ONVERTELD
← Alle verhalen

2003 · Antwerpen, België

Een Weekend in de Kelder, 123 Kluizen, 100 Miljoen Weg

In 2003 dringt een Italiaanse bende het streng beveiligde Antwerp Diamond Center binnen. Zonder schoten, met maanden voorbereiding en één fatale fout verdwijnt voor meer dan 100 miljoen aan diamant.

20 min lezenAntwerp Diamond HeistDiamantroofSchool van Turijn

In de herfst van het jaar 2000 liep een onopvallende Italiaan van middelbare leeftijd de marmeren hal van het Antwerp Diamond Center binnen. Hij droeg een donker pak, een bescheiden aktetas en een glimlach die precies breed genoeg was om vertrouwen te wekken zonder op te vallen. Leonardo Notarbartolo stelde zich voor als edelsteenhandelaar uit Turijn. Hij wilde een kantoor huren. De prijs was een paar honderd euro per maand, een schijntje, vergeleken met wat er dagelijks door dit gebouw stroomde. Het Antwerp Diamond Center lag in het hart van de Antwerpse diamantwijk, een handvol straten rond het Centraal Station waar op dat moment ruwweg 80% van alle ruwe diamanten ter wereld doorheen bewoog. Hasidische handelaars in zwarte hoeden liepen er schouder aan schouder met Indiase slijpers en Russische tussenhandelaren. Gewapende bewakers stonden bij elke ingang. En twee verdiepingen onder de begane grond lag een kluis die door de eigenaren werd beschouwd als volkomen ondoordringbaar.

Notarbartolo tekende het huurcontract. Hij kreeg een sleutel, een toegangspas en, cruciaal, 24-uurs toegang tot het gebouw. Niemand controleerde zijn achtergrond. In de diamantwereld draaide alles op vertrouwen en handdrukken. Een man die bereid was huur te betalen en af en toe een steentje liet taxeren, was welkom.

Wat niemand in het Diamond Center wist, was dat Leonardo Notarbartolo tot een informeel netwerk behoorde dat in politiekringen bekendstond als La Scuola di Torino, de School van Turijn. Het was geen maffiaclan met een hiërarchie en bloededen, maar een los verband van gespecialiseerde dieven die elk hun eigen expertise hadden. Notarbartolo was de planner, de man die maandenlang kon observeren zonder ongeduldig te worden. En hij had drie jaar de tijd genomen om het perfecte doelwit te vinden.

Nu had hij het gevonden.

De eerste maanden deed Notarbartolo precies wat een legitieme huurder zou doen. Hij kwam overdag, groette de bewakers, dronk koffie in de hal, en verdween weer. Maar terwijl hij koffie dronk, telde hij camera's. Terwijl hij de lift nam, noteerde hij welke verdiepingen bewaakt werden en welke niet. Terwijl hij zijn eigen kluisje op de tweede kelderverdieping bezocht, elke huurder had recht op een safe, bestudeerde hij de kluisdeur, de sensoren aan het plafond, de kabels langs de muren.

Het beveiligingssysteem van de kluis was indrukwekkend, zelfs naar de maatstaven van 2000. De hoofddeur was een massief stalen gevaarte van zo'n twintig centimeter dik, vergrendeld met een combinatieslot dat honderd miljoen mogelijke combinaties had, plus een apart sleutelslot waarvoor een fysieke stalen sleutel nodig was. Daarachter lag een stalen traliewerk dat als tweede barrière diende. De ruimte zelf, een betonnen kelder met 189 individuele kluisjes, elk met een eigen combinatieschijf van 17.576 mogelijke standen, werd bewaakt door een infraroodsensor die lichaamswarmte detecteerde, een bewegingsdetector, een lichtsensor, een seismische sensor die trillingen in de vloer registreerde, een Doppler-radarsysteem, en magnetische contactsensoren op de deur die alarm sloegen zodra het staal ook maar een millimeter bewoog. Tien lagen beveiliging in totaal. Het alarmsysteem was 24 uur per dag verbonden met een externe alarmcentrale.

