ONVERTELD
← Alle verhalen

1925 · Parijs, Frankrijk

De Verkoper van de Eiffeltoren

In 1925 deed oplichter Victor Lustig zich voor als topambtenaar, overtuigde schroothandelaren dat de Eiffeltoren gesloopt zou worden en verkocht het monument aan de hoogste bieder.

17 min lezenVictor LustigEiffeltorenOplichting

Op een ochtend in het voorjaar van 1925 vouwde een man in een Parijse hotelkamer een krant open en las een kort bericht dat zijn leven zou veranderen. Het artikel, amper een kolom breed, beschreef de deplorabele staat van de Eiffeltoren. Het onderhoud kostte de stad Parijs handenvol geld. De verf bladderde. De ijzeren liggers vertoonden roestplekken. Er waren zelfs stemmen in de gemeenteraad die openlijk vroegen of het niet verstandiger was om het hele gevaarte te slopen.

De man die het artikel las heette Victor Lustig. Hij was 35 jaar oud, sprak vijf talen vloeiend, en had geen vast adres, geen vast beroep en geen enkel scrupule. Wat hij wél had, was een idee.

Victor Lustig werd geboren in 1890 in Hostinné, een stadje in Bohemen dat destijds tot het Oostenrijk-Hongaarse Rijk behoorde. Over zijn jeugd is weinig met zekerheid bekend, behalve dat hij al vroeg ontdekte dat hij een uitzonderlijk talent bezat: hij kon mensen laten geloven wat hij wilde. Als tiener reisde hij door Europa en leerde de fijne kneepjes van het kaartspel op transatlantische stoomschepen, waar rijke Amerikanen en Europese aristocraten hun verveling verdreven met poker. Tegen de tijd dat hij dertig was, had Lustig tientallen aliassen gebruikt, was hij in meerdere landen gezocht, en droeg hij een litteken op zijn gezicht, naar verluidt het resultaat van een ruzie met een jaloerse echtgenoot.

Maar kaartspel en kleine zwendel bevredigden hem niet langer. Lustig wilde iets groters. Iets dat de wereld nog nooit had gezien.

Die ochtend in Parijs, met de krant opengevouwen op het bed van zijn hotelkamer, vond hij het.

De Eiffeltoren was in 1925 geen geliefd monument. Dat klinkt vreemd voor iedereen die de toren kent als het symbool van Parijs, maar in de eerste decennia van haar bestaan was ze omstreden. Toen Gustave Eiffel haar in 1889 bouwde voor de Wereldtentoonstelling, tekenden driehonderd prominente Fransen, schrijvers, kunstenaars, architecten, een petitie tegen wat zij noemden "deze belachelijke fabriekstoren die Parijs ontsiert." De schrijver Guy de Maupassant at naar verluidt elke dag in het restaurant van de toren, niet omdat hij er zo van genoot, maar omdat het de enige plek in Parijs was vanwaar hij het bouwwerk niet hoefde te zien.

De toren was oorspronkelijk bedoeld als tijdelijke constructie. Na twintig jaar zou ze worden afgebroken. Dat ze bleef staan, had ze te danken aan haar bruikbaarheid als zendmast voor radiotelegrafen, niet aan publieke liefde. En nu, in 1925, twee jaar na het overlijden van Gustave Eiffel zelf, laaide het debat weer op. De 7000 ton ijzer vergde constant onderhoud. Elke zeven jaar moest de complete toren opnieuw worden geschilderd, een klus die maanden duurde en een fortuin kostte. De stad Parijs zuchtte onder de rekeningen.

Lustig las dit alles en zag geen probleem. Hij zag een kans.

Binnen enkele dagen had Lustig zijn plan uitgewerkt. Hij nam zijn intrek in het Hôtel de Crillon, een van de meest prestigieuze hotels van Parijs, gelegen aan de Place de la Concorde. De keuze was niet toevallig. Het Crillon was oorspronkelijk gebouwd als paleis in opdracht van Lodewijk XV. De marmeren lobby's, de vergulde spiegels, de kristallen kroonluchters, alles ademde staatsgezag. Wie hier resideerde, was iemand van belang.

Lustig had een handlanger meegebracht, een man die in verschillende bronnen wordt aangeduid als "Dan Collins" of "Dapper Dan", vermoedelijk een alias. Collins speelde de rol van secretaris. Samen richtten ze een hotelkamer in als kantoor. Op de schrijftafel lagen stapels documenten, elk voorzien van het briefhoofd van het Ministère des Postes et Télégraphes, het Franse ministerie dat destijds verantwoordelijk was voor de Eiffeltoren als zendmast. De briefhoofden waren vervalst, de stempels nagemaakt, de handtekeningen gefingeerd. Lustig had een vervalser ingehuurd die het wapenschild van de Franse Republiek tot in het kleinste detail had nagebootst, compleet met watermerk en lakzegel.

