1968 · Fuchu, Tokio, Japan
300 Miljoen Yen Verdween: Dader Nooit Gevonden
In 1968 stopt een man verkleed als politiemotoragent een geldwagen in Tokio, waarschuwt voor een bom en verdwijnt met 300 miljoen yen. De grootste roof van Japan bleef onopgelost.

Op de ochtend van 10 december 1968 regende het in Fuchū, een buitenwijk van Tokio waar fabrieksschoorstenen en lage betonnen flatgebouwen het straatbeeld bepaalden. Het was een dinsdag, tien dagen voor Kerstmis, en in heel Japan maakten bedrijven zich op voor de belangrijkste financiële traditie van het jaar: de uitbetaling van de winterbonus. Voor miljoenen Japanse werknemers was die bonus geen extraatje maar een vast onderdeel van hun jaarsalaris, hypotheken, schoolgeld en nieuwjaarsinkopen hingen ervan af. In de Toshiba-fabriek aan de rand van Fuchū werkten ruim vierduizend mensen die die week hun envelop verwachtten. Het geld daarvoor, 294.307.500 yen, omgerekend naar vandaag ruim 10 miljoen euro, lag die ochtend opgestapeld in vier zware metalen kisten in de kluis van de Nihon Shintaku Ginkō, de Japanse Trustbank, filiaal Kokubunji.
Kort na negen uur droegen bankmedewerkers de kisten naar buiten en laadden ze in de kofferbak van een grijsgroene Nissan Cedric, een doorsnee sedan zonder bepantsering of alarmsysteem. Vier mannen stapten in: een chauffeur en drie collega's die het transport moesten begeleiden. Geen van hen was bewapend. De route naar de Toshiba-fabriek was kort, nog geen vijf kilometer over rustige wegen door Fuchū. Het was een rit die ze eerder hadden gemaakt, een routineklus. De chauffeur startte de motor, de ruitenwissers zwiepten over de voorruit, en de Cedric voegde in op de natte weg.
Maar de mannen in de auto waren die ochtend niet ontspannen. Vier dagen eerder, op 6 december, had de filiaalhouder van hun bankvestiging een brief ontvangen. De envelop was geadresseerd in keurige, zwarte Japanse karakters. De inhoud was een dreigement: betaal drie miljoen yen, of het huis van de filiaalhouder wordt opgeblazen met dynamiet. De politie was ingeschakeld. Er was extra bewaking geregeld rond het huis van de manager. De bankmedewerkers hadden instructies gekregen om alert te zijn tijdens het geldtransport. Iedereen was op zijn hoede, en precies die angst zou de dader gebruiken als zijn belangrijkste wapen.
De Cedric reed in zuidelijke richting, langs de hoge betonnen muren van de Fuchū-gevangenis, een reusachtig complex dat een heel huizenblok besloeg. De straat was breed en leeg. Regendruppels tikten op het dak. Toen hoorden de vier mannen het: het hoge, gierende geluid van een naderende motorfiets. In hun achteruitkijkspiegel verscheen een witte politiehelm, een donker uniform, een motorfiets die met zwaailicht op hen af kwam. De motorrijder gebaarde heftig dat ze moesten stoppen.
De chauffeur remde. De Cedric kwam tot stilstand langs de kant van de weg, vlak bij de gevangenismuur. De motorrijder parkeerde zijn Yamaha schuin voor de auto, stapte af en liep met snelle, doelgerichte passen naar het bestuurdersportier. Hij droeg het standaarduniform van de Tokiose verkeerspolitie: een donkerblauw jack, een witte helm, laarzen. Aan zijn riem hing wat leek op een holster. Alles klopte, de kleding, de houding, het gezag waarmee hij bewoog.
De chauffeur draaide zijn raampje naar beneden. Koude regenlucht stroomde de auto in. De motorrijder boog zich naar het raam en sprak met een stem die kalm was maar urgent klonk. Hij zei dat er een explosie had plaatsgevonden in de woning van hun filiaalhouder. Dat de politie informatie had ontvangen dat er dynamiet was geplaatst onder hun voertuig. Dat hij was gestuurd om het te controleren.
De vier bankmedewerkers keken elkaar aan. De dreigbrief van vier dagen eerder schoot door hun hoofd. Het huis van hun baas. Dynamiet. Het verhaal van de motoragent paste naadloos in het patroon van de dreigementen die ze al kenden. Geen van hen vroeg om legitimatie. Geen van hen belde het politiebureau. De angst die al vier dagen in hun lijf zat, deed het werk voor de dader.
De motorrijder knielde naast de auto en liet zich op zijn rug onder het chassis glijden. De bankmedewerkers zagen zijn benen onder de auto uitsteken, zijn laarzen glimmend van de regen. Seconden verstreken. Toen begon er iets te gebeuren dat hun angst in paniek veranderde.
