1979 · Antwerpen, België
Vier Maanden Graven. Twee Uur Roven. Nooit Gevonden.
In 1979 groef een Italiaanse bende een tunnel naar de Antwerpse diamantwijk en roofde tientallen safeloketten leeg. Een bijna vergeten, briljante misdaad vol voorbereiding, lef en nasleep.

Op zondag 3 februari 2019, even na half twee 's middags, reed een grijze Citroën C3 kalm weg uit een zijstraat van de Antwerpse diamantwijk. De bestuurder hield zich keurig aan de snelheidslimiet. In de auto lagen twee doorweekte sporttassen die een penetrante rioolgeur verspreidden. De tassen zaten vol goud, juwelen en contant geld. Drie straten verderop stonden politieauto's met zwaailichten voor een bankfiliaal aan de Belgiëlei, waar agenten koortsachtig probeerden een kluisdeur te openen die niet meewerkte. De daders waren al weg. Ze waren niet door de voordeur gekomen, niet door een raam, niet via het dak. Ze waren gekomen van onder de straat, door het riool, via een tunnel die maanden eerder was gegraven vanuit een verloederd kelderappartement vierhonderd meter verderop.
Het was de meest recente in een reeks opmerkelijke bankroven die Antwerpen in de afgelopen decennia hadden getroffen, allemaal gericht op hetzelfde vierkante kilometer grond: de diamantwijk rond het Centraal Station, waar op een doordeweekse dag voor miljarden euro's aan edelstenen door mensenhanden gaat. Maar om te begrijpen hoe drie mannen in 2019 ongestraft een bankkluiszaal konden leeghalen via het riool, moet het verhaal zestien jaar eerder beginnen, bij een Italiaan die zich voordeed als diamanthandelaar en die de best beveiligde kluis van Europa van binnenuit leerde kennen.
Leonardo Notarbartolo arriveerde in het voorjaar van 2000 in Antwerpen met een duur pak, een vals visitekaartje en een plan dat hij al jaren koesterde. Hij was 58 jaar oud, geboren in het Siciliaanse Palermo, en had een strafblad dat terugging tot zijn tienerjaren. Maar in de Hoveniersstraat, het epicentrum van de mondiale diamanthandel, waar dagelijks voor tientallen miljoenen aan ruwe en geslepen stenen van hand tot hand ging, zag niemand een crimineel. Ze zagen een goed geklede Italiaanse zakenman die een kantoor wilde huren.
Notarbartolo betrok een ruimte op de bovenverdiepingen van het Antwerp Diamond Center, een onopvallend kantoorgebouw aan de Schupstraat, pal naast het station. Het gebouw herbergde op de bovenste etages tientallen kleine diamanthandelaren en -slijpers. Maar de echte waarde lag twee verdiepingen onder de grond: een kluizencomplex met 189 individuele safeloketten, beschermd door wat de eigenaren omschreven als een ondoordringbaar beveiligingssysteem. Tien lagen beveiliging, van infraroodsensoren en bewegingsdetectoren tot een combinatieslot met meer dan honderd miljoen mogelijke codes, een magnetisch zegel op de kluisdeur en permanente camerabewaking. Het Diamond Center adverteerde ermee. Klanten betaalden duizenden euro's per jaar voor een loket, in de overtuiging dat hun bezittingen veiliger waren dan in welke bank ook.
Notarbartolo huurde zelf een safeloket. Dat gaf hem legitieme toegang tot de kluisruimte. En elke keer dat hij naar beneden ging om zogenaamd iets op te bergen of op te halen, nam hij iets mee dat de bewakers niet konden zien: een spionagecamera ter grootte van een vingertop, verborgen in een pen die uit zijn borstzakje stak. De camera filmde alles. De positie van de sensoren. Het type slot op de kluisdeur. De routine van de bewaker die elke avond om dezelfde tijd zijn ronde deed. De hoek waaronder de beveiligingscamera's hingen. De kleur van de draden achter het alarmpaneel.
Maandenlang pendelde Notarbartolo tussen Antwerpen en Turijn, waar zijn handlangers woonden. In een appartement boven een pizzeria bestudeerde de groep de videobeelden frame voor frame. Er waren vier mannen naast Notarbartolo zelf, elk met een specialisme. Eén was een alarmexpert. Een ander was een slotenmaker die in het Italiaanse leger had gediend. Een derde was de chauffeur en uitkijk. De vierde, een forse man genaamd Ferdinando Finotto, was de spierkracht, degene die de kluisjes fysiek zou openbreken.