Notarbartolo bracht dit alles in kaart met het geduld van een cartograaf. Hij maakte geen aantekeningen op papier, te riskant. Hij onthield alles. En na zes maanden observeren wist hij genoeg om zijn team samen te stellen.

Er waren vier mannen nodig, elk met een specifieke vaardigheid. De eerste was een grijsharige slotenmaker op leeftijd, door het team aangeduid als de King of Keys. Hij kon vrijwel elk mechanisch slot openen, van antieke kluizen tot moderne cilindersloten, en hij bouwde zijn eigen gereedschap. De tweede was een elektronica-expert die de bijnaam the Genius droeg, een stille, methodische man die alarmsystemen kon ontleden zoals een chirurg een lichaam. De derde was een fysiek imposante ex-atleet die ze the Monster noemden, puur vanwege zijn kracht: hij kon een stalen kluisje met zijn blote handen openbuigen als het slot eenmaal was geforceerd. De vierde was Speedy, een nerveuze maar snelle man die als uitkijk en koerier fungeerde.

Notarbartolo zelf zou niet de kluis ingaan. Hij zou buiten wachten, in een auto, met een politiescanner op schoot.

De voorbereiding duurde meer dan twee jaar. Ergens in een loods buiten Antwerpen bouwde het team een gedeeltelijke replica van de kluisruimte. Ze oefenden het openen van de kluisjes, het omzeilen van sensoren, het werken in volledige duisternis. Ze timeden elke handeling tot op de seconde.

Maar het meest ingenieuze stuk voorbereiding vond plaats in het Diamond Center zelf. In september 2002, vijf maanden voor de geplande roof, installeerde Notarbartolo een minuscule camera boven het combinatieslot van de kluisdeur. Het apparaatje was verborgen achter een plafondlamp, zo klein dat het onzichtbaar was voor iedereen die niet wist waar hij moest kijken. De camera filmde de bewaker die elke ochtend de kluis opende. Het videosignaal werd draadloos doorgestuurd naar een aangepaste brandblusser die in een opslagruimte op dezelfde verdieping stond, een brandblusser die eruitzag als alle andere, maar van binnen een ontvanger en recorder bevatte.

Wekenlang filmde de camera hetzelfde ritueel. De bewaker liep naar de deur, draaide het combinatiewiel, eerst naar rechts, dan naar links, dan weer naar rechts, en stak vervolgens de stalen sleutel in het slot. De beelden waren scherp genoeg om de exacte cijfers af te lezen. Notarbartolo had nu de combinatie. En hij wist waar de sleutel werd bewaard: in een kastje in de bewakersruimte naast de kluis, aan een haak aan de muur.

Het enige wat nog restte, was wachten op het juiste moment.

Dat moment kwam op zaterdag 15 februari 2003. Het was een koud winterweekend. De temperatuur kroop naar het vriespunt, de lucht was droog en helder. Valentijnsdag was net geweest, in de kluisjes lagen onder meer juwelen die als huwelijkscadeaus waren bestemd. Het Diamond Center was gesloten voor het weekend. De bewaking draaide op een minimale bezetting. De alarmcentrale monitorde de sensoren op afstand, maar er was niemand fysiek aanwezig in de kluisruimte.

Rond middernacht parkeerde Notarbartolo een grijze Peugeot 307 op de Pelikaanstraat, twee straten van het Diamond Center. Hij zette de motor af, schoof de politiescanner onder het dashboard en wachtte. De straat was verlaten. Ergens in de verte klonk het gedempt gerommel van een late tram.

Op datzelfde moment tilden vier mannen in donkere kleding zware duffeltassen uit een bestelwagen en liepen in stilte naar de achterzijde van het Diamond Center. De King of Keys opende een zijdeur van een aangrenzend kantoorpand, een deur waarvan hij het slot weken eerder al had bestudeerd. Binnen was het donker en stil. Ze slopen door een gang naar een binnentuin die grensde aan het Diamond Center. Daar stond een onopvallende metalen ladder tegen de muur, leidend naar een balkon op de tweede verdieping. Dit was het enige punt van het gebouw dat niet door camera's werd bestreken.

