleden. Ze verspreidden zijn foto. Ze doorzochten zijn bekende adressen. En ze kregen een aanwijzing, de precieze bron verschilt per bron, maar het resultaat was hetzelfde: de FBI kreeg informatie over het gebied waar Barbara begraven lag. Een bebost terrein, ergens in Gwinnett County, ten noordoosten van Atlanta, ruwweg 32 kilometer van de stad.
Op 20 december 1968, drie dagen na de ontvoering, arriveerden meer dan honderd FBI-agenten in het zoekgebied. Het was een enorm terrein, bossen, onverharde wegen, braakliggend land. Ze zochten naar iets wat bijna onmogelijk te vinden was: twee dunne buizen die boven het maaiveld uitstaken, ergens tussen de bomen en het struikgewas.
De agenten spreidden zich uit in een lijn, schouder aan schouder, en bewogen langzaam door het bos. Ze keken naar de grond, naar elke onregelmatigheid, elke plek waar de aarde recent was omgewoeld. Het was december en de bomen waren kaal, wat hielp, er was minder begroeiing om doorheen te kijken. Maar het terrein was uitgestrekt en de buizen waren klein.
Een agent zag ze het eerst. Twee plastic buizen, elk een paar centimeter in doorsnee, die uit de bosgrond staken als vreemde plantenstengels. Ze waren bijna onzichtbaar tussen het dorre blad en de takken. De agent riep zijn collega's. Binnen minuten stonden er tientallen mensen rond de plek. Ze begonnen te graven, voorzichtig, met handen en schoppen, bang om de buizen te beschadigen, bang voor wat ze zouden vinden.
De aarde was zwaar en nat van de regen. Ze groeven door modder en klei, laag voor laag, totdat ze het deksel van de glasvezelkist raakten. Een agent klopte op het deksel. Er kwam geen reactie. Even was het stil. Toen klopte hij opnieuw, harder.
Van binnenuit kwam een geluid. Zwak, maar onmiskenbaar menselijk. Barbara Mackle leefde.
Ze tilden het deksel eraf. Barbara lag in de kist, in een laagje modderig water, bleek, uitgedroogd, verzwakt door griep en dagen zonder daglicht. Maar ze leefde. Ze keek omhoog naar de gezichten van de agenten en naar de grijze decemberlucht boven de bomen, en het eerste wat ze zag was licht, echt licht, daglicht, na meer dan 80 uur in volledige duisternis.
Ze werd uit de kist getild en op een brancard gelegd. Een ambulance stond klaar aan de rand van het bos. Barbara was ernstig uitgedroogd en onderkoeld, maar ze had geen levensbedreigende verwondingen. De artsen in het ziekenhuis waar ze naartoe werd gebracht, waren verbaasd over haar toestand, niet over hoe slecht die was, maar over hoe goed. Drie dagen onder de grond, in een kist, in december, met griep, en ze leefde. De ventilatiebuizen hadden gewerkt. De ventilator had gewerkt. Het water was net genoeg geweest.
Het nieuws van Barbara's redding verspreidde zich binnen uren door heel Amerika. Het was drie dagen voor Kerstmis, en het verhaal had alles wat de media nodig hadden: een jong meisje, een rijke familie, een kist onder de grond, een race tegen de klok, en een goede afloop. Kranten drukten foto's van Barbara op de brancard, glimlachend ondanks alles. TIME Magazine wijdde er een uitgebreid artikel aan onder de titel "The Girl in the Box."
Maar het verhaal was nog niet voorbij. Gary Steven Krist was op de vlucht met $500.000 in contanten. De FBI had zijn naam, zijn foto, zijn vingerafdrukken, maar niet hemzelf. Krist was slim, hij had eerder uit een gevangenis weten te ontsnappen, hij had jarenlang onder een valse identiteit geleefd, hij wist hoe hij moest verdwijnen. Ruth Eisemann-Schier was eveneens verdwenen.
