1912 · Opelousas / Swayze Lake, Louisiana, Verenigde Staten
Bobby Dunbar (1912–2004): de Jongen Die Twee Keer Verdween
In 1957 verdween de zesjarige Bobby Dunbar in de VS. Een man werd veroordeeld voor ontvoering, maar decennia later toonde DNA dat de ‘teruggevonden’ jongen waarschijnlijk iemand anders was.

Op 23 augustus 1912 hing de lucht boven Swayze Lake als een natte deken. Het was het soort hitte waarbij zelfs de krekels hun best deden om stil te blijven, waarbij het moeras rond Opelousas, Louisiana, dampte als een ketel op een fornuis. Percy Dunbar, een verzekeringstussenpersoon met een keurig gestreken overhemd dat allang doorweekt was van het zweet, sjorde de visgerei van de achterkant van hun rijtuig. Zijn vrouw Lessie spreidde een laken uit over de ruwe houten tafel van een cabine aan de bosrand. Hun twee zoontjes, de 4-jarige Bobby en zijn jongere broertje Alonzo, renden blootsvoets over de modderige oever. Bobby droeg een strohoedje dat te groot was voor zijn hoofd. Het zakte steeds over zijn ogen.
Swayze Lake was geen idyllisch vakantiewater. Het meer lag ingebed in een landschap van drijfzand, ondoordringbaar riet en donkere cipressenbossen waarvan de wortels als klauwen uit het water staken. Alligators gleden geruisloos door het grauwbruine water. Een gammele spoorbrug overspande een deel van het moeras, de planken zo verrot dat volwassenen er niet overheen durfden te lopen.
Ergens tussen het uitpakken van de lunch en het eerste uitwerpen van de vishengel verdween Bobby Dunbar.
Niemand hoorde een kreet. Niemand zag een vreemde. Het ene moment rende de jongen nog rond, het volgende moment was hij weg. Lessie vond zijn strohoedje op de grond, kriskras neergegooid alsof iemand het van zijn hoofd had getrokken. Verder niets, behalve een reeks kleine, blote voetafdrukken in de modder. De afdrukken leidden richting de oude spoorbrug en hielden daar op.
Percy rende het moeras in. Hij schreeuwde Bobby's naam tot zijn stem brak. Lessie greep Alonzo vast en drukte hem tegen zich aan terwijl ze naar de boomgrens staarde. De schaduwen tussen de cipressen bewogen niet. Het water kabbelde zachtjes. Ergens in de verte klonk het diepe, rollende gebrom van een alligator.
Tegen de avond was heel Opelousas in rep en roer. Percy had de lokale sheriff gewaarschuwd, die op zijn beurt een oproep deed aan alle beschikbare mannen in St. Landry Parish. Fakkels flikkerden tussen de bomen. Stemmen galmden over het water. De zoektocht naar Bobby Dunbar was begonnen, een zoektocht die acht maanden zou duren, een heel land zou beroeren, en een vraag zou opwerpen die pas bijna een eeuw later beantwoord zou worden.
De dagen na Bobby's verdwijning transformeerden Swayze Lake in een operatieterrein. Honderden vrijwilligers uit Opelousas en omliggende dorpen ploeterden door de zeekleibodem, tot hun knieën in het slib. Ze hakten zich een weg door rietkragen met machetes. Ze doorzochten holle boomstammen en tuurden in de donkere gaten onder de spoorbrug. Het water was zo troebel dat een lichaam op een halve meter diepte al onzichtbaar zou zijn.
Percy Dunbar weigerde te accepteren dat zijn zoon verdronken was. De voetafdrukken leidden weg van het water, niet ernaartoe. Iemand had Bobby meegenomen, daar was hij van overtuigd. Daarom schakelde hij een recherchebureau in dat duizenden flyers liet drukken. Op elke flyer stond Bobby's foto naast een beschrijving die zo precies was dat alleen een vader hem kon hebben opgesteld: "Grote ronde blauwe ogen, licht haar dat donker wordt, heel blank met rozerode wangen. Grote teen links ernstig verbrand." De flyers werden verspreid over vier staten, van Oost-Texas tot Florida.
De inwoners van Opelousas bundelden hun spaargeld. De beloning voor informatie over Bobby begon bij 1000 dollar, een fortuin in 1912, genoeg om een huis te kopen, en groeide in de weken daarna tot 6000 dollar. "Geen verdere vragen gesteld," stond er op de posters. De boodschap was helder: breng de jongen terug, hoe dan ook.
Maar de vrijwilligers bij het meer gaven de hoop niet op dat Bobby nog in het water lag. In de broeierige septemberhitte namen ze hun toevlucht tot methoden die de wanhoop verrieden. Mannen met bijlen en schoppen sneden de buiken open van alligators die in de buurt van het meer waren gevangen, op zoek naar menselijke resten. Anderen rolden staven dynamiet het water in. De explosies deden het meer opborrelen als een kookpot, en de schokgolven moesten een eventueel lichaam naar de oppervlakte drijven. Na elke knal staarden tientallen ogen naar het wateroppervlak. Elke keer dreef er niets omhoog behalve modder en dode vissen.
