ONVERTELD
← Alle verhalen

2011 · Nantes / Roquebrune-sur-Argens, Frankrijk

De Man Die 17 Seconden Zichtbaar Was, en 14 Jaar Spoorloos

In 2004 verdwijnt de Franse verzekeringsbaas Xavier Dupont de Ligonnès nadat zijn gezin dood onder het terras wordt gevonden. Brieven, geldopnames, hotels en camerabeelden tonen zijn vlucht, tot het spoor abrupt stopt.

19 min lezenXavier Dupont de LigonnèsFamilicideKlopjacht

Op 15 april 2011, om tien over vier 's middags, duwde een man de glazen toegangsdeur open van een budgethotel in het zuiden van Frankrijk. De bewakingscamera boven de deur registreerde hem in korrelig beeld: een slanke gestalte, donker haar, een zwarte rugzak op zijn rug en een langwerpige kledingzak over zijn linkerschouder. Hij liep de parkeerplaats over, passeerde een zilvergrijze Citroën C5 zonder erin te stappen, en sloeg rechtsaf richting een rotonde aan de rand van het stadje Roquebrune-sur-Argens. Daarna verdween hij uit het kader van de camera. En uit de rest van de wereld.

Die zeventien seconden beeldmateriaal zijn het laatste betrouwbare bewijs dat Xavier Dupont de Ligonnès, vijftig jaar oud, vader van vier kinderen, echtgenoot, katholiek, zakenman, schuldenaar, leugenaar, nog leefde. Zes dagen later zouden rechercheurs in een achtertuin in Nantes, ruim 800 kilometer verderop, de lichamen vinden van zijn vrouw, zijn vier kinderen en de twee familiehonden. Begraven onder een terras dat hij eigenhandig had aangelegd.

Het is een zaak die Frankrijk al meer dan veertien jaar in zijn greep houdt. Niet alleen vanwege de gruwelijkheid, maar vanwege de onmogelijkheid: hoe verdwijnt een man volledig, in een tijdperk van camera's, bankpassen, telefoonmasten en digitale voetafdrukken? En hoe bereid je die verdwijning zo minutieus voor dat zelfs Interpol, met een internationaal arrestatiebevel en de medewerking van tientallen landen, geen spoor meer vindt?

Het antwoord begint niet op die parkeerplaats in de Var. Het begint maanden eerder, in een rijtjeshuis aan een drukke boulevard in Nantes, waar een gezin langzaam uiteenviel achter gesloten gordijnen.

Xavier Dupont de Ligonnès stamde uit een oude adellijke familie uit de Aveyron, een streek in het zuiden van Frankrijk waar naam en reputatie zwaarder wogen dan een bankrekening. Zijn vader was een excentrieke graaf die beweerde visioenen te ontvangen van de Maagd Maria. Zijn moeder was diepgelovig. Xavier groeide op met het idee dat de familie Dupont de Ligonnès bijzonder was, voorbestemd, zelfs. Die overtuiging zou hij zijn hele leven met zich meedragen, ook toen de werkelijkheid steeds verder afweek van het familieverhaal.

In de jaren negentig trouwde hij met Agnès Hodanger, een vriendelijke, rustige vrouw uit een welgestelde familie in Versailles. Ze kregen vier kinderen: Arthur, Thomas, Anne en Benoît. Het gezin vestigde zich in Nantes, aan boulevard Robert-Schuman 55, in een bescheiden maar ruim huis met een tuin. Xavier presenteerde zich als ondernemer, iemand met connecties en plannen. In werkelijkheid mislukte het ene project na het andere. Hij verkocht internetabonnementen, probeerde een bedrijf in medische apparatuur op te zetten, investeerde in vastgoed dat niets opleverde. Elke mislukking werd gevolgd door een nieuwe belofte, een nieuw verhaal, een nieuwe lening.

Tegen 2010 was de financiële situatie van het gezin rampzalig. Xavier had tienduizenden euro's schuld bij banken, bij vrienden, bij kennissen. Hij leende geld van een minnares, een vrouw met wie hij al jaren een buitenechtelijke relatie onderhield, en schreef haar in januari 2010 een smeekbrief waarin hij haar vroeg om nog eens 25.000 euro, bovenop de 50.000 die hij al had geleend. Agnès wist van de schulden, maar niet van de omvang. De kinderen wisten van niets.

