1979 · Antwerpen, België
Vier Maanden Graven. Twee Uur Roven. Nooit Gevonden.
In 1979 groef een Italiaanse bende een tunnel naar de Antwerpse diamantwijk en roofde tientallen safeloketten leeg. Een bijna vergeten, briljante misdaad vol voorbereiding, lef en nasleep.

Op zondag 3 februari 2019, even na half twee 's middags, reed een grijze Citroën C3 kalm weg uit een zijstraat van de Antwerpse diamantwijk. De bestuurder hield zich keurig aan de snelheidslimiet. In de auto lagen twee doorweekte sporttassen die een penetrante rioolgeur verspreidden. De tassen zaten vol goud, juwelen en contant geld. Drie straten verderop stonden politieauto's met zwaailichten voor een bankfiliaal aan de Belgiëlei, waar agenten koortsachtig probeerden een kluisdeur te openen die niet meewerkte. De daders waren al weg. Ze waren niet door de voordeur gekomen, niet door een raam, niet via het dak. Ze waren gekomen van onder de straat, door het riool, via een tunnel die maanden eerder was gegraven vanuit een verloederd kelderappartement vierhonderd meter verderop.
Het was de meest recente in een reeks opmerkelijke bankroven die Antwerpen in de afgelopen decennia hadden getroffen, allemaal gericht op hetzelfde vierkante kilometer grond: de diamantwijk rond het Centraal Station, waar op een doordeweekse dag voor miljarden euro's aan edelstenen door mensenhanden gaat. Maar om te begrijpen hoe drie mannen in 2019 ongestraft een bankkluiszaal konden leeghalen via het riool, moet het verhaal zestien jaar eerder beginnen, bij een Italiaan die zich voordeed als diamanthandelaar en die de best beveiligde kluis van Europa van binnenuit leerde kennen.
Leonardo Notarbartolo arriveerde in het voorjaar van 2000 in Antwerpen met een duur pak, een vals visitekaartje en een plan dat hij al jaren koesterde. Hij was 58 jaar oud, geboren in het Siciliaanse Palermo, en had een strafblad dat terugging tot zijn tienerjaren. Maar in de Hoveniersstraat, het epicentrum van de mondiale diamanthandel, waar dagelijks voor tientallen miljoenen aan ruwe en geslepen stenen van hand tot hand ging, zag niemand een crimineel. Ze zagen een goed geklede Italiaanse zakenman die een kantoor wilde huren.
Notarbartolo betrok een ruimte op de bovenverdiepingen van het Antwerp Diamond Center, een onopvallend kantoorgebouw aan de Schupstraat, pal naast het station. Het gebouw herbergde op de bovenste etages tientallen kleine diamanthandelaren en -slijpers. Maar de echte waarde lag twee verdiepingen onder de grond: een kluizencomplex met 189 individuele safeloketten, beschermd door wat de eigenaren omschreven als een ondoordringbaar beveiligingssysteem. Tien lagen beveiliging, van infraroodsensoren en bewegingsdetectoren tot een combinatieslot met meer dan honderd miljoen mogelijke codes, een magnetisch zegel op de kluisdeur en permanente camerabewaking. Het Diamond Center adverteerde ermee. Klanten betaalden duizenden euro's per jaar voor een loket, in de overtuiging dat hun bezittingen veiliger waren dan in welke bank ook.
Notarbartolo huurde zelf een safeloket. Dat gaf hem legitieme toegang tot de kluisruimte. En elke keer dat hij naar beneden ging om zogenaamd iets op te bergen of op te halen, nam hij iets mee dat de bewakers niet konden zien: een spionagecamera ter grootte van een vingertop, verborgen in een pen die uit zijn borstzakje stak. De camera filmde alles. De positie van de sensoren. Het type slot op de kluisdeur. De routine van de bewaker die elke avond om dezelfde tijd zijn ronde deed. De hoek waaronder de beveiligingscamera's hingen. De kleur van de draden achter het alarmpaneel.