De lokale kranten van Louisiana noemden de verdwijning "de misdaad van het jonge twintigste-eeuwse tijdperk." Het verhaal verspreidde zich via telegraaflijnen naar kranten in heel Amerika. Een 4-jarig jongetje, verdwenen bij een alligatorenmeer in het diepe zuiden, het was het soort verhaal dat lezers deed huiveren bij hun ontbijtkoffie. Wekenlang verschenen er updates op de voorpagina's. Elke keer hetzelfde bericht: geen spoor van Bobby Dunbar.
De maanden kropen voorbij. September werd oktober, oktober werd december. De vrijwilligers keerden terug naar hun boerderijen en winkels. De fakkels bij Swayze Lake doofden. Percy bleef flyers versturen, maar de antwoorden die binnenkwamen leidden steeds naar doodlopende wegen, een jongen in Texas die te oud bleek, een kind in Alabama dat een ander vermist kind was. Lessie Dunbar bewoog zich door het huis als een schim. Ze waste Bobby's kleren en legde ze gevouwen in zijn kast, alsof hij elk moment kon thuiskomen.
Acht maanden na de verdwijning, in april 1913, reed een politieagent over een stoffige zandweg in de buurt van Hub, Mississippi, een gehucht zo klein dat het nauwelijks op de kaart stond. Voor hem uit klepperde een verroeste tentkar, het soort voertuig dat rondtrekkende ambachtslieden gebruikten om hun gereedschap te vervoeren. Op de bok zat een magere man met een verweerd gezicht en naast hem een jongetje van een jaar of vijf.
De agent hield de kar staande. Het was een routinecontrole, in die tijd werden rondtrekkers regelmatig aangehouden, maar toen hij het kind bekeek, stokte zijn adem. Het jongetje had grote, ronde blauwe ogen. Licht haar dat aan het donker worden was. Bleke huid met rozerode wangen. De agent had weken eerder een van Percy Dunbars flyers gezien op het prikbord van het postkantoor in Columbia, Mississippi. De beschrijving klopte tot in de kleinste details.
De man op de bok heette William Cantwell Walters. Hij was een rondtrekkende handyman die piano's en orgels repareerde en stemde, het soort ambachtsman dat van dorp naar dorp trok en bij boerderijen aanklopte voor werk. Walters reageerde kalm op de vragen van de agent. Het jongetje was niet Bobby Dunbar, zei hij. Dit was Bruce Anderson, de zoon van een vrouw genaamd Julia Anderson uit North Carolina. Julia had hem toestemming gegeven om op de jongen te passen terwijl zij werk zocht.
De agent geloofde hem niet. Op 13 april 1913 werd Walters gearresteerd nabij Columbia, Mississippi, en samen met het kind overgebracht naar de lokale gevangenis. Een telegram schoot door de draden naar Opelousas: er was een jongen gevonden die op Bobby Dunbar leek.
Percy en Lessie Dunbar namen de eerste trein naar Mississippi.
Wat er vervolgens gebeurde in dat kleine politiebureau zou de kern worden van een raadsel dat generaties lang zou voortduren. Het was avond toen de Dunbars arriveerden. De gang van het bureau was spaarzaam verlicht door olielampen die schaduwen wierpen op de kale muren. Achter een deur lag het kind te slapen op een veldbed.
Lessie vroeg of ze de jongen alleen mocht zien. De deur ging open. Ze liep naar het bed en keek neer op het slapende gezicht. Acht maanden lang had ze dit moment gedroomd, het moment waarop ze haar zoon zou terugvinden. Maar wat ze zag, bracht haar niet de onmiddellijke zekerheid die ze had verwacht. Het kind was vuil, mager, en zijn haar was korter geknipt dan Bobby het had gedragen. Zijn gezicht was gebruind door maanden in de zon.
Lessie deed iets wat in de krantenverslagen van die tijd uitvoerig werd beschreven. Ze vroeg om warm water en zeep. In de geïmproviseerde wasruimte van het politiebureau kleedde ze het kind uit en waste hem van top tot teen. Ze schrobde de modder van zijn huid, spoelde het stof uit zijn haar. Met haar vingers onderzocht ze elke centimeter van zijn lichaam, op zoek naar de littekens en moedervlekken die ze kende van haar eigen zoon. Ze voelde aan zijn linkervoet, waar Bobby's grote teen ooit ernstig verbrand was geraakt. De huid daar was verkleurd en rimpelig. Ze streek langs een vlek op zijn nek.
Toen rechtte ze haar rug, draaide zich om naar de agenten die in de deuropening stonden, en sprak vier woorden: "Dank God, het is mijn jongen."
Direct daarna zakte ze in elkaar. Haar knieën klapten tegen de koude planken van de vloer. Percy, die achter de agenten had staan wachten, drong zich naar voren en ving haar op. Het kind, wakker geschrokken door de commotie, staarde met grote ogen naar de vreemde vrouw die bewusteloos op de grond lag en de man die haar overeind probeerde te trekken.
Lees en luister verder
Dit verhaal, en de hele bibliotheek
Met Onverteld lees en beluister je elk verhaal volledig, meteen en zonder wachten. Probeer 7 dagen alles voor € 0,99.
Liever eerst horen hoe het klinkt? Beluister twee minuten van dit verhaal.



