ONVERTELD
← Alle verhalen

1976 · Versailles, Frankrijk

19 Jaar, een Dienstpas, en een Bom onder Versailles

In 1976 hielp een 19-jarige klusjesman die het paleis kende als zijn broekzak twee gewapende mannen Versailles binnen. Minuten later verdwenen een onschatbaar Rembrandt en andere meesterwerken voorgoed.

15 min lezenKunstroofVersaillesRembrandt

Op de avond van 25 juni 1978 sloot het Château de Versailles zijn deuren zoals elke andere dag. De laatste bezoekers schuifelden door de Galerie des Glaces, de bewakers controleerden de zalen, en het paleis viel stil. Buiten kleurde de hemel boven de tuinen van Le Nôtre langzaam donker. De nachtwachten begonnen hun ronde. Alles was precies zoals het hoorde te zijn in het beroemdste paleis ter wereld, een gebouw dat al bijna drie eeuwen overeind stond, dat revoluties, bezettingen en twee wereldoorlogen had overleefd.

Maar ergens in de duisternis van het park, voorbij de fonteinen en de geometrisch geknipte hagen, bewogen twee jonge mannen zich richting de zuidvleugel. Ze droegen geen inbrekerswerktuig. Ze droegen geen kunstkoffers. Ze droegen explosieven.

Hun namen waren Lionel Chenevière en Patrick Montauzier, beter bekend onder zijn Bretonse naam Padrig. Beiden waren begin twintig. Beiden waren lid van het FLB-ARB, het Front de Libération de la Bretagne – Armée Républicaine Bretonne, een militante beweging die streed voor Bretonse autonomie. En beiden hadden die nacht een doel dat niets te maken had met kunst, met diefstal, of met geld. Ze wilden iets vernietigen. Niet een schilderij, niet een beeldhouwwerk, maar een symbool. Het symbool van de Franse staat zelf.

Dit is het verhaal van de nacht waarin twee Bretonse nationalisten het hart van Versailles opbliezen, en daarmee een kettingreactie in gang zetten die niemand had voorzien. Het is geen verhaal over een kunstroof, hoewel de mythe daarvan hardnekkig bleef voortleven. Het is een verhaal over wat er werkelijk gebeurde. Over de schade die miljoenen kostte. Over de restauratie die net was voltooid. Over een commissaris wiens eigen huis later werd opgeblazen. En over twee mannen die vijftien jaar cel kregen, maar na amper drie jaar alweer vrij waren.

Het begint in Bretagne.

In de jaren zeventig was Bretagne een regio in opstand. Niet de gewapende, bloedige opstand die je misschien associeert met het Baskenland of Noord-Ierland, maar een sluimerende, groeiende woede die zich uitte in taalactivisme, culturele festivals, en af en toe, steeds vaker, in explosieven. De Bretonse taal was decennialang onderdrukt door de Franse staat. Kinderen die op school Bretons spraken, werden gestraft. Borden in het Bretons werden verwijderd. De boodschap was helder: Frankrijk was één, ondeelbaar, en Franstalig.

Voor de meeste Bretonnen was dit een bron van frustratie, niet van geweld. Maar voor een kleine kern van activisten was frustratie niet genoeg. Het FLB, opgericht in de jaren zestig, begon met symbolische acties, het opblazen van belastingkantoren, het saboteren van zendmasten. Niemand raakte gewond, althans dat was de bedoeling. De acties waren gericht op gebouwen, op symbolen van de Franse staat, niet op mensen.

Lionel Chenevière en Padrig Montauzier behoorden tot de jongste generatie van deze beweging. Ze waren opgegroeid met verhalen over culturele onderdrukking, over een taal die stierf, over een identiteit die werd uitgewist. En ze hadden besloten dat de wereld moest luisteren. Daarvoor hadden ze een doelwit nodig dat niemand kon negeren.

Versailles was perfect.

Het paleis van Lodewijk XIV was niet zomaar een museum. Het was het ultieme symbool van gecentraliseerde Franse macht, het gebouw van waaruit eeuwenlang over heel Frankrijk was geregeerd, inclusief Bretagne. De Galerie des Batailles, de Zaal der Veldslagen, hing vol met kolossale schilderijen die de militaire triomfen van Frankrijk verheerlijkten. Napoleon te paard. Napoleon gekroond. Napoleon zegevierend. Voor Bretonse nationalisten was dit geen kunst. Dit was propaganda in vergulde lijsten.

Hoe Chenevière en Montauzier precies aan hun explosieven kwamen, is nooit volledig opgehelderd. Wat wel vaststaat, is dat het FLB-ARB in die periode toegang had tot gestolen militaire springstoffen. In de maanden voor de aanslag waren er meerdere diefstallen gemeld uit legeropslagplaatsen in het westen van Frankrijk. Plastic explosieven, compact, krachtig, en relatief eenvoudig te vervoeren.

De twee mannen reisden vanuit Rennes naar Versailles. Een rit van zo'n 350 kilometer, dwars door het hart van Frankrijk. Ze arriveerden op 25 juni 1978, een zondagavond. Het paleis was die dag druk bezocht geweest, duizenden toeristen hadden door de zalen gelopen, foto's gemaakt van de Spiegelzaal, de tuinen bewonderd. Maar tegen middernacht was het terrein verlaten. Alleen de nachtwachten waren nog aanwezig.