Het plan dat ze ontwikkelden was even simpel als brutaal: Notarbartolo zou op een vrijdagavond het gebouw binnengaan via de voordeur, met zijn eigen sleutel en toegangspas. De anderen zouden hem volgen. Ze zouden de sensoren een voor een uitschakelen, de kluis openen, zoveel mogelijk loketten leeghalen, en voor maandagochtend weer verdwijnen. Geen tunnel. Geen explosieven. Geen wapens. Gewoon naar binnen lopen en de beveiliging van binnenuit ontmantelen.
De uitvoering begon weken voor de eigenlijke kraak. Op een avond in januari 2003 ging Notarbartolo alleen naar de kluisruimte. Hij opende zijn eigen safeloket, haalde er een klein blikje uit, en liep naar de warmtesensor die boven de kluisdeur hing, een kastje ter grootte van een pakje sigaretten dat elke temperatuurverandering in de ruimte registreerde. Als een menselijk lichaam dichtbij kwam, zou de sensor de warmte detecteren en alarm slaan. Notarbartolo schudde het blikje. Het was een spuitbus haarspray. Hij richtte de nozzle op de sensor en spoot een dunne, transparante film over de lens. De lak was onzichtbaar voor het blote oog, maar dik genoeg om de infraroodstraling van een menselijk lichaam te blokkeren. De sensor was nu blind. Hij registreerde geen beweging meer, geen warmte, niets. Het alarmsysteem bleef groen.
Notarbartolo herhaalde dit ritueel bij elk bezoek. Elke keer een andere sensor, een ander onderdeel van het systeem. De bewakers merkten niets. Het alarm ging niet af. De camera's filmden een man die zijn safeloket opende en weer sloot, precies zoals honderden andere klanten deden.
Op vrijdagavond 14 februari 2003: Valentijnsdag, verzamelde de groep zich in het Diamond Center. Buiten was het een heldere, ijskoude vriesnacht. De temperatuur daalde tot min acht graden. De Schupstraat lag er verlaten bij. In het gebouw brandde alleen het noodlicht.
Notarbartolo had de voordeur geopend met zijn eigen sleutel. De alarmexpert ging als eerste naar beneden, naar de kluisverdieping. Hij droeg een tas met gereedschap: draadknippers, een soldeerbout, klemmetjes, en rollen isolatietape. Bij het alarmpaneel naast de kluisdeur opende hij het kastje en bestudeerde de bedrading. Het systeem werkte met een gesloten circuit, als een draad werd doorgeknipt, zou het alarm afgaan. De expert knipte dus niet. In plaats daarvan soldeerde hij een bypass: een extra draadje dat het circuit intact hield, ook als hij vervolgens de originele verbinding loskoppelde. Sensor na sensor werd zo uitgeschakeld zonder dat het centrale systeem een onderbreking registreerde.
De bewegingssensor was al weken eerder onklaar gemaakt door de haarspray. De lichtsensor, die alarm zou slaan als er licht brandde in de kluis buiten kantooruren, werd afgedekt met een stuk zwart tape. De magnetische zegel op de kluisdeur, een aluminium strip die brak als de deur openging, werd vervangen door een identieke strip die de mannen zelf hadden gefabriceerd. Ze schoven het origineel eraf en plakten hun eigen versie erop, zodat het systeem bleef denken dat de deur dicht was, ook als hij wijd openstond.
Toen draaide Notarbartolo aan het handwiel van de kluisdeur. Het mechanisme klikte. De deur zwaaide open.
De ruimte erachter was twintig meter lang en vijf meter breed, met aan weerszijden rijen koperen en stalen safeloketten van vloer tot plafond. Honderdnegenentachtig stuks in totaal. De tl-verlichting sprong aan en wierp een kil, wit licht over het metaal. De temperatuur was constant vijftien graden, klimaatbeheersing hield de ruimte droog voor de diamanten. Het rook er naar koel staal en oud papier.