De jacht op Krist duurde niet lang. Binnen dagen na Barbara's bevrijding werd hij opgespoord en gearresteerd. Het geld werd grotendeels teruggevonden. Krist werd berecht en veroordeeld tot levenslang. De jury in Georgia had aanvankelijk de doodstraf aanbevolen, maar de rechter zette die om in levenslang.
Ruth Eisemann-Schier bleek moeilijker te vinden. Ze was gevlucht, had haar uiterlijk veranderd, en was ondergedoken. Op 28 december 1968, acht dagen na Barbara's redding, nam de FBI een besluit dat geschiedenis schreef: Ruth Eisemann-Schier werd toegevoegd aan de FBI Ten Most Wanted Fugitives-lijst. Ze was de eerste vrouw ooit op die lijst. In de hele geschiedenis van het programma, dat sinds 1950 bestond, was er nooit eerder een vrouw op geplaatst. Het zei iets over de ernst van de zaak, maar ook over de veranderende tijden, de FBI erkende voor het eerst publiekelijk dat een vrouw een even gevaarlijke voortvluchtige kon zijn als een man.
Eisemann-Schier werd uiteindelijk op 5 maart 1969 gearresteerd in Norman, Oklahoma, waar ze onder een valse naam werkte. Ze werd veroordeeld en zat een deel van haar straf uit voordat ze werd gedeporteerd naar haar geboorteland Honduras.
Gary Steven Krist zat uiteindelijk niet zijn hele leven vast. Na tien jaar werd hij vrijgelaten op parole. Wat daarna gebeurde, was misschien wel het vreemdste hoofdstuk van het hele verhaal. Krist ging medicijnen studeren. Hij werd arts. Een man die een twintigjarig meisje levend had begraven in een kist, die haar had achtergelaten om mogelijk te stikken of te verdrinken in regenwater, werd huisarts in Indiana. Hij praktiseerde jarenlang onder zijn eigen naam, en zijn patiënten wisten niet, of wilden niet weten, wat hij had gedaan.
In 2006 werd Krist opnieuw gearresteerd, dit keer voor drugssmokkel. Hij had geprobeerd een boot vol cocaïne en marihuana de kust van Alabama binnen te varen. De arts die ooit een ontvoerder was geweest, was nu een drugssmokkelaar. Hij werd opnieuw veroordeeld en ging opnieuw de gevangenis in.
Barbara Jane Mackle herstelde. Ze keerde terug naar Emory University, maakte haar studie af, en bouwde een leven op dat zo ver mogelijk verwijderd was van de kist in de grond. Ze schreef later een boek over haar ervaring, maar vermeed de publieke aandacht grotendeels. Ze trouwde, kreeg kinderen, en leefde het soort rustige leven dat mensen leiden die weten hoe het voelt als dat leven bijna wordt afgenomen.
Wat de zaak-Mackle uitzonderlijk maakt, is niet alleen de gruwelijkheid van het plan of de dramatiek van de redding. Het is de kist zelf. Gary Steven Krist had een apparaat gebouwd dat precies op de grens balanceerde tussen leven en dood. De ventilatiebuizen werkten, maar net. De ventilator draaide, maar op batterijen die eindig waren. Het water was er, maar niet genoeg voor meer dan een paar dagen. De kist was ontworpen om iemand in leven te houden, maar alleen zolang het nodig was voor de transactie. Het was een machine met een ingebouwde deadline, en die deadline was het leven van Barbara Mackle.
De FBI veranderde na deze zaak haar protocollen voor ontvoeringszaken. De les was helder: soms is er geen tijd om te onderhandelen, geen tijd om te observeren, geen tijd om de perfecte operatie op te zetten. Soms ligt er iemand onder de grond en tikt de klok.
In de winter van 1968 tikten die klok 83 uur lang. Toen groeven honderd mannen een meisje op uit de aarde, drie dagen voor Kerstmis, en heel Amerika haalde adem.



