1908 · La Porte, Indiana, Verenigde Staten
De Weduwe Die Mannen Opat en Zichzelf Begroef
Toen de mysterieuze oplichtster en vermoedelijke moordenaar Belle Gunness in 1908 leek om te komen bij een brand op haar boerderij in Indiana, begon een van Amerika’s gruwelijkste en vreemdste true-crime-raadsels.

Op 13 januari 1908 zat een vrouw aan een eikenhouten bureau in La Porte, Indiana, en schreef een liefdesbrief. Haar handschrift was sierlijk, de woorden zorgvuldig gekozen. "To the Dearest Friend in the World," begon ze. "Geen vrouw in de wereld is gelukkiger dan ik. Mijn hart bonkt wild van extase voor jou, mijn Andrew. Ik hou van je. Kom gereed om voor altijd te blijven."
De vrouw die deze woorden schreef heette Belle Gunness. Ze was geboren als Brynhild Paulsdatter Størseth in een klein Noors vissersdorp, en ze woog ruim 95 kilo. Haar handen waren breed als kolenschoppen. Ze kon een varken tillen alsof het een zak meel was. En de man aan wie ze schreef: Andrew Helgelien, een eenzame landbouwer uit North Dakota, zou precies doen wat ze vroeg. Hij zou komen. Hij zou geld meenemen. En hij zou inderdaad voor altijd blijven.
Maar niet op de manier die hij zich had voorgesteld.
De volgende dag, 14 januari 1908, stapte Andrew Helgelien de La Porte Savings Bank binnen. Hij droeg een zwart leren aktetas. Achter het loket overhandigde hij een cheque ter waarde van 2.893 dollar, zijn volledige spaargeld, bij elkaar geschraapt in decennia van graanoogsten op de vlaktes van North Dakota. Belle stond naast hem. Ze torende boven de bankbediende uit, gekleed in een glanzend zwart dameskostuum met satijnen kraag. Ze glimlachte terwijl Andrew het geld liet overschrijven.
Die avond verdween Andrew Helgelien. Zijn broer Asle, die in North Dakota op bericht wachtte, hoorde wekenlang niets. Geen brief, geen telegram, geen teken van leven. Het was alsof Andrew van de aardbodem was weggevaagd.
Maar Andrew was niet de eerste man die verdween na een bezoek aan de boerderij van Belle Gunness. Hij was ook niet de tweede, of de derde. In de jaren voorafgaand aan die januaridag had Belle tientallen advertenties geplaatst in Scandinavisch-Amerikaanse kranten door het hele Midwest. De tekst was steeds een variatie op hetzelfde thema: een welgestelde weduwe met een bloeiende boerderij zocht een betrouwbare, gefortuneerde man om haar leven mee te delen. "Rustieke boerderij, beheerste weduwe zoekt gefortuneerde man," luidde een van haar oproepen. De mannen die reageerden deelden twee eigenschappen: ze waren eenzaam, en ze hadden spaargeld.
Een voor een kwamen ze naar La Porte. Een voor een verdwenen ze.
George Anderson uit Missouri was een van de weinigen die het overleefde. Hij reisde in 1907 naar de Gunness-boerderij, gelokt door een van Belle's advertenties. De eerste avond leek alles normaal, een stevig diner, beleefd gesprek, plannen voor de toekomst. Maar midden in de nacht werd Anderson wakker in het donker. Boven hem boog Belle zich voorover, een brandende kaars in haar hand. Het flakkerende licht wierp schaduwen over haar gezicht. "De uitdrukking op haar gezicht was zo sinister en moordlustig dat ik een luide kreet slaakte," verklaarde Anderson later. Belle vluchtte de kamer uit. Anderson sprong in zijn kleren, rende het huis uit, en nam de eerstvolgende trein terug naar Missouri. Hij keek niet om.
Anderson was een uitzondering. De meeste mannen die Belle's drempel overstapten, verlieten die nooit meer.
Het 43 hectare grote boerenerf aan de McClung Road lag aan de rand van La Porte, een stadje van nog geen tienduizend inwoners in het noorden van Indiana. De boerderij had een wit houten woonhuis met twee verdiepingen, een rode schuur, een kippenhok en een varkensstal. Rondom strekten zich akkers uit tot aan de horizon. Het was het soort plek waar buren een kilometer verderop woonden en niemand hoorde wat er 's nachts gebeurde.