Maandenlang pendelde Notarbartolo tussen Antwerpen en Turijn, waar zijn handlangers woonden. In een appartement boven een pizzeria bestudeerde de groep de videobeelden frame voor frame. Er waren vier mannen naast Notarbartolo zelf, elk met een specialisme. Eén was een alarmexpert. Een ander was een slotenmaker die in het Italiaanse leger had gediend. Een derde was de chauffeur en uitkijk. De vierde, een forse man genaamd Ferdinando Finotto, was de spierkracht, degene die de kluisjes fysiek zou openbreken.
Het plan dat ze ontwikkelden was even simpel als brutaal: Notarbartolo zou op een vrijdagavond het gebouw binnengaan via de voordeur, met zijn eigen sleutel en toegangspas. De anderen zouden hem volgen. Ze zouden de sensoren een voor een uitschakelen, de kluis openen, zoveel mogelijk loketten leeghalen, en voor maandagochtend weer verdwijnen. Geen tunnel. Geen explosieven. Geen wapens. Gewoon naar binnen lopen en de beveiliging van binnenuit ontmantelen.
De uitvoering begon weken voor de eigenlijke kraak. Op een avond in januari 2003 ging Notarbartolo alleen naar de kluisruimte. Hij opende zijn eigen safeloket, haalde er een klein blikje uit, en liep naar de warmtesensor die boven de kluisdeur hing, een kastje ter grootte van een pakje sigaretten dat elke temperatuurverandering in de ruimte registreerde. Als een menselijk lichaam dichtbij kwam, zou de sensor de warmte detecteren en alarm slaan. Notarbartolo schudde het blikje. Het was een spuitbus haarspray. Hij richtte de nozzle op de sensor en spoot een dunne, transparante film over de lens. De lak was onzichtbaar voor het blote oog, maar dik genoeg om de infraroodstraling van een menselijk lichaam te blokkeren. De sensor was nu blind. Hij registreerde geen beweging meer, geen warmte, niets. Het alarmsysteem bleef groen.
Notarbartolo herhaalde dit ritueel bij elk bezoek. Elke keer een andere sensor, een ander onderdeel van het systeem. De bewakers merkten niets. Het alarm ging niet af. De camera's filmden een man die zijn safeloket opende en weer sloot, precies zoals honderden andere klanten deden.
Op vrijdagavond 14 februari 2003: Valentijnsdag, verzamelde de groep zich in het Diamond Center. Buiten was het een heldere, ijskoude vriesnacht. De temperatuur daalde tot min acht graden. De Schupstraat lag er verlaten bij. In het gebouw brandde alleen het noodlicht.
Notarbartolo had de voordeur geopend met zijn eigen sleutel. De alarmexpert ging als eerste naar beneden, naar de kluisverdieping. Hij droeg een tas met gereedschap: draadknippers, een soldeerbout, klemmetjes, en rollen isolatietape. Bij het alarmpaneel naast de kluisdeur opende hij het kastje en bestudeerde de bedrading. Het systeem werkte met een gesloten circuit, als een draad werd doorgeknipt, zou het alarm afgaan. De expert knipte dus niet. In plaats daarvan soldeerde hij een bypass: een extra draadje dat het circuit intact hield, ook als hij vervolgens de originele verbinding loskoppelde. Sensor na sensor werd zo uitgeschakeld zonder dat het centrale systeem een onderbreking registreerde.
De bewegingssensor was al weken eerder onklaar gemaakt door de haarspray. De lichtsensor, die alarm zou slaan als er licht brandde in de kluis buiten kantooruren, werd afgedekt met een stuk zwart tape. De magnetische zegel op de kluisdeur, een aluminium strip die brak als de deur openging, werd vervangen door een identieke strip die de mannen zelf hadden gefabriceerd. Ze schoven het origineel eraf en plakten hun eigen versie erop, zodat het systeem bleef denken dat de deur dicht was, ook als hij wijd openstond.
