1951 · HMCS Cayuga, voor de kust van Korea / Canada
Nep-Chirurg op een Oorlogsschip, Verraden door Zijn Eigen Succes
In 1951 opereerde bedrieger Ferdinand Demara zonder medische opleiding gewonde soldaten op een Canadees oorlogsschip, en kwam er verbijsterend lang mee weg.

Op 15 juni 1951 liep een breedgeschouderde man van begin dertig over de kade van de marinebasis Esquimalt, aan de westkust van Canada. Hij droeg het donkerblauwe uniform van een officier van de Royal Canadian Navy, met op zijn mouw de rangstrepen van een Surgeon Lieutenant. Onder zijn arm klemde hij een leren map met documenten: een artsendiploma, een licentie om geneeskunde te beoefenen, en een aanstellingsbrief van de Canadese marine. Alles stond op naam van dr. Joseph C. Cyr.
De man die de loopplank van HMCS Cayuga opliep, heette echter geen Joseph Cyr. Hij had nooit een universiteit bezocht. Hij had nooit een medische opleiding gevolgd. Hij had zelfs nooit een middelbareschooldiploma behaald. Zijn werkelijke naam was Ferdinand Waldo Demara Jr., een Amerikaans staatsburger uit Lawrence, Massachusetts, en hij stond op het punt om scheepsarts te worden op een oorlogsschip dat binnen drie dagen zou vertrekken naar de Koreaanse Oorlog.
Het was het begin van een van de meest opmerkelijke bedriegerijen uit de twintigste-eeuwse militaire geschiedenis, een verhaal waarin een man zonder enige medische kennis levensreddende operaties zou uitvoeren op een slagveld, geprezen zou worden als held, en uiteindelijk ten val zou komen door zijn eigen succes.
Ferdinand Demara groeide op in een katholiek arbeidersgezin in Lawrence, een textielstad in het noordoosten van Massachusetts. Zijn vader verloor tijdens de Grote Depressie zijn bioscoop en het gezin gleed af naar armoede. Op zijn zestiende liep Ferdinand weg van huis. Hij meldde zich bij een cisterciënzerklooster in Rhode Island, waar hij hoopte monnik te worden. Het kloosterleven beviel hem, maar de discipline niet. Na enkele maanden vertrok hij weer.
Wat volgde was een patroon dat zich de rest van zijn leven zou herhalen. Demara bezat een uitzonderlijk geheugen en een bijna onbegrensd vermogen om zich aan te passen aan nieuwe omgevingen. Hij kon een handboek doorlezen en de inhoud ervan zo overtuigend navertellen dat experts hem voor een vakgenoot hielden. Maar hij bezat geen geduld voor de jaren van studie en examens die nodig waren om daadwerkelijk een diploma te behalen. Daarom stal hij die van anderen.
In de jaren veertig nam hij achtereenvolgens de identiteit aan van een psycholoog, een universiteitsdocent en een trappistenmonnik. Hij diende kort in zowel het Amerikaanse leger als de marine, beide keren onder een valse naam, en deserteerde beide keren. Telkens wanneer zijn bedrog dreigde uit te komen, verdween hij en dook elders op met een nieuwe identiteit, een nieuw accent, een nieuw leven.
Ergens in die jaren ontmoette hij een jonge arts genaamd Joseph C. Cyr, die een huisartsenpraktijk runde in het stadje Grand Falls in de Canadese provincie New Brunswick. De twee raakten bevriend. Demara toonde belangstelling voor Cyr's medische carrière en vroeg op een dag of hij zijn diploma's en licenties even mocht inzien, hij overwoog zelf ook medicijnen te gaan studeren, beweerde hij. De goedgelovige Cyr overhandigde kopieën van zijn documenten. Het was precies wat Demara nodig had.
Met de gestolen papieren van dr. Cyr meldde Demara zich in het voorjaar van 1951 bij de Royal Canadian Navy. Canada was verwikkeld in de Koreaanse Oorlog en had dringend behoefte aan artsen voor zijn oorlogsschepen. De wervingsprocedure was haastig. Niemand belde Grand Falls om te verifiëren of de dr. Cyr die zich aanmeldde dezelfde was als de dr. Cyr wiens naam op de documenten stond. Demara werd aangenomen als Surgeon Lieutenant en toegewezen aan HMCS Cayuga, een Tribal-klasse destroyer van ruim 109 meter lang, bewapend met zes 4-inch kanonnen en torpedobuizen.