Belle had de boerderij in 1901 gekocht, kort na de dood van haar tweede echtgenoot, Peter Gunness. Peter was omgekomen toen een zware vleesmolen van een plank op zijn schedel viel, althans, dat was het verhaal dat Belle aan de lijkschouwer vertelde. De verzekeringsmaatschappij keerde uit. Haar eerste echtgenoot, Mads Sorenson, was in 1900 gestorven op de enige dag dat twee levensverzekeringen tegelijk geldig waren. De arts noteerde hartfalen. De symptomen, krampen, braken, geleidelijk orgaanfalen, pasten ook bij arsenicumvergiftiging, maar niemand vroeg om een autopsie.
Met het verzekeringsgeld van twee dode echtgenoten begon Belle haar nieuwe leven in La Porte. Ze nam haar twee dochters mee: Myrtle en Lucy Sorenson, en adopteerde later een meisje genaamd Jennie Olson en een jongen, Philip Gunness. Naar buiten toe was ze een hardwerkende alleenstaande moeder die haar boerderij draaiende hield. Naar binnen toe was ze iets heel anders.
In de lente van 1908 werkte een man genaamd Ray Lamphere als knecht op de boerderij. Lamphere was een magere, rusteloze figuur met een drankprobleem en een obsessieve gehechtheid aan Belle. Hij had eerder als haar vaste hulp gewerkt, maar Belle had hem ontslagen nadat Andrew Helgelien arriveerde. Lamphere reageerde met jaloezie. Hij hing rond het erf, volgde Belle naar de stad, en maakte dreigende opmerkingen tegen buren. Op een avond zei hij tegen een kennis: "Helgelien zal mij niet meer lastig vallen. We hebben hem voorgoed kamp klaargezet."
Belle reageerde door op 27 april 1908, één dag voor de brand, naar het kantoor van advocaat M.E. Leliter te gaan. Ze liet een testament opstellen. Alles moest naar haar kinderen. Ze vertelde Leliter dat ze bang was voor Lamphere, dat hij haar bedreigde, dat ze vreesde voor haar leven. De advocaat noteerde haar woorden zorgvuldig.
Diezelfde avond ging Belle naar bed in het witte houten huis aan de McClung Road. In het huis sliepen ook haar drie kinderen: Myrtle, elf jaar oud; Lucy, negen; en Philip, vijf. Op de bovenverdieping lag Joe Maxson, de nieuwe knecht die Lamphere had vervangen. Maxson was een rustige, onopvallende man die pas een paar weken op de boerderij werkte.
Wat er die nacht precies gebeurde, weet niemand met zekerheid. Maar om vier uur in de ochtend van 28 april 1908 werd Joe Maxson wakker van een geur die zijn keel dichtkneep.
Rook. Niet de vertrouwde geur van houtvuur in de kachel, maar iets scherpers, bijtend, chemisch, met de prikkelende ondertoon van brandende verf en kerosine. Maxson schoot overeind in bed. De kamer was donker, maar langs de randen van de deur kroop een oranje gloed naar binnen. Hij hoestte, zijn ogen traanden. De lucht was al zo dik dat hij nauwelijks kon ademen.
Hij zwaaide zijn benen uit bed. De houten vloer onder zijn blote voeten voelde nog koel, het vuur was ergens beneden, of in de gang. Hij strompelde naar de deur en greep de koperen knop. Die was warm, maar niet heet. Hij duwde.
Achter de deur was de gang een vlammenzee. Het vuur had de traphal volledig in bezit genomen. Vlammen likten langs het plafond, roodoranje tongen die het behang verschroeiden en zwarte rookwolken naar boven joegen. De hitte sloeg Maxson in het gezicht als een vuist. Hij deinsde achteruit, zijn arm voor zijn ogen.
"Gunness!" schreeuwde hij. "Myrtle! Lucy!"
Geen antwoord. Alleen het geraas van het vuur, het knappen van hout, het rinkelen van berstend glas, het diepe, holle gebrul van vlammen die zuurstof vraten. De gang was onbegaanbaar. De trap naar beneden bestond niet meer.
Maxson sloeg de deur dicht. De rook drong nu ook zijn kamer binnen, dikke slierten die langs het plafond kropen. Hij had seconden, misschien een minuut. Hij rende naar het raam, rukte het open. Koude nachtlucht stroomde naar binnen, fris, bijna schokkend na de verstikkende hitte. Twee verdiepingen lager lag het donkere erf, nauwelijks zichtbaar in het flakkerende schijnsel van de brand.
Lees en luister verder
Dit verhaal, en de hele bibliotheek
Met Onverteld lees en beluister je elk verhaal volledig, meteen en zonder wachten. Probeer 7 dagen alles voor € 0,99.
Liever eerst horen hoe het klinkt? Beluister twee minuten van dit verhaal.