Toen draaide Notarbartolo aan het handwiel van de kluisdeur. Het mechanisme klikte. De deur zwaaide open.
De ruimte erachter was twintig meter lang en vijf meter breed, met aan weerszijden rijen koperen en stalen safeloketten van vloer tot plafond. Honderdnegenentachtig stuks in totaal. De tl-verlichting sprong aan en wierp een kil, wit licht over het metaal. De temperatuur was constant vijftien graden, klimaatbeheersing hield de ruimte droog voor de diamanten. Het rook er naar koel staal en oud papier.
Finotto ging als eerste aan het werk. Hij was een grote, zware man met handen als kolenschoppen. Met een set lockpicks en een koevoet begon hij systematisch de individuele loketten te openen. Sommige gaven mee na een paar seconden wrikken. Andere vergden meer kracht, het metaal kraakte en piepte als hij de sluitingen forceerde. Notarbartolo en de slotenmaker werkten aan de andere kant van de zaal. Ze hadden een zelfgemaakt aluminium schild bij zich, een plaat die ze voor een resterende sensor hielden terwijl ze erlangs bewogen, als een soort warmtescherm.
Een voor een gingen de loketten open. In het eerste zat een fluwelen zakje met geslepen diamanten, elk verpakt in een gevouwen stukje wit papier, het standaard vouwpapiertje van de diamanthandel. In het tweede lagen gouden munten, gestapeld in rollen. In een derde vonden ze bundels bankbiljetten, euro's en dollars, samengebonden met elastiekjes. Elk loket werd leeggehaald in een zwarte vuilniszak. De zakken vulden zich snel.
Na drie uur hadden ze 109 van de 189 loketten geopend. De overige tachtig zaten te stevig vast of bevatten een extra slot dat ze niet konden kraken zonder te veel lawaai te maken. De vier mannen keken om zich heen. De vloer lag bezaaid met lege juwelendoosjes, losse papieren, en een enkel kettinkje dat uit een zak was gegleden. In een hoek stond een stapel gevulde vuilniszakken, zo zwaar dat ze met twee man getild moesten worden.
Ze verlieten het gebouw zoals ze gekomen waren: via de voordeur. De zakken gingen in de kofferbak van een auto die in een zijstraat stond. Notarbartolo sloot de voordeur achter zich af. Het was nog donker buiten. De Schupstraat was leeg. Niemand had iets gehoord.
Pas op maandagochtend 17 februari, toen de eerste medewerker van het Diamond Center de kluisruimte betrad voor de dagelijkse opening, werd de ravage ontdekt. De kluisdeur stond op een kier. Binnen lagen overal lege loketten, opengebroken en leeggehaald. De vloer was bezaaid met achtergelaten verpakkingsmateriaal. De schade werd geschat op meer dan 100 miljoen dollar, sommige bronnen spraken van 100 miljoen euro. Het exacte bedrag is nooit vastgesteld, omdat veel kluishouders de werkelijke inhoud van hun loketten niet wilden of konden opgeven. Diamanthandelaren hielden niet altijd een administratie bij van wat ze in hun kluis bewaarden. Sommigen hadden redenen om de waarde te onderschatten, anderen om te overdrijven voor de verzekering.
De Antwerpse politie stond voor een raadsel. Er was geen braakschade aan de buitenkant van het gebouw. Geen gebroken ramen, geen geforceerde deuren. Het alarmsysteem had de hele nacht groen gestaan. De bewakingscamera's hadden niets verdachts geregistreerd, de dieven hadden ze afgedekt met zwarte plastic zakken zodra ze de kluisruimte betraden. Het leek alsof de kluis zichzelf had geopend.
De doorbraak kwam uit onverwachte hoek. Op dinsdag 18 februari, een dag na de ontdekking, vond een grondeigenaar in de Belgische Ardennen, nabij het dorpje Trassegnies, een vuilniszak in de bosjes langs een landweggetje. De zak was gescheurd en de inhoud lag verspreid over de grond: verknipte videobanden, lege juwelendoosjes, kassabonnen, en een half opgegeten broodje met Italiaanse salami. De man belde de politie omdat hij dacht dat het illegaal gedumpt afval was. De agenten die kwamen kijken, herkenden al snel de juwelendoosjes als afkomstig uit safeloketten. Ze hadden het afval van de diamantroof gevonden.
