1907 · Dublin Castle, Ierland
De Kluis Stond Open. de Sleutels Hingen Nog om Hun Nek.
In 1907 verdwijnen de Ierse kroonjuwelen uit een zwaar beveiligde kluis in Dublin Castle. Geen braak, wel vernederde autoriteiten, verdachte insiders en een mysterie dat nooit is opgelost.

Op zaterdag 6 juli 1907, even na twee uur 's middags, stond William Stivey met een gouden halsketting in zijn handen voor een stalen kluis in Dublin Castle. De ketting was net bezorgd door een bode van juwelier West and Son, het collier van een overleden ridder van de Orde van Sint-Patrick, dat veilig opgeborgen moest worden bij de rest van de Ierse kroonjuwelen. Stivey, de boodschapper en conciërge van het Office of Arms, had de kluissleutel van zijn meerdere gekregen. Hij stak de glanzende messingsleutel in het ronde slot, draaide hem naar rechts en trok aan de hendel. De deur bewoog niet. Hij draaide de sleutel naar links. Weer niets. Stivey probeerde het opnieuw, nu met beide handen aan de hendel. De kluis bleef dicht. Toen drong het tot hem door. De sleutel vergrendelde de kluis, wat betekende dat iemand hem al eerder had geopend. En niet meer had afgesloten.
Stivey liet de halsketting op tafel vallen en rende de trap op.
Drie verdiepingen hoger, in een kantoor vol eikenhouten kasten en genealogische registers, zat Sir Arthur Vicars achter zijn schrijftafel. Vicars was de Ulster King of Arms, de hoogste heraldische functionaris van Ierland en persoonlijk verantwoordelijk voor de bewaking van de kroonjuwelen. Hij was een man van rituelen: elke ochtend dezelfde wandeling naar het kasteel, elke middag dezelfde pot thee, en aan een zilveren ketting om zijn nek dezelfde sleutel, de enige sleutel die de Ratner-kluis kon openen. De tweede kluissleutel bewaarde hij thuis, verborgen tussen papieren.
Stivey stormde het kantoor binnen en vertelde hijgend wat er was gebeurd. Vicars keek op van zijn papieren. Hij klapte zijn dagboek dicht, stond langzaam op en volgde Stivey naar beneden. In de bibliotheek op de begane grond, een koele, schemerige ruimte met dikke muren en kleine ramen, nam hij de sleutel van Stivey over. Hij zette hem in het slot, draaide, en trok de hendel naar zich toe.
De zware stalen deur zwaaide piepend open.
Binnen lagen de fluwelen etuis precies zoals altijd, keurig gerangschikt op hun planken. Het tissuepapier was netjes gevouwen. De gordijntjes van de kastjes hingen recht. Alles zag eruit alsof er niets was veranderd, behalve dat de etuis leeg waren. De achtpuntige ster, bezet met Braziliaanse diamanten, smaragden en robijnen: weg. De badge van de Orde van Sint-Patrick: weg. Alle vijf de gouden halskettingen van de ridders: weg. Het enige wat nog in de badge-doos lag, was een hemelsblauw zijden lint. De twee minuscule schroefjes waarmee de badge aan het lint had gezeten, waren zorgvuldig losgedraaid en teruggelegd. Wie dit ook had gedaan, had alle tijd van de wereld gehad.
Vicars staarde in de lege kluis. "They're gone," zei hij.
Het was de grootste kunstroof in de Ierse geschiedenis. En het meest verbijsterende eraan was niet wát er was gestolen, maar hóe. Dublin Castle was het best bewaakte gebouw van Ierland. De Times schreef dat er geen plek in heel Dublin was die "more constantly and systematically occupied by soldiers and policemen" was. De New York Times noemde Bedford Tower, waar de kluis stond, "hopeless to effect an entrance unobserved" voor elke inbreker. Bewapende wachters patrouilleerden dag en nacht door de gangen. Politieagenten in donkerblauwe tunieken en hoge hoeden stonden bij elke ingang. Om bij de kluis te komen moest een dief eerst langs de buitendeur van de toren, dan door de deur van de sterke kamer, dan door een tweede binnendeur, en ten slotte het slot van de Ratner-kluis zelf openen, vier barrières, elk met eigen sleutels.
Geen van die deuren vertoonde braaksporen. Geen krassen op de sloten. Geen gebroken scharnieren. Geen ingeslagen ramen. Niets.
Iemand had de juwelen meegenomen alsof hij er recht op had.