De Genius ging als eerste. Hij klom de ladder op, zette zijn voeten geruisloos op het balkon en haalde een zelfgemaakt polyesterscherm uit zijn rugzak, een dun, lichtgewicht paneel dat hij voor de infraroodsensor van de buitenverlichting plaatste. Polyester geleidt warmte slecht. De sensor, ontworpen om de lichaamswarmte van indringers te detecteren, registreerde niets. Het balkon was nu veilig.

Eén voor één klommen de anderen omhoog. Ze wurmden zich door een kelderraam dat de Genius van binnenuit had ontgrendeld tijdens een van Notarbartolo's eerdere bezoeken, een raam waarvan het alarmsysteem met een simpele draadmanipulatie was uitgeschakeld zonder dat de centrale het merkte. Binnen stonden ze in een donkere gang op de kelderverdieping. Niemand sprak. Ze communiceerden met handgebaren.

Het eerste wat ze deden was de bewakingscamera's in de gang uitschakelen. Geen ingewikkelde hack, geen digitale manipulatie, ze trokken simpelweg zwarte vuilniszakken over de cameralenzen en plakten ze vast met tape. De beelden op de monitoren van de alarmcentrale toonden nu alleen zwart. Maar omdat het nacht was en de camera's in een onverlichte kelder hingen, leek het verschil minimaal. Niemand bij de alarmcentrale sloeg alarm.

Nu stonden ze voor de kluisdeur.

Het stalen gevaarte vulde de hele breedte van de gang. Aan weerszijden zaten de magnetische contactsensoren, twee metalen plaatjes die bij de kleinste verschuiving van de deur het alarm zouden activeren. De Genius haalde een op maat gemaakt aluminium plaatje uit zijn tas, bedekt met dubbelzijdige tape. Hij drukte het plaatje tegen de twee sensorplaten aan de deurzijde, zodat ze aan het aluminium bleven kleven in plaats van aan de deur. Vervolgens schroefde hij de bouten los waarmee de sensoren aan het deurkozijn waren bevestigd. De plaatjes hingen nu aan het plafond, nog steeds in contact met elkaar via het aluminium, nog steeds een gesloten circuit vormend, maar niet langer verbonden met de deur. Het magnetische alarm was geneutraliseerd zonder dat het ooit was afgegaan.

De King of Keys liep naar de bewakersruimte naast de kluis. De deur was niet op slot, waarom zou hij, in een ruimte die al achter tien lagen beveiliging lag? Aan de muur, aan een simpele metalen haak, hing de stalen kluissleutel. Hij pakte hem op, voelde het gewicht in zijn hand, en liep terug naar de kluisdeur.

Nu de combinatie. De Genius ging voor het wiel staan. Hij had de cijfers uit zijn hoofd geleerd van de videobeelden: de exacte volgorde, de exacte richting. Zijn vingers draaiden het wiel naar rechts, voorbij het eerste cijfer, terug naar links, voorbij het tweede, weer naar rechts naar het derde. Een zachte klik. Het combinatieslot was open.

De King of Keys stak de sleutel in het slot. Hij draaide. De zware vergrendelbouten, stalen cilinders zo dik als een onderarm, gleden met een laag, schurend geluid terug in de deur. Hij greep de hendel en duwde.

De deur zwaaide open met een doffe dreun die door de betonnen kelder galmde.

Achter de deur lag nog het stalen traliewerk, de tweede barrière. Maar ook dit hek had een slot, en de King of Keys had het mechanisme weken eerder al bestudeerd tijdens Notarbartolo's bezoeken aan zijn eigen kluisje. Met een speciaal gevormd stuk gereedschap manipuleerde hij het cilinderslot. Binnen dertig seconden zwaaide het hek open.

De kluisruimte lag voor hen. Pikkedonker, stil, koel. De lucht rook naar metaal en beton. Langs de muren stonden rijen stalen kluisjes, elk met een eigen combinatieschijf en een sleutelgat. Honderdnegenentachtig stuks in totaal.