Onder de rechterkant van de auto verscheen een felle, oranjerode gloed. Dikke witte rook kringelde omhoog langs de portieren. Vonken spatten over het natte asfalt. Het siste en knetterde alsof er iets brandde, iets dat elk moment kon ontploffen. De geur van zwavel en fosfor drong de auto binnen door het open raampje.
De motorrijder schoot onder de auto vandaan. Hij sprong overeind, zijn gezicht vertrokken in wat leek op oprechte paniek, en schreeuwde met een stem die over de lege straat sneed: "Dynamiet! Het gaat ontploffen! Ren, nu!"
Wat de bankmedewerkers niet konden zien, was wat de man werkelijk had gedaan onder hun auto. Hij had een rookfakkel uit zijn jaszak gehaald, een standaard noodsignaal van ongeveer dertig centimeter lang, het type dat wegwerkers gebruiken bij ongelukken. Hij had de dop eraf getrokken, de ontsteker langs de strijkstrip gehaald, en de brandende fakkel op het wegdek gelegd, recht onder de benzinetank. De combinatie van rook, vonken en de scherpe chemische geur was onmogelijk te onderscheiden van een echt explosief, zeker niet voor vier bankmedewerkers die geen ervaring hadden met explosieven maar wél vier dagen lang hadden geleefd met de dreiging ervan.
De chauffeur gooide zijn portier open. De drie passagiers volgden. Vier mannen renden weg van de auto, over het natte trottoir, langs de gevangenismuur, hun jassen opgetrokken tegen de regen, hun adem in witte wolkjes voor hun gezicht. Ze renden zonder om te kijken. Ze renden omdat een politieagent hen had verteld te rennen, omdat er rook onder hun auto vandaan kwam, omdat ze al dagen wisten dat iemand hen met dynamiet had bedreigd. Elke stap die ze zetten, bracht hen verder van het geld en dichter bij veiligheid, althans, dat dachten ze.
Achter hen, bij de rokende Nissan Cedric, was de motorrijder al in beweging. Hij trok het bestuurdersportier open, liet zich achter het stuur glijden en draaide de contactsleutel om. De motor sloeg aan. Hij trapte het gaspedaal in. De banden grepen in het natte asfalt. De Cedric schoot naar voren, weg van de gevangenismuur, weg van de achtergelaten motorfiets, weg van de smeulende rookfakkel die langzaam uitdoofde op de lege weg.
Tegen de tijd dat de bankmedewerkers zich omdraaiden, was hun auto verdwenen. De straat was leeg. Alleen de motorfiets stond er nog, de motor stationair draaiend, de koplamp gericht op niets. De rook van de fakkel hing laag boven het wegdek en loste op in de regen. De vier mannen stonden daar, hijgend, doorweekt, en beseften langzaam wat er was gebeurd. Er was geen bom geweest. Er was geen explosie in het huis van hun baas. De politieagent was geen politieagent. En het geld, 294.307.500 yen aan bonussen voor vierduizend fabrieksarbeiders, was weg.
Het duurde enkele minuten voordat een van hen een telefooncel vond en de politie belde. Tegen die tijd was de dader al overgestapt op een tweede voertuig. De Nissan Cedric werd later die dag teruggevonden in een zijstraat, anderhalve kilometer verderop, leeg. De vier metalen geldkisten waren verdwenen. In de buurt stond een gestolen witte sedan die eerder die week als vermist was opgegeven. De dader had de kisten kennelijk overgeladen en was in de tweede auto vertrokken, opgeslokt door het verkeer van Tokio.
Binnen een uur na de roof stond de Tokiose politie voor de grootste misdaadzaak in de naoorlogse geschiedenis van Japan. Het gestolen bedrag was astronomisch, het equivalent van wat een gemiddelde Japanse werknemer in een heel leven verdiende, vermenigvuldigd met tien. De brutaliteit van de methode, de eenvoud van de uitvoering en het feit dat er geen enkel schot was gelost, maakten de zaak onmiddellijk voorpaginanieuws in heel het land.
De eerste aanwijzingen leken veelbelovend. Op de plaats delict lag een schat aan achtergelaten voorwerpen: de Yamaha-motorfiets, wit gespoten om op een politiemotor te lijken, met een regenkap losjes over het achterzadel gebonden. Een bruine jachtpet van katoen, vermoedelijk afgevallen tijdens de vlucht. De uitgedoofde rookfakkel. En, opmerkelijk, kleine, sterke magneten die in de buurt van de auto werden gevonden, alsof de dader had overwogen om iets aan de onderkant van het chassis te bevestigen. Uit speeksel op de postzegels van de dreigbrief van 6 december kon de politie de bloedgroep van de afzender vaststellen: type B.
Lees en luister verder
Dit verhaal, en de hele bibliotheek
Met Onverteld lees en beluister je elk verhaal volledig, meteen en zonder wachten. Probeer 7 dagen alles voor € 0,99.
Liever eerst horen hoe het klinkt? Beluister twee minuten van dit verhaal.