Drie dagen na zijn aankomst in Esquimalt vertrok de Cayuga voor haar tweede tour naar Korea.
De eerste weken aan boord verliepen rustig. De Cayuga voer westwaarts over de Stille Oceaan, en de medische taken beperkten zich tot het behandelen van snijwondjes, verstuikte enkels en verkoudheden. Demara installeerde zich in de ziekenboeg, een krap vertrek benedendeks met een metalen behandeltafel, kasten vol verbandmiddelen en een paar planken met medische handboeken. Die handboeken werden zijn reddingslijn. Elke avond, wanneer de bemanning sliep, zat Demara bij het licht van een bureaulamp pagina's door te werken over anatomie, farmacologie en basischirurgie. Hij maakte aantekeningen. Hij memoriseerde procedures. Hij bereidde zich voor op iets waarvan hij hoopte dat het nooit zou komen.
Maar de Cayuga voer naar een oorlogsgebied, en oorlog wacht niet op voorbereiding.
Kort na aankomst in de Koreaanse wateren kreeg de kapitein van de Cayuga, Commander James Plomer, last van een hevig ontstoken kies. De pijn was zo erg dat hij nauwelijks kon eten. Plomer wendde zich tot zijn scheepsarts. Demara keek naar de gezwollen kaak van zijn commandant en zei, met een openhartigheid die achteraf verbijsterend was: "Ik weet niet veel van tandheelkunde, maar ik zal het proberen."
Plomer ging in de behandelstoel zitten. Demara had zich de avond ervoor ingelezen over tandextracties. Hij pakte een tang uit de instrumentenlade, boog zich over de mond van zijn kapitein, greep de kies vast en trok. De tand kwam los. Geen complicaties, geen nabloeding, geen problemen. Plomer was opgelucht en onder de indruk. Zijn nieuwe scheepsarts was bescheiden, maar bekwaam, zo leek het althans. Radiotelegrafist John Radley herinnerde zich later dat de kapitein na die ingreep regelmatig opschepte over het geluk dat de Cayuga had met een arts die ook nog eens tandheelkundige ingrepen kon verrichten.
Het vertrouwen van de kapitein gaf Demara bewegingsruimte. Hij liep dagelijks zijn rondes door het schip in zijn witte doktersjas, behandelde kleine kwalen, schreef recepten uit voor pijnstillers en antibiotica, en gedroeg zich in alle opzichten als een ervaren marineofficier. De bemanning mocht hem. Hij was vriendelijk, zelfverzekerd en had voor iedereen een luisterend oor. Niemand twijfelde.
Maar in het najaar van 1951 veranderde alles.
De Cayuga opereerde langs de Koreaanse kust, waar ze kustbombardementen uitvoerde ter ondersteuning van geallieerde grondtroepen en Zuid-Koreaanse commando-eenheden. Tijdens een van die operaties ging het mis. Een groep Zuid-Koreaanse commando's raakte in een vuurgevecht en liep zware verliezen op. De gewonden werden per boot naar de Cayuga gebracht, de dichtstbijzijnde plek met een arts aan boord.
Demara stond aan dek toen de eerste brancard omhoog werd gehesen. Op het canvas lag een jonge Koreaanse soldaat met een schotwond in de borst. Zijn uniform was doorweekt van het bloed. Achter hem volgden meer brancards: mannen met schotwonden in armen, benen en romp. Sommigen kreunden, anderen waren stil. De ziekenboeg van de Cayuga was ontworpen voor de behandeling van één, hooguit twee patiënten tegelijk. Nu stroomden er gewonden binnen die acute chirurgische hulp nodig hadden.
Demara had geen chirurgische opleiding. Hij had geen ervaring met schotwonden. Hij had nog nooit een operatie uitgevoerd. Maar hij was de enige arts aan boord, en de mannen op de brancards zouden sterven als niemand iets deed.
Hij gaf opdracht aan de bemanning om de gewonden naar de ziekenboeg te brengen en ze klaar te maken voor behandeling. Zijn assistent, de scheepsdoktersmaat, een matroos met basistraining in eerste hulp, legde steriele instrumenten klaar op de metalen tafel: scalpels, hechtnaalden, chirurgisch garen, kompressen. Demara waste zijn handen, trok handschoenen aan en boog zich over de eerste patiënt.