Om te begrijpen hoe dat mogelijk was, is het nodig om drie dagen terug te gaan. Op woensdag 3 juli 1907, vroeg in de ochtend, arriveerde schoonmaakster Mrs. Farrell bij het Office of Arms voor haar dagelijkse ronde. Ze duwde tegen de buitendeur van de toren en merkte dat hij al openstond. Dat was ongebruikelijk. Ze liep naar binnen, de trap af naar de sterke kamer. De deur daarvan zat dicht, maar in het slot stak een sleutelbos, niet alleen de sleutel van de sterke kamer, maar ook sleutels van boekenkasten en drukpersen. Iemand had ze daar achtergelaten.
Farrell schreef een korte notitie voor Stivey en legde die bij de sleutels. Toen ze klaar was met schoonmaken, ging ze naar huis. Stivey las het briefje later die ochtend, keek vluchtig rond in de sterke kamer, zag niets verdachts en besloot het aan Vicars te melden. Vicars' reactie was kenmerkend. "Is that so?" zei hij, en ging verder met zijn werk.
Die nonchalance was geen verrassing voor wie Vicars kende. De Ulster King of Arms was een man die zijn verantwoordelijkheden met opmerkelijke lichtzinnigheid droeg. Hij stond erom bekend de kroonjuwelen aan bezoekers te laten zien, niet achter glas, maar in zijn handen, op feestjes, als conversatiestuk. Hij haalde de met diamanten bezette ster uit de kluis om gasten te imponeren en legde hem daarna achteloos terug. Op een avond had Lord Haddo, de zoon van de onderkoning van Ierland, tijdens een drinkgelag de kluissleutel van Vicars' ketting gepikt als grap. Haddo had de juwelen eruit gehaald en ze per post teruggestuurd. Vicars had erom gelachen.
De juwelen die Vicars zo achteloos behandelde, waren allesbehalve onbeduidend. De insignes van de Orde van Sint-Patrick waren in 1831 vervaardigd, deels uit edelstenen die afkomstig waren uit de collectie van koningin Charlotte. De ster alleen al bevatte 394 edelstenen: tientallen zuivere Braziliaanse diamanten, diepgroene smaragden en bloedrode robijnen, gezet in een achtpuntig zilveren frame van ongeveer tien centimeter doorsnee. De vijf riddercolliers waren zwaar verguld goud, elk versierd met juwelen en heraldische emblemen. In hedendaagse waarde zou het ensemble miljoenen euro's waard zijn. Dit was het ceremoniële hart van de Britse kroon in Ierland, en het lag in een kluis waarvan één man de sleutels had, in een gebouw waar die man de juwelen uitleende aan feestgangers.
Maar de timing maakte alles nog erger. Over precies vier dagen, op 10 juli, zou koning Edward VII met koningin Alexandra in Dublin arriveren voor een staatsbezoek. De juwelen zouden ceremonieel worden gebruikt bij de installatie van nieuwe ridders van de Orde van Sint-Patrick. Het was het belangrijkste koninklijke bezoek aan Ierland in jaren, bedoeld om de banden tussen de kroon en het onrustige Ierland te versterken. En nu waren de juwelen verdwenen.
Vicars belde de politie.
De Dublin Metropolitan Police arriveerde binnen het uur. Rechercheurs onderzochten de kluis, de deuren, de ramen, de gangen. Ze vonden niets, geen vingerafdrukken, geen voetsporen, geen gereedschapskrassen. De conclusie was onvermijdelijk: de dief had sleutels gebruikt. Echte sleutels, of uiterst vakkundig nagemaakte kopieën. Er bestonden zeven sleutels voor de buitendeur van Bedford Tower, verdeeld over Vicars, Stivey, Mrs. Farrell en enkele anderen. Voor de deur van de sterke kamer waren er vier sleutels, voor de binnendeur twee. En voor de kluis zelf: twee, beide in het bezit van Vicars.
Het sleutelsysteem was ontworpen als een reeks concentrische ringen van beveiliging. Maar in de praktijk functioneerde het als een keten die zo sterk was als de zwakste schakel, en die schakel was Arthur Vicars. De man die de kluissleutel om zijn nek droeg op feestjes waar hij te veel dronk. De man die de juwelen aan bezoekers liet zien. De man die op 3 juli hoorde dat de buitendeur 's nachts had opengestaan en zei: "Is that so?"
Lees en luister verder
Dit verhaal, en de hele bibliotheek
Met Onverteld lees en beluister je elk verhaal volledig, meteen en zonder wachten. Probeer 7 dagen alles voor € 0,99.
Liever eerst horen hoe het klinkt? Beluister twee minuten van dit verhaal.