Finotto ging als eerste aan het werk. Hij was een grote, zware man met handen als kolenschoppen. Met een set lockpicks en een koevoet begon hij systematisch de individuele loketten te openen. Sommige gaven mee na een paar seconden wrikken. Andere vergden meer kracht, het metaal kraakte en piepte als hij de sluitingen forceerde. Notarbartolo en de slotenmaker werkten aan de andere kant van de zaal. Ze hadden een zelfgemaakt aluminium schild bij zich, een plaat die ze voor een resterende sensor hielden terwijl ze erlangs bewogen, als een soort warmtescherm.
Een voor een gingen de loketten open. In het eerste zat een fluwelen zakje met geslepen diamanten, elk verpakt in een gevouwen stukje wit papier, het standaard vouwpapiertje van de diamanthandel. In het tweede lagen gouden munten, gestapeld in rollen. In een derde vonden ze bundels bankbiljetten, euro's en dollars, samengebonden met elastiekjes. Elk loket werd leeggehaald in een zwarte vuilniszak. De zakken vulden zich snel.
Na drie uur hadden ze 109 van de 189 loketten geopend. De overige tachtig zaten te stevig vast of bevatten een extra slot dat ze niet konden kraken zonder te veel lawaai te maken. De vier mannen keken om zich heen. De vloer lag bezaaid met lege juwelendoosjes, losse papieren, en een enkel kettinkje dat uit een zak was gegleden. In een hoek stond een stapel gevulde vuilniszakken, zo zwaar dat ze met twee man getild moesten worden.
Ze verlieten het gebouw zoals ze gekomen waren: via de voordeur. De zakken gingen in de kofferbak van een auto die in een zijstraat stond. Notarbartolo sloot de voordeur achter zich af. Het was nog donker buiten. De Schupstraat was leeg. Niemand had iets gehoord.
Pas op maandagochtend 17 februari, toen de eerste medewerker van het Diamond Center de kluisruimte betrad voor de dagelijkse opening, werd de ravage ontdekt. De kluisdeur stond op een kier. Binnen lagen overal lege loketten, opengebroken en leeggehaald. De vloer was bezaaid met achtergelaten verpakkingsmateriaal. De schade werd geschat op meer dan 100 miljoen dollar, sommige bronnen spraken van 100 miljoen euro. Het exacte bedrag is nooit vastgesteld, omdat veel kluishouders de werkelijke inhoud van hun loketten niet wilden of konden opgeven. Diamanthandelaren hielden niet altijd een administratie bij van wat ze in hun kluis bewaarden. Sommigen hadden redenen om de waarde te onderschatten, anderen om te overdrijven voor de verzekering.
De Antwerpse politie stond voor een raadsel. Er was geen braakschade aan de buitenkant van het gebouw. Geen gebroken ramen, geen geforceerde deuren. Het alarmsysteem had de hele nacht groen gestaan. De bewakingscamera's hadden niets verdachts geregistreerd, de dieven hadden ze afgedekt met zwarte plastic zakken zodra ze de kluisruimte betraden. Het leek alsof de kluis zichzelf had geopend.
De doorbraak kwam uit onverwachte hoek. Op dinsdag 18 februari, een dag na de ontdekking, vond een grondeigenaar in de Belgische Ardennen, nabij het dorpje Trassegnies, een vuilniszak in de bosjes langs een landweggetje. De zak was gescheurd en de inhoud lag verspreid over de grond: verknipte videobanden, lege juwelendoosjes, kassabonnen, en een half opgegeten broodje met Italiaanse salami. De man belde de politie omdat hij dacht dat het illegaal gedumpt afval was. De agenten die kwamen kijken, herkenden al snel de juwelendoosjes als afkomstig uit safeloketten. Ze hadden het afval van de diamantroof gevonden.
Het broodje werd het cruciale bewijsstuk. Op de verpakking stond het merk van een Italiaanse delicatessenzaak. De kassabon erbij vermeldde een datum, een tijdstip en een filiaal in de buurt van Turijn. Rechercheurs vroegen de camerabeelden op van die winkel op die dag. Op de beelden was een forse man te zien die salami en brood kocht: Ferdinando Finotto, bijgenaamd "Il Mostro", het Monster. Via Finotto kwamen de speurders bij de rest van de groep, en uiteindelijk bij Notarbartolo zelf.
Lees en luister verder
Dit verhaal, en de hele bibliotheek
Met Onverteld lees en beluister je elk verhaal volledig, meteen en zonder wachten. Probeer 7 dagen alles voor € 0,99.
Liever eerst horen hoe het klinkt? Beluister twee minuten van dit verhaal.