Het broodje werd het cruciale bewijsstuk. Op de verpakking stond het merk van een Italiaanse delicatessenzaak. De kassabon erbij vermeldde een datum, een tijdstip en een filiaal in de buurt van Turijn. Rechercheurs vroegen de camerabeelden op van die winkel op die dag. Op de beelden was een forse man te zien die salami en brood kocht: Ferdinando Finotto, bijgenaamd "Il Mostro", het Monster. Via Finotto kwamen de speurders bij de rest van de groep, en uiteindelijk bij Notarbartolo zelf.
Leonardo Notarbartolo werd in februari 2003 gearresteerd in zijn appartement in Turijn. In zijn woning vonden agenten diamanten ter waarde van meer dan een miljoen euro, verstopt in een holle deurstijl. Hij werd uitgeleverd aan België en in 2005 veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf. Vanuit zijn cel gaf hij in 2009 een opmerkelijk interview aan het Amerikaanse tijdschrift Wired. "I may be a thief and a liar," zei hij tegen journalist Joshua Davis, "but I am going to tell you a true story." Vervolgens beweerde hij dat de hele roof een opgezet spel was geweest, dat een diamanthandelaar hem had ingehuurd om de kluis leeg te halen zodat die handelaar de verzekering kon oplichten, en dat de werkelijke buit veel kleiner was dan de politie dacht. De Antwerpse justitie heeft die versie altijd betwist. Het grootste deel van de buit, geschat op tientallen miljoenen, is nooit teruggevonden.
De roof van het Antwerp Diamond Center werd wereldnieuws. Kranten noemden het "de roof van de eeuw." Het verhaal had alles: Italiaanse gangsters, diamanten, een onkraakbare kluis die toch gekraakt was, en een broodje salami als fatale fout. Maar voor de Antwerpse diamantwijk was het meer dan een spektakelstuk. Het was een waarschuwing. Als de best beveiligde kluis van de stad van binnenuit kon worden ontmanteld door een man met een spuitbus haarspray en een soldeerbout, wat betekende dat dan voor de rest?
Het antwoord kwam zestien jaar later, op een manier die niemand had verwacht.
In de zomer van 2018 betrok een onbekende man een kelderappartement aan de Nerviërsstraat 40, een smal straatje op vierhonderd meter afstand van het BNP Paribas Fortis-bankfiliaal aan de Belgiëlei. De Belgiëlei is een brede boulevard die dwars door de diamantwijk loopt. Het bankfiliaal op nummer 91 had een kluizenzaal in de kelder met tientallen safeloketten, gebruikt door handelaren en particulieren uit de buurt.
De verhuurder van het kelderappartement, een man genaamd Marijn V., herinnerde zich later dat de huurder hem was opgevallen. "Ik vond het al een chique meneer voor zo'n verpauperd appartement," vertelde hij aan Het Laatste Nieuws. De man betaalde keurig contant, elke maand op tijd. Hij zei dat hij het appartement nodig had als opslagruimte. Marijn stelde geen verdere vragen.
Wat Marijn niet wist, was dat zijn huurder in de kelder van nummer 40 een gat in de vloer had gehakt en was begonnen te graven. Niet naar beneden, maar schuin omlaag, in de richting van het rioolstelsel dat onder de Nerviërsstraat liep. De man werkte 's nachts. Hij gebruikte een pneumatische hamer om door het beton te komen en een diamantschijf-slijpmolen om door de bakstenen rioolwand te snijden. Het puin voerde hij af in stevige plastic puinzakken, die hij via een geïmproviseerde metalen slee door de tunnel trok. De aarde en het beton verdwenen in het riool zelf, meegespoeld met het afvalwater.