Wat volgde was een reeks ingrepen die elke chirurg met jaren ervaring zou hebben uitgedaagd, uitgevoerd door een man die zijn kennis volledig uit handboeken had.
De eerste patiënt had een ingeklapte long. Een kogel had de borstkas doorboord en de longholte was volgelopen met lucht, waardoor de long niet meer kon uitzetten. Demara herkende de symptomen, hij had erover gelezen. Hij pakte een scalpel en maakte een incisie tussen de ribben. Met een rubberen slang improviseerde hij een drainage: hij stak de slang in de borstholte en sloot het uiteinde luchtdicht af, zodat de opgesloten lucht kon ontsnappen maar er geen nieuwe lucht naar binnen kon stromen. De long begon zich langzaam weer te vullen. De soldaat ademde.
De tweede patiënt was er slechter aan toe. Een kogelfragment zat vast in zijn borstkas, volgens Demara's inschatting op minder dan een centimeter van het hart. Eén verkeerde beweging met het scalpel en de man zou doodbloeden op de tafel. Demara bestudeerde de wond, voelde met zijn vingers de positie van het projectiel, en besloot het te verwijderen. Hij sneed voorzichtig door weefsel en spierlagen, werkte zich millimeter voor millimeter naar het metalen fragment toe, en trok het er met een chirurgische tang uit. De hele procedure duurde ongeveer tien minuten. De patiënt overleefde.
Daarna volgde de volgende brancard, en de volgende. Bij één soldaat was een voet zo zwaar verbrijzeld door granaatscherven dat er geen weefsel meer te redden viel. Demara beoordeelde de wond, raadpleegde in gedachten wat hij had gelezen over amputatieprocedures, en nam de beslissing. Met een botzaag uit de chirurgische kit verwijderde hij de verpletterde voet, hechtte de bloedvaten dicht en verbond de stomp. De soldaat verloor zijn voet, maar behield zijn leven.
Uren achtereen werkte Demara in de krappe, fel verlichte ziekenboeg. De lucht rook naar ontsmettingsmiddel, jodium en bloed. Zijn doktersmaat reikte instrumenten aan, depte wonden en hield patiënten stil met morfine-injecties. Boven hun hoofd dreunde het schip, de motoren van de Cayuga bromden constant, en af en toe trilden de wanden wanneer de kanonnen op het bovendek vuurden op doelen aan de kust. Tussen de operaties door rende Demara naar zijn kajuit om passages na te slaan in zijn medische handboeken, en keerde dan terug naar de operatietafel voor de volgende patiënt.
Toen de laatste wond was gehecht en de laatste patiënt was gestabiliseerd, was er niet één soldaat gestorven. Iedereen die levend aan boord was gekomen, leefde nog.
Het nieuws verspreidde zich snel door het schip. Matroos Kevin McLeod herinnerde zich later het beeld van Demara die na afloop over het bovendek liep in zijn witte jas en pet, uitgeput maar overeind. "Onze dokter, Joe Cyr, was de held," zei McLeod. "De gewonden waren er slecht aan toe, maar hij fixte ze allemaal."
De Royal Canadian Navy was zo trots op haar scheepsarts dat de persdienst een publiciteitsverhaal verspreidde over de heldhaftige Surgeon Lieutenant Cyr die onder vuur spoedoperaties had uitgevoerd op gewonde Zuid-Koreaanse soldaten. Het verhaal werd opgepikt door Canadese kranten. Er verschenen artikelen met zijn naam en zijn rang. Het was precies het soort oorlogsheldenverhaal waar de marine behoefte aan had.
Maar het was ook precies het soort publiciteit dat Ferdinand Demara niet kon gebruiken.
Duizenden kilometers verderop, in het stadje Grand Falls in New Brunswick, zat de echte dr. Joseph C. Cyr aan zijn ontbijttafel toen hij de krant opensloeg. Daar stond zijn eigen naam, boven een artikel over een marinechirurg die heldendaden verrichtte in Korea. Cyr fronste. Hij was niet in Korea. Hij had zich nooit aangemeld bij de marine. Hij zat in zijn huisartsenpraktijk in New Brunswick, waar hij al jaren patiënten behandelde.