De Aile du Midi, de zuidvleugel, was hun doelwit. Hier bevond zich de Galerie des Batailles, een zaal van 120 meter lang, gevuld met 33 monumentale schilderijen die de grote veldslagen van Frankrijk uitbeeldden. De zaal was in 1837 geopend door koning Louis-Philippe, die het paleis had omgevormd tot een museum "gewijd aan alle glorie van Frankrijk." Voor Chenevière en Montauzier was het de perfecte plek om die glorie aan te vallen.

Wat de twee mannen niet wisten, of misschien wel wisten en niet kon schelen, was dat verscheidene zalen in precies dit deel van het paleis net waren gerestaureerd. Weken eerder had president Valéry Giscard d'Estaing de vernieuwde ruimtes officieel geopend. Maanden van minutieus werk door restauratoren, het herstellen van vergulde ornamenten, het reinigen van eeuwenoude schilderijen, het vervangen van versleten boiseries, alles was net klaar. De verf was nauwelijks droog.

Om 2:30 uur in de nacht van 26 juni 1978 plaatsten Chenevière en Montauzier hun lading in de zuidvleugel. De exacte methode waarmee ze het gebouw binnenkwamen, is nooit volledig gereconstrueerd in openbare bronnen. Wat vaststaat, is dat de beveiliging van Versailles in die tijd rudimentair was naar hedendaagse maatstaven. Het paleis was enorm, meer dan 2300 kamers, verspreid over een complex dat zich uitstrekte over honderden meters. De nachtwachten konden onmogelijk overal tegelijk zijn.

De bom was een krachtige militaire lading van plastic explosieven. Ze plaatsten het apparaat op de begane grond van de Aile du Midi, in of nabij de Galerie des Batailles. Daarna verlieten ze het gebouw.

Wat er vervolgens gebeurde, duurde minder dan drie seconden. Maar die drie seconden veranderden het paleis voorgoed.

Om precies 2:30 uur scheurde een oorverdovende knal door de zuidvleugel. De explosie was zo krachtig dat de schokgolf door het hele gebouw trok, door marmeren vloeren, door eeuwenoude muren, door plafonds die al sinds de achttiende eeuw op hun plek zaten. In de Galerie des Batailles trilden de kolossale schilderijen in hun zware vergulde lijsten. Sommige lijsten braken. Doeken scheurden. Verf barstte.

Het plafond boven het epicentrum stortte in. Massieve eikenhouten balken, gipsornamenten, vergulde sierpanelen, alles kwam naar beneden. De lambriseringen langs de muren speten doormidden alsof ze van karton waren. Antieke kandelaars, die generaties lang de zalen hadden verlicht, werden van hun houders geslagen en kletterden op de marmeren vloer. Porseleinen ornamenten explodeerden in duizenden scherven. Salontafels, klapstoelen, houtbewerkte panelen, het meubilair dat zorgvuldig was geplaatst en onderhouden sinds de negentiende eeuw, werd vermorzeld onder vallend puin.

De ramen aan de zuidzijde van de vleugel sprongen uit hun sponningen. Glas regende naar buiten, over de keurig onderhouden paden van het park. Binnen vulde een dikke stofwolk de zaal binnen luttele seconden, kalkpoeder, vergruisd gips, houtsplinters, alles zweefde door de lucht in een verstikkende grijze nevel.

Een nachtwacht op de bovenste verdieping werd tegen de grond geworpen door de schokgolf. Hij lag tussen het puin, bedekt met stof en kleine brokstukken, en probeerde te begrijpen wat er was gebeurd. Sneetjes in zijn handen en gezicht. Blauwe plekken op zijn armen en benen. Maar hij leefde. Omdat het museum gesloten was en er geen bezoekers in het gebouw waren, vielen er geen andere gewonden. Het was puur geluk, of puur berekening. De daders hadden bewust het nachtelijke uur gekozen.

Binnen enkele minuten stond de gendarmerie voor het paleis. Omwonenden hadden de explosie gehoord, een geluid dat kilometers ver droeg in de stille zomernacht. De eerste agenten die de zuidvleugel betraden, troffen een apocalyptisch tafereel aan. Drie vertrekken op de begane grond waren volledig vernietigd. De Galerie des Batailles, die trotse zaal van 120 meter, was zwaar beschadigd over een groot deel van haar lengte. In totaal waren een tiental zalen getroffen.

Lees en luister verder

Dit verhaal, en de hele bibliotheek

Met Onverteld lees en beluister je elk verhaal volledig, meteen en zonder wachten. Probeer 7 dagen alles voor € 0,99.

Liever eerst horen hoe het klinkt? Beluister twee minuten van dit verhaal.

Je hoorde de eerste 2 minuten.

Het hele verhaal duurt 20 min. Met Onverteld luister je alles af, en staat je hele bibliotheek meteen open. Al lid? Log in

Probeer 7 dagen voor € 0,99

19 Jaar, een Dienstpas, en een Bom onder Versailles

0:002:00 / 20:04