De tunnel vanuit de kelder was ongeveer vier meter lang en kwam uit in een hoofdrioolbuis onder de straat. Die buis was op sommige plaatsen amper veertig centimeter hoog, net genoeg om doorheen te kruipen. De man had er verlichting aangelegd: een peertje aan een lang verlengsnoer dat hij vanuit het kelderappartement door de tunnel had getrokken. Het spookachtige licht wierp schaduwen op de natte bakstenen wanden en het troebele water dat over de bodem stroomde. Er lag een doorweekte matras in de tunnel, waarop hij vermoedelijk rustte tussen de graafbeurten door.
Vanuit het riool groef hij een tweede tunnel, dit keer omhoog, in de richting van het bankfiliaal aan de Belgiëlei. Deze tunnel kwam uit onder de betonnen vloer van de kluizenzaal. Het laatste stuk, het doorbreken van de vloer zelf, moet het riskantste moment zijn geweest. Elke klap van de hamer kon boven gehoord worden. Elke trilling kon een sensor activeren.
Het werk duurde maanden. De hele herfst en winter van 2018 groef de man, of waren het er meer?, in stilte verder. Boven hem leefde de diamantwijk haar gewone leven. Handelaren liepen met aktetassen vol edelstenen over de Hoveniersstraat. Hassidische juweliers sloten deals in koffiehuizen. Toeristen fotografeerden de glinsterende etalages. Niemand keek naar beneden.
Op zondagochtend 3 februari 2019 was het zover. Het was een koude, heldere winterdag. In de straten rond het Centraal Station werd die middag het Chinese Nieuwjaar gevierd, er zouden draken dansen en vuurwerk knallen. Het bankfiliaal aan de Belgiëlei was gesloten, zoals elke zondag. De kluizenzaal in de kelder was leeg en stil.
Drie mannen daalden af in de kelder van Nerviërsstraat 40. Ze lieten zich door het gat in de vloer zakken, kropen door de eerste tunnel, en bereikten het riool. Het water stond tot hun knieën. De geur was verstikkend, een mengsel van rottend afval, chemicaliën en vocht dat in de kleren trok en er dagenlang niet meer uit zou gaan. Hun schouders schaafden langs de natte wanden terwijl ze door de buis waadden, gebogen, met de sporttassen boven hun hoofd om ze droog te houden. Het enige licht kwam van het peertje aan het verlengsnoer, dat een zwak oranje schijnsel wierp op het stromende water.
Na enkele honderden meters bereikten ze de tweede tunnel. Die was nauwer, ze moesten op hun buik kruipen, met hun ellebogen vooruit, door een gang van losse aarde en brokstukken. Aan het einde was het gat in de betonnen vloer van de kluizenzaal. Een van hen duwde een laatste brok beton opzij. Daarboven lag de zaal: twintig meter lang, vijf meter breed, rijen metalen safeloketten aan weerszijden. Gedempt licht. Koele, droge lucht die scherp afstak tegen de klamme rioelstank op hun kleren.
Ze klommen naar binnen.
Wat volgde was een race tegen de klok waarvan ze niet wisten dat die al tikte. De drie mannen werkten snel en systematisch. Ze hadden gereedschap bij zich, koevoeten, lockpicks, een kleine slijpmachine, en begonnen de safeloketten een voor een te openen. Het metaal kraakte en piepte bij elk loket dat meegaf. In het eerste zat een stapel bankbiljetten, samengebonden met een elastiekje. In het tweede lagen gouden sieraden in een fluwelen etui. In een derde vonden ze officiële documenten, diploma's, een huwelijksakte, die voor de eigenaar onvervangbaar waren maar voor de dieven waardeloos. Ze gooiden de papieren op de grond en namen alleen mee wat waarde had.
Loket na loket ging open. Gouden kettingen, ringen bezet met edelstenen, bundels contant geld, een kostbare muntencollectie. De sporttassen vulden zich. In totaal openden ze 27 van de safeloketten in de zaal. De rest zat te stevig vast of kostte te veel tijd.