Het gezin leefde in een cocon van leugens. Xavier vertelde zijn vrouw dat hij aan een groot zakelijk project werkte. Hij vertelde zijn vrienden dat het gezin binnenkort naar het buitenland zou verhuizen. Hij vertelde zijn moeder dat alles goed ging. Ondertussen stapelden de aanmaningen zich op en werd de huur al maanden niet meer betaald. De verhuurder had een uitzettingsprocedure gestart. In maart 2011 was het vonnis definitief: het gezin moest het huis verlaten.

Voor Xavier Dupont de Ligonnès was dat het kantelpunt. Niet de schulden zelf, die had hij jarenlang weten te verbergen. Het was de onvermijdelijkheid van ontmaskering. Het moment waarop iedereen zou zien wie hij werkelijk was: geen succesvolle ondernemer, geen adellijke patriarch, maar een man die zijn gezin naar de afgrond had geleid. Criminologen zouden hem later vergelijken met Jean-Claude Romand, de Fransman die in 1993 zijn hele gezin vermoordde nadat achttien jaar lang verborgen was gebleven dat hij nooit arts was geworden. Beide mannen deelden dezelfde pathologie: liever alles vernietigen dan gezichtsverlies lijden.

Ergens in maart 2011 begon Xavier met voorbereidingen die achteraf een ijzingwekkende logica onthulden. Hij kocht zakken ongebluste kalk bij een bouwmarkt, het soort dat wordt gebruikt om ontbinding te versnellen en geur te maskeren. Hij schafte vuilniszakken aan, dik plastic folie, en cement. Hij begon aan de aanleg van een nieuw terras in de achtertuin, een project dat hij aan de buren presenteerde als een lang uitgestelde renovatie. Niemand vond het vreemd. Een man die aan zijn tuin werkt in het vroege voorjaar, wat is daar verdacht aan?

Tegelijkertijd regelde hij een .22 kaliber geweer via zijn jachtvergunning. Hij had al jaren een wapenvergunning en was lid van een schietclub. Het wapen was legaal. De munitie kocht hij in een wapenwinkel, zonder dat iemand een wenkbrauw optrok.

Begin april 2011 begon het gezin te verdwijnen. Niet allemaal tegelijk, dat zou opvallen. Eén voor één stopten de kinderen met naar school gaan. Xavier stuurde e-mails naar hun scholen met excuses: ziekte, familieverplichtingen, een aanstaande verhuizing naar Australië. De school van de dertienjarige Benoît ontving een bericht dat het gezin naar het buitenland vertrok vanwege Xaviers werk. De school van de zestienjarige Anne kreeg een soortgelijk verhaal. Niemand trok het in twijfel. Het was vlak voor de paasvakantie, een logisch moment om te vertrekken.

Agnès stuurde op 3 april een laatste sms naar een vriendin. Daarna werd het stil.

Onderzoekers zouden later vaststellen dat de moorden vermoedelijk plaatsvonden tussen 3 en 5 april 2011. De exacte volgorde is nooit met zekerheid vastgesteld. Wat vaststaat is dat alle vijf de gezinsleden en de twee labradors werden gedood en begraven onder het terras in de achtertuin van boulevard Robert-Schuman 55.

Na de moorden bleef Xavier nog ruim tien dagen in het huis. Tien dagen waarin hij de lichamen begroef, het terras afwerkte, het huis opruimde en een reeks brieven en e-mails verstuurde die bedoeld waren om de illusie van een normaal vertrek in stand te houden.

Hij stuurde berichten naar familieleden en vrienden vanuit de e-mailaccounts van Agnès en de kinderen. Korte, geruststellende berichten: alles is goed, we zijn druk met de verhuizing, we nemen snel contact op. Hij betaalde een paar openstaande rekeningen om geen argwaan te wekken. Hij haalde foto's uit lijstjes en stopte kleding in dozen, alsof het gezin daadwerkelijk aan het inpakken was.

Op 8 april schreef hij een brief die hij naar negen bekenden stuurde. Het was een document van twee pagina's, geschreven in een toon die balanceerde tussen zakelijkheid en waanzin. "Wanneer jullie deze regels lezen," schreef hij, "zullen wij geen Franse staatsburgers meer zijn, maar Amerikaanse ingezetenen." Hij beweerde dat hij was gerekruteerd door de Amerikaanse Drug Enforcement Administration, de DEA, om te getuigen in een groot drugsproces. Het hele gezin moest onderduiken in een getuigenbeschermingsprogramma. Hij gaf gedetailleerde instructies: één vriend moest het appartement komen leeghalen, een ander moest bankzaken regelen, een derde moest kooktoestellen en persoonlijke bezittingen ophalen.