Cyr begreep onmiddellijk wat er was gebeurd. De man die maanden eerder zo vriendelijk had gevraagd of hij zijn diploma's even mocht inzien, die man gebruikte nu zijn identiteit op een oorlogsschip aan de andere kant van de wereld. Cyr nam contact op met de Canadese autoriteiten.
Het bericht bereikte Ottawa, en Ottawa stuurde een gecodeerd radiotelegram naar de Cayuga.
Het was 26 oktober 1951. De Cayuga lag voor anker bij het Koreaanse eiland Taechong-do. In de kleine radiokamer benedendeks zat radiotelegrafist John Radley achter zijn apparatuur, een HF-zender en ontvanger, een typemachine die morsetekens omzette in letters, en een koptelefoon die constant siste met statische ruis. Radley draaide diensten van uren achtereen in dit krappe hok, omringd door meters, draden en het zachte gezoem van elektronica.
Die middag begon de typemachine te ratelen. Radley boog zich naar het papier dat uit de machine rolde en las de woorden die letter voor letter verschenen. Zijn handen werden stil. Hij las de boodschap opnieuw, langzaam, om zeker te zijn dat hij het goed had begrepen.
De scheepsarts, Surgeon Lieutenant J.C. Cyr, was een bedrieger.
Radley scheurde de strook papier uit de machine. Hij stond op, opende de stalen deur van de radiokamer en liep de gang in. Zijn voetstappen klonken hol op het metalen dek. Hij passeerde de machinekamer, waar het constante gedreun van de stoommotoren elke andere gedachte overstemde, en bereikte de officierenmess.
Commander Plomer zat aan tafel. Radley overhandigde hem het telegram zonder iets te zeggen. Plomer las het. Zijn gezicht werd bleek. Volgens Radley stond de kapitein "verstijfd van ongeloof." Dit was de man die zijn kies had getrokken, die zijn gewonden had gered, die hij maandenlang had vertrouwd met het leven van zijn bemanning. En nu stond er op een strook papier uit Ottawa dat die man niet bestond.
Plomer liet Demara bij zich komen. De confrontatie was kort. Demara ontkende niet. Er viel niets meer te ontkennen, de echte dr. Cyr had zichzelf gemeld, en de marine had zijn identiteit bevestigd. De man die maandenlang als scheepsarts had gediend, was Ferdinand Waldo Demara Jr., een Amerikaans staatsburger zonder enig medisch diploma.
Demara's reactie was opvallend gelaten. Tegen twee matrozen zei hij later: "Jongens, ik had gewoon gehoopt dat we terug naar Esquimalt gingen en dat ik dan stilletjes zou weggaan." Hij had gerekend op een onopgemerkt vertrek aan het einde van de tour. De publiciteit van de marine, bedoeld om hem te eren, had hem verraden.
Diezelfde dag nog werd Demara van de Cayuga overgeplaatst naar HMS Ceylon, een Brits schip dat hem via Japan terug zou brengen naar Canada. De ziekenboeg van de Cayuga bleef achter zonder arts.
In Canada volgde een krijgsraadzitting bij de marinekazerne nabij Victoria, British Columbia. De aanklacht was niet moord, niet het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunde, niet het in gevaar brengen van mensenlevens. De aanklacht was fraudulent entry, het onder valse naam toetreden tot de strijdkrachten. Het was de enige aanklacht die de marine kon of wilde indienen. De uitspraak, gepubliceerd in TIME Magazine op 3 december 1951, luidde: "Discharge with disgrace." Oneervol ontslag.
Er werden geen strafrechtelijke aanklachten ingediend. Demara werd gedeporteerd naar de Verenigde Staten.
De reden voor die opmerkelijke mildheid lag in een ongemakkelijke waarheid die de Canadese marine liever niet hardop uitsprak. Demara had geen patiënten gedood. Hij had ze gered. Elke soldaat die gewond aan boord van de Cayuga was gekomen, had de behandeling overleefd. Een strafproces zou onvermijdelijk de vraag oproepen hoe het mogelijk was dat een man zonder enige opleiding betere resultaten had behaald dan menig gediplomeerd chirurg, en hoe het mogelijk was dat de marine hem zonder enige verificatie had aangenomen. Een rechtszaak zou de marine meer schade berokkenen dan de bedrieger zelf.