Maar eerst moesten de laatste sensoren worden uitgeschakeld. De Monster, die ondanks zijn bijnaam met chirurgische precisie werkte, klom op een stoel en opende een paneel in het plafond. Daarachter liepen de kabels van het alarmsysteem: de verbinding tussen de sensoren in de kluis en de alarmcentrale buiten het gebouw. Hij stripte twee kabels, verbond de inkomende en uitgaande draden met een kort stuk koperdraad, en creëerde zo een bypass. Het elektrische signaal dat normaal door de sensoren liep, stroomde nu via de omleiding rechtstreeks terug naar de centrale. Voor de alarmcentrale leek alles normaal, alle circuits gesloten, geen onderbreking, geen alarm. Maar de sensoren zelf waren nu losgekoppeld.

Voor de zekerheid plaatste de Monster een piepschuimen doos over de gecombineerde warmte- en bewegingsdetector in de hoek van de ruimte. En de lichtsensor, die alarm zou slaan zodra er licht in de kluis brandde, plakte hij af met een strook ducttape.

Nu konden ze aan het werk.

De King of Keys haalde zijn gereedschap tevoorschijn: een handgemaakte loden boormachine met een fijne stalen boor, ontworpen om het sperwielmechanisme van de individuele kluisjes te doorboren zonder te veel geluid te maken. Hij positioneerde de boor op het eerste kluisje, drukte de punt in het sleutelgat, en begon te draaien. Langzaam, gestaag, met beide handen om de boor geklemd. Het metaal kermde zachtjes onder de druk. Eén minuut. Twee minuten. Drie minuten. Toen, een scherpe knak. Het sperwielmechanisme brak. Het kluisje sprong open.

In het schijnsel van een zaklamp, heel kort, niet langer dan twee seconden, zagen ze de inhoud. Fluwelen zakjes. Leren etuis. Papieren enveloppen. De Monster greep het kluisje met beide handen vast, trok het deurtje verder open en veegde de inhoud in een duffeltas.

Volgende kluisje.

Ze werkten in een ritme dat ze maandenlang hadden geoefend. De King of Keys boorde, de Monster brak open wat niet meegaf, de Genius en Speedy vulden de tassen. Ze gebruikten hun zaklampen zo min mogelijk, korte flitsen om een nieuw slot te lokaliseren, dan weer duisternis. De lucht in de kelder werd zwaarder naarmate de uren verstreken. Zweet druppelde van hun voorhoofden ondanks de koude.

Kluisje na kluisje ging open. In sommige lagen stapels bankbiljetten, euro's, dollars, Indiase roepies. In andere lagen goudstaven, zo zwaar dat de Monster ze met twee handen moest tillen. Weer andere bevatten leren zakjes die bij het openen een cascade van lichtpuntjes onthulden: losse diamanten, tientallen tegelijk, die in het korte schijnsel van de zaklamp fonkelden als sterren op een zwart fluwelen hemel. Er lagen ook juwelen, ringen, armbanden, halskettingen, sommige in fluwelen doosjes, andere los in enveloppen.

De mannen spraken niet. Ze werkten. Kluisje open, inhoud in de tas, door naar de volgende. De King of Keys bewoog zich langs de muur als een metronoom, boren, draaien, kraken, door. Zijn handen bloedden op de plekken waar het gereedschap in zijn handpalmen sneed, maar hij stopte niet.

Tegen vijf uur 's ochtends hadden ze 109 kluisjes geopend. De duffeltassen waren zo zwaar dat ze ze niet meer konden tillen, ze moesten ze over de vloer slepen. Overal in de kluisruimte lag rommel: opengebroken deurtjes, lege fluwelen zakjes, papieren die uit enveloppen waren gevallen. Op de grond lagen bankbiljetten en losse diamanten die uit overvolle tassen waren gerold. De dieven konden simpelweg niet alles meenemen. Er was te veel.