Het was een absurd verhaal. Xavier Dupont de Ligonnès had geen enkele band met de DEA, met drugshandel, of met de Amerikaanse overheid. De brief was een rookgordijn, bedoeld om de periode tussen zijn vertrek en de ontdekking van de lichamen zo lang mogelijk te rekken. En het werkte. De ontvangers van de brief waren verbaasd, sommigen sceptisch, maar niemand belde de politie. Ze kenden Xavier als een charmante, soms excentrieke man met grote verhalen. Dit was gewoon weer zo'n verhaal.

Op 10 april verliet Xavier het huis in Nantes voor het laatst. Hij stapte in zijn zilvergrijze Citroën C5, kenteken 235 CJG 44, en reed naar het zuiden. De volgende dagen legde hij een route af die achteraf nauwkeurig is gereconstrueerd aan de hand van hotelreserveringen, tankbonnetjes en camerabelden.

Hij overnachtte in goedkope hotels langs de snelweg. Hij betaalde contant waar mogelijk. Hij vermeed tolpoorten met automatische kentekenherkenning, althans, dat probeerde hij. Op sommige trajecten werd zijn kenteken toch geregistreerd, wat rechercheurs later in staat stelde zijn route te reconstrueren.

Op 14 april arriveerde hij in Roquebrune-sur-Argens, een klein stadje in de Var, op zo'n 20 kilometer van de kust van de Côte d'Azur. Hij checkte in bij het Hôtel Formule 1, een budgetketen waar een kamer minder dan 30 euro per nacht kostte. Het was het soort hotel waar niemand vragen stelde: een betonnen doos langs de snelweg, met smalle kamers, dunne muren en een automaat voor het inchecken.

Die nacht sliep hij daar. Wat hij deed in die uren is onbekend. Of hij sliep, of hij wakker lag, of hij plannen maakte of juist geen plan meer had, niemand weet het.

De volgende dag, 15 april, om tien over vier 's middags, verliet hij het hotel. De bewakingscamera bij de uitgang legde het moment vast. Hij droeg een zwarte rugzak en een langwerpige kledingzak, waarvan rechercheurs later vermoedden dat die zijn jachtgeweer bevatte. Hij liep naar de parkeerplaats, passeerde zijn Citroën C5 zonder erin te stappen, en liep weg. Richting de rotonde. Richting niets.

De auto bleef achter op de parkeerplaats. In de kofferbak vonden rechercheurs later persoonlijke bezittingen, kaarten van de regio, en aanwijzingen dat hij de omgeving kende. De auto was zijn laatste tastbare achterlating, een stalen getuige op een leeg parkeerterrein.

Zes dagen lang wist niemand wat er was gebeurd. De brieven deden hun werk. Vrienden en familie dachten dat het gezin in Amerika zat. De scholen dachten dat de kinderen waren verhuisd. De buren merkten op dat het stil was in het huis, maar dat was niet ongewoon, het gezin was toch vertrokken?

Het was de werkgever van Agnès die als eerste alarm sloeg. Agnès werkte als hulpkracht bij een katholieke school in Nantes. Toen ze na de paasvakantie niet op haar werk verscheen en niet reageerde op telefoontjes of e-mails, nam haar werkgever contact op met de politie. Op 19 april 2011 opende het parket van Nantes een onderzoek wegens "verontrustende verdwijning" van het gezin Dupont de Ligonnès.

Twee dagen later, op donderdag 21 april, stonden rechercheurs voor het huis aan boulevard Robert-Schuman 55. Ze forceerden de voordeur niet, die was niet op slot. Binnen troffen ze een huis aan dat eruitzag alsof de bewoners halverwege het inpakken waren gestopt en nooit meer waren teruggekomen.

In de keuken stonden borden en bestek nog in de vaatwasser. De koelkast was vrijwel leeg, op een paar potjes jam na. Op de keukenvloer lag een dweil die nog vochtig aanvoelde. In de woonkamer stond een schaakspel opgesteld op de tafel, de stukken halverwege een partij. Twee akoestische gitaren lagen op de bank, alsof iemand ze net had neergelegd. De bedden waren onopgemaakt. Fotolijstjes stonden leeg op de schoorsteenmantel, de foto's waren eruit gehaald. Kasten waren gedeeltelijk leeggeruimd, maar niet helemaal. Overal lagen kleine sporen van een vertrek dat zowel haastig als methodisch leek.