Toen, even na half twee 's middags, gebeurde wat ze het meest vreesden. Een schel, snerpend geluid weerkaatste tegen de betonnen muren van de kluiszaal. Het alarm. Rode waarschuwingslichten begonnen te flikkeren aan het plafond. Een van de mannen verstijfde, gebukt over een opengebroken loket met een handvol juwelendoosjes in zijn vuist. Een ander keek op van de tas die hij aan het dichtritsen was.
Later zou uit onderzoek blijken dat het alarmsysteem die zondag al meerdere keren was afgegaan, volgens sommige bronnen tot achttien keer toe, zonder dat de alarmcentrale had ingegrepen. Elke keer was het signaal afgedaan als een vals alarm, een storing, een technisch mankement. Pas bij dit laatste signaal, om 13.34 uur, nam een medewerker van de beveiligingsdienst het serieus genoeg om de politie te bellen.
De drie mannen in de kluiszaal wisten dat niet. Ze wisten alleen dat het alarm loelde en dat ze weg moesten. De voorste dief griste zijn tas van de grond en rende naar het gat in de vloer. In zijn haast gleed een zware goudstaaf uit de tas en kletterde op het beton. Hij keek ernaar, aarzelde een fractie van een seconde, en liet hem liggen. De tweede man was al in het gat verdwenen, zijn benen bungelend in de duisternis van de tunnel eronder. De derde volgde, liet zich zakken, en schoof het laatste stuk beton zo goed mogelijk terug over de opening.
In de tunnel was het pikdonker. Een van hen rukte het peertje aan het verlengsnoer los, geen licht dat hun positie kon verraden. Op de tast kropen ze door de nauwe gang, hun knieën schurend over puin en losse aarde, de zware tassen achter zich aan slepend. Boven hen, in de bank, klonk gedempt het geluid van sirenes. Of was het het gedreun van laarzen op de vloer?
Ze bereikten het riool en lieten zich in het water zakken. Het was ijskoud. Het water spatte op tegen hun benen en doorweekte hun kleren tot aan de heupen. "Vooruit," siste een van hen in het donker. Ze waadden zo snel als ze konden door de buis, hun schouders schavend langs de wanden, hun adem jagend in de bedompte lucht. De sporttassen hielden ze boven hun hoofd, maar het water steeg bij elke stap. Achter hen, ergens in de verte, weerkaatste het geluid van stemmen door de rioolbuizen, of verbeeldden ze zich dat?
Na wat minuten voelden die als een uur bereikten ze het gat naar de kelder van Nerviërsstraat 40. De inschuifbare ladder stond er nog. Een voor een klommen ze omhoog, doorweekt, smerig, hijgend. In de kelder keken ze elkaar aan. Het was gelukt.
Een van de drie mannen griste de zwaarste tassen mee, rende de trap op, en verliet het pand via de voordeur. Buiten scheen de winterzon. De straat was rustig. Hij liep op zijn dooie gemak naar een grijze Citroën C3 die een stuk verderop geparkeerd stond met draaiende motor. De bestuurder opende een raampje, de stank van rioolwater was overweldigend. De man gooide de tassen op de achterbank en stapte in. Om 14.23 uur voegde de Citroën zich in het verkeer op de Belgiëlei, op nog geen tweehonderd meter van het bankfiliaal waar inmiddels drie politieauto's met zwaailichten stonden.
Bij de bank speelde zich intussen een tafereel af dat de daders niet hadden kunnen bedenken als ze het hadden geprobeerd. Het Snelle Respons Team van de Antwerpse politie was ter plaatse, gewapend en klaar om de kluiszaal te betreden. Er was één probleem: de deur zat dicht. De speciale beveiligingsdeur van de kluiszaal kon alleen geopend worden met een code en een sleutel die bij een bankmedewerker berustten. Het was zondag. De medewerker was thuis. Er moest eerst iemand gebeld worden, die iemand anders moest bellen, die een sleutel moest ophalen. Het duurde meer dan dertig minuten voordat de deur eindelijk openging.