Om kwart over vijf gaf Speedy het teken om te stoppen. Ze hadden nog drie kwartier voor het eerste ochtendlicht. De Monster sleepte de laatste duffeltas naar de gang. De Genius controleerde of de bypass in het plafond nog intact was, dat was hij. De King of Keys duwde de kluisdeur dicht, maar vergrendelde hem niet opnieuw. Dat kon niet zonder de combinatie opnieuw in te stellen, en daar was geen tijd meer voor.

Ze verlieten het gebouw via dezelfde route als ze waren binnengekomen: door het kelderraam, over het balkon, de ladder af, door de binnentuin, het aangrenzende kantoorpand uit. Op straat was het nog donker. Een koude windvlaag blies door de Pelikaanstraat. De Peugeot stond waar Notarbartolo hem had geparkeerd, motor uit, lichten uit. Speedy rende naar de auto en tikte op het raam.

Notarbartolo startte de motor. De mannen laadden de duffeltassen in de kofferbak en op de achterbank, het gewicht drukte de vering van de Peugeot zichtbaar omlaag. Ze persten zich in de auto en reden weg. Geen piepende banden, geen haast. Rustig, binnen de snelheidslimiet, richting de snelweg.

Het was rond zes uur 's ochtends op zondag 16 februari 2003. De roof had ongeveer zes uur geduurd. Geen enkel alarm was afgegaan. Niemand had iets gezien of gehoord. De alarmcentrale meldde: alle systemen functioneel, geen onregelmatigheden.

Maar op de snelweg richting Brussel ging het mis.

Speedy, die al meer dan veertig uur niet had geslapen, zat op de achterbank naast de duffeltassen en raakte in toenemende paniek. Het bewijsmateriaal moest vernietigd worden, de videobanden uit de bewakingscamera's die ze hadden meegenomen, de handschoenen, de gereedschappen, alles wat hen kon linken aan de kluis. Het plan was om het materiaal te verbranden op een afgelegen plek. Maar Speedy kon niet wachten. Ergens langs de E19, bij een bosrijk stuk langs de snelweg, schreeuwde hij dat ze moesten stoppen. Nu. Meteen.

Notarbartolo stuurde de Peugeot een zijweg op. Speedy sprong uit de auto met een vuilniszak vol bewijsmateriaal en rende het bos in. Notarbartolo wachtte een minuut, twee minuten, en stapte toen zelf uit om te kijken wat er gebeurde.

Wat hij zag tussen de bomen was verbijsterend. Speedy had de vuilniszak niet verbrand. Hij had hem opengescheurd en de inhoud uitgestrooid over de bosgrond. Videobanden hingen als slingers over struiken. Bankbiljetten lagen verspreid in de modder. Tussen de bladeren glinterden kleine diamantjes. En midden in de rommel lag een half opgegeten salamibroodje.

Speedy stond erbij met grote ogen. Hij dacht dat hij iemand had gehoord. Notarbartolo luisterde. Het bos was stil. Geen voetstappen, geen stemmen, alleen het verre geronk van een vrachtwagen op de snelweg. Hij snauwde dat Speedy alles moest oprapen. Maar Speedy was te zeer in paniek om systematisch te werken. Ze graaiden wat ze konden bij elkaar, propten het terug in de gescheurde zak, en reden verder.

Ze lieten genoeg achter om een heel onderzoeksteam wekenlang bezig te houden.

Maandagochtend 17 februari. De eerste medewerkers van het Diamond Center arriveerden rond halfnegen. Een bewaker liep zijn gebruikelijke ronde en daalde af naar de kluisverdieping. Wat hij aantrof was een scène die hij later beschreef alsof er een tornado door de kelder was geraasd. De kluisdeur stond op een kier. Het traliewerk erachter was open. Op de vloer lagen opengebroken kluisjes, verspreid als speelgoed na een kinderfeestje. Bankbiljetten, lege fluwelen zakjes, papieren, en overal, op de vloer, op de tafels, in de hoeken, losse diamanten die de dieven niet hadden kunnen meenemen.