Wat het meest opviel was de stilte. De buren hadden de rechercheurs al verteld dat de tuinpoort normaal altijd dichtsloeg en dat de twee labradors van het gezin bij elk geluid aanslogen. Nu was er niets. Geen geblaf, geen beweging, geen leven. Een van de rechercheurs noteerde in zijn rapport: "De honden blaffen niet meer."

De aandacht van de rechercheurs verschoof naar de achtertuin. Daar lag een vers aangelegd terras, betonplaten op een zandbed, nog niet helemaal afgewerkt. Links van de kelderdeur, onder de rand van het terras, lag een wirwar van tuinspullen: kussens, een gieter, jeu-de-boulesballen, lege blikken, tuingereedschap. Tussen die rommel viel één voorwerp op dat niet bij de rest paste: een hondenvoerbak. De metalen schaal lag half verscholen onder een houten plank, alsof iemand hem bewust had weggestopt.

De rechercheurs begonnen de rommel opzij te schuiven. Daaronder werd een stuk aarde zichtbaar dat er anders uitzag dan de rest van de tuin. De grond was vlak aangedrukt, compacter dan de omliggende aarde, en had een licht grijze verkleuring. Een van de agenten pakte een roestige schop die tegen de tuinmuur stond, vermoedelijk dezelfde schop die was gebruikt om de kuil te graven. Naast de schop lag een houweel waarvan de steel was gebroken.

De eerste schepbewegingen brachten een dunne laag cement aan het licht, niet meer dan een centimeter of twee dik. Het was geen professioneel stortwerk, eerder een haastig aangebrachte afdeklaag, net genoeg om de aarde eronder te verzegelen. De rechercheurs braken het cement open met de punt van het houweel. Daaronder verscheen een laag behangpapier, dan aarde vermengd met een witgrijs poeder dat ze herkenden als ongebluste kalk. De geur die opstijgt was onmiskenbaar. Penetrant, zoet, en misselijkmakend, de geur van ontbinding die zelfs door de kalk niet volledig was gemaskeerd.

Ze groeven verder. Onder de kalk en de aarde verscheen een dikke laag witgroene plastic folie, het soort dat wordt gebruikt als bouwfolie. Ze sneden het open. Daaronder lag een donkerblauw dekbed, samengevouwen en stevig aangedrukt in de kuil. Het dekbed was doorweekt van vocht en aarde. Toen ze het openvouwden, kwamen er zwarte vuilniszakken tevoorschijn, meerdere lagen, stevig dichtgeknoopt.

Om 10 uur 30 die ochtend sneed een rechercheur de eerste vuilniszak open. Wat hij aantrof was het onderbeen van een mens.

Hij stapte achteruit. De schop viel uit zijn handen. Binnen enkele minuten was de tuin afgezet met lint en werd het forensisch team van Nantes opgeroepen. De rechercheurs die de eerste vondst hadden gedaan, stonden buiten het lint, sommigen met hun handen op hun knieën.

Om 11 uur 20 werd naast de kelderdeur, iets rechts van de eerste vindplaats, een tweede grafkuil ontdekt. Hier lag een lichaam gewikkeld in een roze-kleurig laken. De forensisch onderzoekers werkten zich methodisch door de aarde, laag voor laag, zak voor zak. Elke vuilniszak werd gefotografeerd, genummerd en voorzichtig opengesneden. De lichamen lagen dicht op elkaar, in dezelfde kuil, bedekt met dezelfde kalk.

Tegen het einde van de middag waren alle slachtoffers geborgen: Agnès, 49 jaar. Arthur, 20. Thomas, 18. Anne, 16. Benoît, 13. En de twee labradors van het gezin, eveneens in vuilniszakken gewikkeld en begraven naast hun eigenaren.

De lichamen waren zorgvuldig behandeld. Elk was afzonderlijk verpakt in vuilniszakken, bedekt met ongebluste kalk, en begraven onder lagen aarde, plastic folie en cement. Het was geen impulsieve daad gevolgd door paniek. Het was een begrafenis, uitgevoerd met de precisie van iemand die dagen de tijd had genomen.