Een lid van het team beschreef later wat ze aantroffen: "De zaal is een ruimte in de kelder van 20 meter lang en 5 meter breed. Links achteraan treffen wij een gat in de vloer van ongeveer 25 bij 45 centimeter." Rondom het gat lagen brokstukken beton en stof. Op de vloer verspreid: lege juwelendoosjes, losse papieren, een gouden ketting, en verschillende goudstaven die de dieven in hun haast hadden laten liggen. Zevenentwintig safeloketten stonden open, hun deurtjes scheef hangend aan verbogen scharnieren. De rest was onaangeroerd.
Van de daders was geen spoor. Ze waren letterlijk in de grond verdwenen.
Het onderzoek dat volgde, onthulde stukje bij beetje hoe de roof was voorbereid. Politiewoordvoerder Willem Migom bevestigde de route: "A tunnel to the sewer system has been found. In the sewerage we then found a second tunnel that led to a building in the Nerviërsstraat." In het kelderappartement vonden speurders de pneumatische hamer, de diamantschijf-slijpmolen, puinzakken, de metalen slee, en het verlengsnoer met het peertje. Op de slijpmolen zat een serienummer. Dat nummer leidde naar een bouwmarkt in Nederland, waar het apparaat maanden eerder contant was afgerekend. Via camerabeelden van die bouwmarkt identificeerden rechercheurs een van de verdachten.
Het bleken geen Italiaanse maffiosi te zijn, zoals de Antwerpse pers aanvankelijk had gespeculeerd. De vergelijking met Notarbartolo en zijn bende lag voor de hand, een spectaculaire kluisroof in de diamantwijk, uitgevoerd met geduld en vakmanschap, maar de werkelijkheid was prozaïscher. De hoofdverdachten waren twee Georgische mannen: Koba M. en Giorgi K., jeugdvrienden die al jaren in Antwerpen woonden en ogenschijnlijk gewone levens leidden. Een voormalige werkgever van Giorgi beschreef hem als "altijd rustig en beleefd. Hij werkte hier zes dagen op de zeven. Elke ochtend om 6 uur stond hij paraat." Koba daarentegen "zat altijd in geldnood en was een bazig type."
De twee werden gearresteerd en in 2021 voor de rechter gebracht. Het Antwerpse parket vorderde vijf jaar cel. De exacte waarde van de buit is nooit vastgesteld, het parket sprak voorzichtig van "een aanzienlijk bedrag", mede omdat niet alle kluishouders wilden verklaren wat er in hun loketten had gezeten. Sommige slachtoffers misten juwelen en contant geld. Een ander miste zijn huwelijksakte en diploma's. Een derde was een muntenverzamelaar die zijn hele collectie kwijt was. Het grootste deel van de buit is nooit teruggevonden.
Wat de tunnelroof van 2019 zo opmerkelijk maakt, is niet alleen de uitvoering, het maandenlange graven, de tocht door het riool, de ontsnapping terwijl de politie boven hun hoofd stond, maar ook hoe de geschiedenis zich herhaalde. In 1976 had de Frans-Italiaanse gangster Albert Spaggiari precies dezelfde methode gebruikt om een Société Générale-bank in Nice leeg te halen: een tunnel via het riool, gegraven vanuit een gehuurde ruimte in de buurt. Spaggiari liet een boodschap achter op de muur van de kluis: "Sans armes, ni violence, ni haine", zonder wapens, zonder geweld, zonder haat. De Antwerpse tunnelkrakers lieten geen boodschap achter. Alleen een gat in de vloer, een doorweekte matras in het riool, en zevenentwintig lege kluisjes.
Omstanders aan de Belgiëlei, die die zondagmiddag toekeken hoe de politie het bankfiliaal afzette, maakten de vergelijking onmiddellijk. "Een bank beroven door een tunnel te graven van vierhonderd meter ver, zonder dat iemand het merkt," zei een buurtb