De bewaker belde de alarmcentrale. De alarmcentrale controleerde hun systemen en meldde wat ze al twee dagen meldden: alle systemen functioneel, geen storingen, geen alarmen. De bewaker keek naar de openstaande kluisdeur, keek naar zijn telefoon, en zei: "Dan hoe is het mogelijk dat de deur wijd open staat en ik ín de kluis sta?"

Binnen een uur was het Diamond Center afgezet met politielint. Rechercheurs Patrick Peys en Agim De Bruycker van de gespecialiseerde Antwerpse diamantpolitie stonden in de verwoeste kluisruimte en probeerden te begrijpen wat ze zagen. Er waren geen sporen van braak op de buitendeur, geen snijbranders, geen explosieven, geen koevoeten. De deur was geopend met de juiste combinatie en de juiste sleutel. De alarmsystemen waren niet uitgeschakeld maar omzeild, ze hadden de hele tijd braaf hun signalen gestuurd, alleen registreerden ze niets meer.

Boven, in de gangen van het Diamond Center, brak chaos uit. Diamanthandelaren die hun kluisjes kwamen controleren, vonden lege vakken waar de avond ervoor nog hun volledige voorraad had gelegen. Een verzekeringsdeskundige die ter plaatse kwam, herinnerde zich later hoe dealers hysterisch door de gangen renden, schreeuwend dat hun kluis leeg was, huilend, sommigen letterlijk flauwvallend van de schrik. Marcel Fuehrer, een gerespecteerde diamantair, schudde zijn hoofd en zei tegen de pers: "Het is onmogelijk en toch is het gebeurd."

De eerste schattingen van de schade liepen uiteen, maar al snel werd duidelijk dat het om een buit van meer dan 100 miljoen dollar ging, diamanten, goud, juwelen, contant geld, waardepapieren. Het was de grootste diefstal die België ooit had meegemaakt, en mogelijk de grootste juwelenroof ter wereld.

De politie stond voor een raadsel. Geen vingerafdrukken, geen DNA in de kluis, geen getuigen, geen camerabeelden, de banden waren meegenomen. Het enige aanknopingspunt was de manier waarop de alarmen waren omzeild: dit was het werk van professionals die het gebouw van binnen en van buiten kenden. Het moest iemand zijn die legitieme toegang had gehad.

Terwijl de rechercheurs hun eerste hypotheses formuleerden, maakte een boswachter op dinsdag 18 februari een opmerkelijke vondst. In een bosgebied langs de E19, op een plek die normaal alleen door wandelaars werd bezocht, lag een berg afval tussen de bomen. Videobanden, plastic zakken, stukken tape, bankbiljetten, documenten met het logo van het Antwerp Diamond Center, en, verspreid over de bosgrond, kleine, glinsterende steentjes die bij nader inzien diamanten bleken te zijn.

De boswachter belde de politie. Binnen uren was het bosgebied afgezet en doorzochten forensische teams elke vierkante meter. Wat ze vonden was een schat aan bewijsmateriaal. De videobanden bevatten opnamen van de bewakingscamera's van het Diamond Center, beelden die de dieven hadden meegenomen maar niet hadden vernietigd. Documenten met kluisnummers en namen van huurders lagen tussen de bladeren. En tussen al het afval lag een half opgegeten salamibroodje in een plastic zakje.

Het DNA op dat broodje werd geanalyseerd en vergeleken met de Belgische en internationale databases. Er was een match. Leonardo Notarbartolo.

Op vrijdag 21 februari 2003, vijf dagen na de roof, werd Notarbartolo gearresteerd in zijn appartement in Antwerpen. Hij ontkende alles. Hij was een eerlijke edelsteenhandelaar, zei hij. Hij had niets met de roof te maken. Het salamibroodje? Hij at graag salami. Dat bewees niets.

Maar het bewees genoeg voor de Belgische politie om zijn leven binnenstebuiten te keren. Ze vonden zijn huurcontract voor het kantoor in het Diamond Center. Ze vonden telefoongegevens die hem linkten aan vier andere Italianen. Ze vonden de Peugeot 307, met microscopische diamantsplinters in de bekleding van de kofferbak.