Het nieuws van de vondst in Nantes verspreidde zich binnen uren door heel Frankrijk. De procureur van Nantes, Xavier Ronsin, gaf diezelfde avond een persconferentie waarin hij bevestigde dat vijf lichamen waren gevonden en dat Xavier Dupont de Ligonnès de hoofdverdachte was. Ronsin voegde er iets opmerkelijks aan toe: hij hield de mogelijkheid open dat de verdachte zelfmoord had gepleegd. "De hypothese van zelfmoord blijft de meest waarschijnlijke," herhaalde hij in de weken die volgden, een standpunt dat steeds moeilijker vol te houden was naarmate er geen lichaam werd gevonden.

Op 10 mei 2011 vaardigde het parket van Nantes een internationaal arrestatiebevel uit tegen Xavier Dupont de Ligonnès, wegens moord op zijn vrouw en vier kinderen. Interpol plaatste hem op de lijst van meest gezochte personen. Zijn foto verscheen op politiebureaus in heel Europa, op luchthavens, in havens, bij grensovergangen.

De zoektocht concentreerde zich eerst op de omgeving van Roquebrune-sur-Argens, de laatste plek waar hij was gezien. Eind april 2011 kamden honderden agenten het gebied uit, ondersteund door speurhonden en helikopters. Ze doorzochten bossen, ravijnen, verlaten gebouwen, en de ruige heuvels van het Massif des Maures. De redenering was simpel: als hij te voet was vertrokken vanuit het hotel, zonder auto, zonder telefoon, dan kon hij niet ver zijn gekomen. Misschien lag hij ergens in de heuvels, dood door eigen hand, met het jachtgeweer dat hij in die kledingzak had meegenomen.

De zoekacties leverden niets op. Geen lichaam, geen wapen, geen kledingstuk, geen rugzak. Niets.

In de maanden en jaren die volgden, groeide de zaak-Dupont de Ligonnès uit tot een van de grootste onopgeloste mysteries van Frankrijk. Niet omdat de feiten onduidelijk waren, het bewijs tegen Xavier was overweldigend, maar omdat de verdachte zelf onvindbaar bleef.

Er kwamen meldingen binnen uit heel Europa en daarbuiten. Iemand had hem gezien in een klooster in Italië. Een ander herkende hem op een markt in Australië. Een derde was er zeker van dat hij in Schotland woonde, onder een valse naam. Elke melding werd onderzocht, elke tip nagetrokken. Geen enkele leidde ergens toe.

In oktober 2019, acht jaar na de moorden, leek er een doorbraak. Op het vliegveld van Glasgow werd een man aangehouden die een opvallende gelijkenis vertoonde met Dupont de Ligonnès. De Franse politie was euforisch. Nieuwszenders onderbraken hun uitzendingen. Maar een DNA-test bracht binnen 48 uur uitsluitsel: het was de verkeerde man. Een Fransman die toevallig op de verdachte leek. De teleurstelling was enorm.

De zaak legde ook een pijnlijke waarheid bloot over de grenzen van modern opsporingswerk. Xavier Dupont de Ligonnès had geen telefoon meer bij zich toen hij het hotel verliet. Hij had contant geld, hoeveel precies is onbekend. Hij had geen digitale voetafdruk meer. In een wereld die draait op data, op transacties, op signalen, was hij een blinde vlek geworden. Een man zonder signaal.

Wat de zaak zo uitzonderlijk maakt, is niet alleen de verdwijning zelf, maar de voorbereiding die eraan voorafging. Xavier Dupont de Ligonnès improviseerde niet. Hij volgde een plan dat weken, misschien maanden van tevoren was uitgedacht.

De ongebluste kalk, de vuilniszakken, het cement, het terras, alles was van tevoren aangeschaft en klaargelegd. De brieven aan scholen, aan vrienden, aan familie, allemaal geschreven en verstuurd volgens een strak tijdschema. De e-mails vanuit de accounts van zijn vrouw en kinderen, zorgvuldig geformuleerd om geen argwaan te wekken. De route naar het zuiden, gepland om detectie te minimaliseren. De keuze voor een budgethotel waar niemand vragen stelde. Het achterlaten van de auto als een dood spoor.

Elk detail paste in een groter geheel. Het was alsof hij zijn eigen verdwijning had geregisseerd als een scenario, compleet met decors, rekwisieten en een cast van nietsvermoedende figuranten. De brief aan zijn negen bekenden, het absurde verhaal over de DEA en het getuigenbeschermingsprogramma, was het sluitstuk. Niet bedoeld om te overtuigen, maar om te vertragen. Om de klok een paar weken vooruit te duwen. Om genoeg tijd te kopen om te verdwijnen.