Daarom lieten ze hem gaan.
Maar Ferdinand Demara was niet het type dat stilzat. Terug in de Verenigde Staten pakte hij zijn oude leven weer op, of liever gezegd, zijn oude levens. In de jaren na Korea nam hij achtereenvolgens de identiteit aan van een gevangenisdirecteur in Texas, een leraar aan een school in Maine, en een ingenieur. Telkens opnieuw vervalste hij documenten, telkens opnieuw overtuigde hij zijn omgeving, en telkens opnieuw werd hij uiteindelijk ontmaskerd.
Zijn verhaal trok de aandacht van schrijver Robert Crichton, die in 1959 het boek The Great Impostor publiceerde, een gedetailleerd verslag van Demara's talloze identiteiten. Het boek werd een bestseller. Een jaar later, in 1960, verscheen de gelijknamige Hollywoodfilm met Tony Curtis in de hoofdrol. Omdat de echte Cayuga niet beschikbaar was voor de opnamen, gebruikte de filmploeg een ander Canadees marineschip, de HMCS Athabaskan, als stand-in. In de haven van Halifax lagen op een gegeven moment beide schepen naast elkaar aangemeerd, de echte Cayuga en haar filmdubbel, allebei met hetzelfde scheepsnummer 218 op de romp geschilderd.
Demara zelf kreeg een kleine rol als adviseur bij de film en ontving een vergoeding voor de rechten op zijn levensverhaal. Het geld was snel op. Hij bleef arm, bleef rustelozer dan ooit, en bleef identiteiten aannemen.
Uiteindelijk, ergens in de jaren zestig, vond Demara iets wat leek op rust. Hij werd rooms-katholiek priester, dit keer, voor zover bekend, met zijn eigen naam. Hij werkte als ziekenhuispastor in Californië, waar hij stervende patiënten bijstond en sacramenten toediende. Het was een rol die geen gestolen diploma vereiste, alleen aanwezigheid en mededogen. Collega's beschreven hem als oprecht en toegewijd.
Maar het verleden bleef hem achtervolgen. In de jaren zeventig organiseerde de bemanning van de Cayuga een reünie in Esquimalt. Ze wilden hun voormalige "scheepsarts" uitnodigen, maar de Canadese douane weigerde Demara toegang tot het land, hij was immers ooit gedeporteerd. Volgens radiotelegrafist John Radley wist Demara toch binnen te komen via een rustige grensovergang, gekleed in een priesterkraag. Hij verscheen op de reünie alsof er niets was gebeurd. De mannen die hem hadden gekend als dr. Cyr, de man die hun kiezen had getrokken en hun gewonden had gered, begroetten hem met een mengeling van ongeloof en genegenheid. Het leed was verbleekt. Wat overbleef was het verhaal.
Ferdinand Waldo Demara Jr. stierf op 7 juni 1982 in Anaheim, Californië. Hij was 60 jaar oud. De doodsoorzaak was hartfalen, verergerd door diabetes. Hij werd begraven onder zijn eigen naam, een van de weinige keren in zijn leven dat die naam op een officieel document stond.
De echte dr. Joseph C. Cyr praktiseerde nog jarenlang in New Brunswick. Hij heeft nooit een rechtszaak aangespannen tegen Demara. In interviews toonde hij zich eerder verbaasd dan boos. Zijn naam was beroemder geworden dan hij ooit had kunnen dromen, zij het om redenen die hij nooit had gewild.
Op de Cayuga zelf bleef het verhaal van de nepartsen leven als scheepslegende. Matrozen die er niet bij waren geweest, hoorden het van matrozen die er wel bij waren geweest, en vertelden het door aan de volgende lichting. Het was een verhaal dat te onwaarschijnlijk leek om waar te zijn, en te goed gedocumenteerd om te ontkennen.
Een man zonder diploma die levens redde op een slagveld. Een marine die hem liever liet gaan dan de waarheid onder ogen te zien. Een bedrieger die meer goed deed dan kwaad, en die daardoor onbestraft bleef. En ergens in een ziekenboeg op een Canadese destroyer, in het najaar van 1951, een stapel medische handboeken met ezelsoren op de pagina's over thoraxchirurgie, het enige bewijs van hoe Ferdinand Demara had geleerd wat geen school hem ooit had onderwezen.