In de weken die volgden werden ook de anderen opgepakt: Ferdinando Finotto, Elio D'Onorio, en Pietro Tavano, de mannen achter de bijnamen. De politie identificeerde hen via telefoongegevens, reisbewegingen en getuigenverklaringen. Het netwerk van La Scuola di Torino was opgerold.

Maar de buit was verdwenen.

Notarbartolo beweerde later, in een opmerkelijk interview met het Amerikaanse tijdschrift Wired in 2009, dat de roof een inside job was geweest, niet door hem, maar door een diamanthandelaar die hem had ingehuurd om de kluis te legen zodat de handelaar een verzekeringsfraude kon plegen. De echte buit, zei Notarbartolo, was veel kleiner dan de 100 miljoen dollar die werd geclaimd. De kluisjes waren grotendeels leeg geweest. De diamanthandelaren hadden hun verliezen opgeblazen om de verzekering op te lichten.

Het was een verhaal dat niemand kon verifiëren en niemand kon weerleggen. De diamantwereld opereert grotendeels op vertrouwen, zonder papieren bonnetjes of digitale administratie. Veel van wat er in de kluisjes lag, was nooit officieel geregistreerd. De werkelijke waarde van de buit zal waarschijnlijk nooit worden vastgesteld.

Wat wel vaststaat, is dat Notarbartolo bij een latere controle in Italië werd aangetroffen met twee kilo ruwe en geslepen diamanten in zijn bezit. Hij noemde ze goedkoop industrieel afval. Experts taxeerden ze op bijna 200.000 euro.

In 2005 sprak een Belgische rechtbank de vonnissen uit. Leonardo Notarbartolo kreeg tien jaar gevangenisstraf en een boete van meer dan een miljoen euro. Ferdinando Finotto, Elio D'Onorio en Pietro Tavano werden elk veroordeeld tot vijf jaar cel en boetes van 5.000 euro. De rechter noemde de roof "uitzonderlijk geraffineerd" en merkte op dat de daders een niveau van voorbereiding hadden getoond dat zelden werd gezien in de Belgische rechtspraak.

Notarbartolo zat zijn straf grotendeels uit en werd rond 2009 vrijgelaten. Hij keerde terug naar Italië. De diamanten, het overgrote deel van de buit van meer dan 100 miljoen dollar, zijn nooit teruggevonden.

Het Antwerp Diamond Center investeerde na de roof miljoenen in nieuwe beveiligingssystemen. De magnetische sensoren werden vervangen door digitale varianten. De bewakingscamera's kregen versleutelde opslag op externe servers. Het combinatieslot werd aangevuld met biometrische scanners. En de stalen kluissleutel hing niet langer aan een haak aan de muur.

Maar één detail uit de nasleep bleef hangen in de Antwerpse diamantwijk als een soort bittere anekdote. Onder de gestolen juwelen bevond zich een ring die een handelaar speciaal had laten maken als Valentijnscadeau voor zijn verloofde. De ring was op 14 februari, één dag voor de roof, in zijn kluisje gelegd, klaar om op maandag te worden opgehaald. Hij heeft hem nooit gezien.

De roof van het Antwerp Diamond Center blijft tot op de dag van vandaag de grootste juwelenroof die ooit is gepleegd, gemeten naar de geschatte waarde van de buit. Tien lagen beveiliging, omzeild met haarlak, ducttape, een polyesterscherm, een stuk aluminium en een zelfgemaakte boormachine. Maandenlange voorbereiding, uren van geconcentreerd werk in volledige duisternis, en een ontsnapping die perfect had kunnen zijn, als een nerveuze man met een salamibroodje niet in paniek was geraakt in een donker bos langs de snelweg.

Je hoorde de eerste 2 minuten.

Het hele verhaal duurt 26 min. In de app luister je verder waar je gebleven bent.

Luister verder in de app

Een Weekend in de Kelder, 123 Kluizen, 100 Miljoen Weg

0:002:00 / 26:26