Vervolgens stelde Lustig een lijst samen van zes prominente schroothandelaren in de regio Parijs. Dit waren mannen die fortuin hadden gemaakt met de handel in oud metaal, precies het soort ondernemers dat geïnteresseerd zou zijn in 7000 ton ijzer. Lustig stuurde elk van hen een brief op het vervalste ministeriële briefpapier. De toon was formeel en dringend. De heren werden uitgenodigd voor een vertrouwelijke bijeenkomst in het Hôtel de Crillon betreffende een overheidsopdracht van uitzonderlijk belang. Discretie was vereist.

Geen van de zes weigerde.

Op de afgesproken dag arriveerden de schroothandelaren in de lobby van het Crillon. Ze werden door Collins begeleid naar een privésalon op de eerste verdieping, een ruimte met hoge plafonds, eikenhouten lambrisering en zware fluwelen gordijnen die het straatgeluid van de Place de la Concorde buitensloten. Op de tafel stonden kristallen glazen en een fles champagne. Aan het hoofd van de tafel zat Victor Lustig.

Hij stelde zich voor als plaatsvervangend directeur-generaal van het Ministerie van Post en Telegrafie. Zijn pak was onberispelijk gesneden. Zijn das zat perfect. Zijn houding straalde het soort verveelde autoriteit uit dat alleen hoge ambtenaren bezitten, het gezag van iemand die gewend is dat anderen naar hem luisteren. Collins stond naast hem, een leren map onder de arm, klaar om documenten aan te reiken.

Lustig begon te spreken. Zijn Frans was vloeiend, zijn toon ingetogen. Hij vertelde de aanwezigen dat de Franse regering voor een pijnlijk besluit stond. De Eiffeltoren, hij pauzeerde even, alsof het hem moeite kostte het uit te spreken, de Eiffeltoren zou worden afgebroken. De onderhoudskosten waren onhoudbaar geworden. De publieke opinie was verdeeld. De regering wilde de kwestie snel en discreet afhandelen, zonder politiek tumult. Daarom was besloten de toren als schroot te verkopen aan een private partij, via een gesloten aanbesteding.

Hij liet de woorden zakken. De mannen aan tafel keken elkaar aan. Sommigen fronsten. Anderen leunden naar voren.

Lustig benadrukte nogmaals dat absolute geheimhouding vereist was. Als de pers hier lucht van kreeg, zou het een politiek schandaal worden. De heren begrepen dat ongetwijfeld. Hij opende een dossier en schoof technische tekeningen over de tafel, diagrammen van de torenfundering, specificaties van het gebruikte puddelijzer, schattingen van het totale gewicht. Collins deelde kopieën uit van wat eruitzag als een officieel aanbestedingsdocument.

De schroothandelaren bestudeerden de papieren. Ze stelden vragen. Lustig beantwoordde ze allemaal met de kalme precisie van iemand die dit dossier al maanden beheerde. Toen stelde hij voor om de toren te gaan bezichtigen.

Een zwarte limousine met een discreet embleem op de motorkap stond voor het hotel te wachten. Lustig en Collins stapten in met de zes handelaren. De auto reed door de brede lanen van Parijs, langs de Seine, richting het Champ de Mars. Bij de voet van de toren stapte het gezelschap uit.

Het was een heldere lentedag. De zon wierp lange schaduwen over het gras. De Eiffeltoren rees driehonderd meter boven hen uit, een wirwar van ijzeren liggers en klinknagels die in het middaglicht een rossige gloed hadden. Lustig toonde zijn vervalste identiteitsbewijs bij de toegangspoort en leidde de groep naar binnen alsof hij er dagelijks kwam.

Terwijl ze langs de zware steunpilaren liepen, wees Lustig op roestplekken langs de liggers. Hij tikte met zijn knokkels op een bout die losser zat dan hij hoorde te zitten. Hij liet zijn hand over een stalen balk glijden en toonde de mannen de roestschilfers op zijn vingertoppen. "Ziet u dit?" zei hij zacht. "Dit is wat de regering elke dag ziet. Een monument dat zichzelf opvreet." Hij wees omhoog, naar een sectie waar de verf in lange repen losliet. Het schurende geluid van een onderhoudslift vulde de stilte.

De mannen keken omhoog en zagen wat Lustig wilde dat ze zagen: geen icoon, maar een verouderd stalen skelet dat smeekte om ontmanteling. De Citroën-reclame die in enorme letters op de toren was aangebracht, een commerciële noodgreep om de onderhoudskosten te dekken, versterkte het beeld. Dit was geen trots nationaal symbool. Dit was een geldverslindend probleem.

Lees en luister verder

Dit verhaal, en de hele bibliotheek

Met Onverteld lees en beluister je elk verhaal volledig, meteen en zonder wachten. Probeer 7 dagen alles voor € 0,99.

Liever eerst horen hoe het klinkt? Beluister twee minuten van dit verhaal.

Je hoorde de eerste 2 minuten.

Het hele verhaal duurt 24 min. Met Onverteld luister je alles af, en staat je hele bibliotheek meteen open. Al lid? Log in

Probeer 7 dagen voor € 0,99

De Verkoper van de Eiffeltoren

0:002:00 / 24:16