En dat is precies wat hij deed.

Er zijn grofweg twee theorieën over wat er na 15 april 2011 is gebeurd.

De eerste is dat Xavier Dupont de Ligonnès zelfmoord heeft gepleegd, ergens in de heuvels rond Roquebrune-sur-Argens. Dat hij het bos in liep met zijn jachtgeweer, een plek zocht die afgelegen genoeg was om niet gevonden te worden, en een einde maakte aan zijn leven. Het zou verklaren waarom er nooit meer een spoor van hem is gevonden, geen bankopname, geen telefoonsignaal, geen getuige die hem met zekerheid heeft geïdentificeerd. Het zou ook passen bij het profiel dat criminologen van hem hebben geschetst: een narcist die liever sterft dan ontmaskerd wordt.

De tweede theorie is dat hij nog leeft. Dat hij ergens een nieuw leven is begonnen, onder een valse naam, in een land waar niemand hem kent. Dat hij genoeg contant geld had om de eerste maanden te overleven en daarna een manier heeft gevonden om onder de radar te blijven. Aanhangers van deze theorie wijzen op de zorgvuldigheid van zijn voorbereiding: waarom zou een man die van plan is zelfmoord te plegen zoveel moeite doen om zijn sporen te wissen? Waarom zou hij een route plannen, contant betalen, zijn auto achterlaten als afleidingsmanoeuvre, als het eindpunt toch de dood was?

Beide theorieën hebben zwakke plekken. Als hij dood is, waarom is zijn lichaam dan nooit gevonden, ondanks grootschalige zoekacties? De heuvels rond Roquebrune zijn ruig, maar niet ontoegankelijk. Wandelaars, jagers en boswachters komen er regelmatig. Een lichaam, een wapen, een rugzak, iets had moeten opduiken. Als hij leeft, hoe heeft hij dan veertien jaar lang elke vorm van detectie weten te ontwijken? Zonder paspoort, zonder bankrekening, zonder enig contact met zijn vorige leven?

Het antwoord is: niemand weet het.

De zaak verjaard niet. Naar Frans recht geldt voor moord geen verjaringstermijn. Het internationaal arrestatiebevel tegen Xavier Dupont de Ligonnès is nog altijd van kracht. Zijn foto hangt nog altijd in politiebureaus. Zijn dossier ligt nog altijd open op het bureau van de onderzoeksrechter in Nantes.

In Frankrijk is de zaak uitgegroeid tot meer dan een misdaadverhaal. Het is een cultureel fenomeen geworden, een obsessie die boeken, podcasts, tijdschriftreeksen en eindeloze online discussies heeft voortgebracht. Het Franse tijdschrift Society publiceerde in 2020 een zesdelige serie die de meest gedetailleerde reconstructie tot nu toe bevatte, en die binnen dagen was uitverkocht. Op internetfora analyseren amateurs elke foto, elke brief, elke getuigenverklaring, op zoek naar het detail dat iedereen over het hoofd heeft gezien.

Wat mensen fascineert is niet alleen het raadsel, maar de dubbelheid. Xavier Dupont de Ligonnès was geen buitenstaander, geen eenzaat, geen man met een strafblad. Hij was een vader die zijn kinderen naar school bracht. Een echtgenoot die met zijn vrouw naar de kerk ging. Een buurman die vriendelijk groette over de heg. De mensen die hem kenden, beschreven hem als charmant, sociaal, soms wat opschepperig, maar fundamenteel normaal. Dat is wat de zaak zo verontrustend maakt: niet het monster, maar de normaliteit die het monster verborg.

De bewakingscamera van het Hôtel Formule 1 in Roquebrune-sur-Argens draait nog altijd. Elke dag registreert hij gasten die komen en gaan, koffers die worden ingeladen, auto's die de parkeerplaats op en af rijden. Op 15 april 2011 legde die camera zeventien seconden vast van een man met een rugzak die een rotonde naderde en uit beeld verdween. Het zijn de laatste zeventien seconden van Xavier Dupont de Ligonnès. Daarna is er alleen stilte.

Je hoorde de eerste 2 minuten.

Het hele verhaal duurt 26 min. In de app luister je verder waar je gebleven bent.

Luister verder in de app

De Man Die 17 Seconden Zichtbaar Was, en 14 Jaar Spoorloos

0:002:00 / 26:08