1605 · Moskou, Rusland
De Dode Tsaar Die Terugkwam voor de Troon
Na de dood van tsarevitsj Dmitri dook jaren later een man op die beweerde dat hij de vermoorde erfgenaam was. Zijn leugen bracht hem op de troon, en stortte Rusland in chaos, oorlog en bloedvergieten.

Op 15 mei 1591 speelde een achtjarige jongen in de binnenplaats van het paleis in Uglitsj, een stadje aan de Wolga, zo'n 200 kilometer ten noorden van Moskou. Dmitri Ivanovitsj, de jongste zoon van Ivan de Verschrikkelijke, had een mes in zijn hand. Hij speelde een steekspel, een soort werpspel dat populair was onder Russische kinderen. Ergens tussen het middaguur en de vroege namiddag viel hij neer. Toen de bedienden hem bereikten, lag hij in het gras met een steekwond in zijn keel. Het bloed kleurde de aarde donkerrood.
Binnen een uur barstte Uglitsj los. De alarmklok van de stad werd geluid, en een woedende menigte stormde het paleis binnen. De moeder van Dmitri, Maria Nagaja, schreeuwde dat haar zoon was vermoord, en wees naar de mannen die Boris Godoenov, de machtige regent van Rusland, naar Uglitsj had gestuurd. De menigte lynchte ter plekke meerdere vermeende daders. Moskou stuurde een onderzoekscommissie, geleid door Vasili Sjoejski, een ambitieuze bojaar die later nog een beslissende rol zou spelen. De conclusie van het onderzoek was klinisch: Dmitri had een epileptische aanval gekregen tijdens het spelen met het mes en was in zijn eigen keel gevallen. Een ongeluk. Geen moord.
Niemand geloofde het.
In het Rusland van 1591 was Dmitri de laatste mannelijke erfgenaam van de Rurik-dynastie, het geslacht dat Rusland al meer dan 700 jaar regeerde. Zijn dood betekende dat Boris Godoenov, de regent die feitelijk al het land bestuurde, geen rivaal meer had voor de troon. Zeven jaar later, in 1598, werd Boris inderdaad tot tsaar gekroond. De geruchten over moord verstomden niet. Ze werden alleen zachter, als een onderstroom die wachtte op het juiste moment om weer naar boven te komen.
Dat moment kwam eerder dan iemand had verwacht.
Boris Godoenov begon zijn regering met competent bestuur. Hij bouwde steden, stimuleerde handel met West-Europa en verstevigde de grenzen. Maar vanaf 1601 sloeg het noodlot toe op een schaal die zelfs voor het geharde Russische volk ongekend was. Een vulkaanuitbarsting, vermoedelijk de Huaynaputina in Peru in 1600, had zoveel as de atmosfeer in geblazen dat de temperaturen wereldwijd daalden. In Rusland vroor het in de zomer. Drie jaar achtereen mislukten de oogsten volledig. De hongersnood die volgde was catastrofaal: naar schatting stierven honderdduizenden mensen. In Moskou werden dagelijks lijken van de straten gehaald. Mensen aten boomschors, gras, en erger.
Boris opende de staatsgraanschuren en organiseerde voedseldistributie, maar het was niet genoeg. En terwijl de lijken zich opstapelden, begon het volk een verklaring te zoeken die verder reikte dan het weer. De conclusie was even simpel als vernietigend: God strafte Rusland. En de reden voor die straf was de moord op tsarevitsj Dmitri, de moord die Boris Godoenov had bevolen. De dode jongen uit Uglitsj, veertien jaar eerder begraven en bijna vergeten, werd plotseling het symbool van alles wat mis was gegaan.
In die voedingsbodem van honger, wanhoop en bijgeloof verscheen ergens rond 1603 een jonge man in het Pools-Litouwse Gemenebest die een opmerkelijke bewering deed. Hij was niet dood. Hij was Dmitri Ivanovitsj, de verloren tsarevitsj, en hij was gekomen om zijn troon op te eisen.
Wie deze man werkelijk was, is tot op de dag van vandaag niet met volledige zekerheid vastgesteld. De meest gangbare hypothese, die al door het Godoenov-regime werd verspreid, identificeert hem als Grigori Otrepjev, een weggelopen monnik uit een klooster nabij Moskou, de zoon van een lagere edelman, die op jonge leeftijd was ingetreden bij de kerk en later was gevlucht naar Polen. Maar zelfs deze identificatie is niet onomstotelijk bewezen. Wat wél vaststaat, is wat hij deed.
De pretendent dook op aan het hof van prins Adam Wiśniowiecki in het huidige Oekraïne. Hij vertelde een verhaal dat zo onwaarschijnlijk was dat het bijna weer geloofwaardig werd: als kind was hij op het laatste moment gered door een loyale arts die een ander kind in zijn plaats had gelegd. Jarenlang was hij verborgen gehouden in kloosters, totdat hij oud genoeg was om zijn recht op te eisen. Het verhaal had gaten waar een paard doorheen kon lopen. Maar de Poolse adel luisterde, niet omdat ze het geloofden, maar omdat het hen uitkwam.
Prins Wiśniowiecki bracht de pretendent in contact met Jerzy Mniszech, een invloedrijke maar financieel noodlijdende Poolse magnaat. Mniszech zag onmiddellijk de mogelijkheden. Hij introduceerde de jonge man aan het hof van koning Sigismund III van Polen en aan de jezuïetenorde. De pretendent bleek een uitzonderlijk charmante en intelligente gesprekspartner. Hij sprak vloeiend Russisch en Pools, kende de etiquette van het hof, en, cruciaal, bekeerde zich in het geheim tot het rooms-katholicisme. Hij beloofde de jezuïeten dat hij, eenmaal tsaar, het katholicisme in Rusland zou bevorderen en de orthodoxe kerk dichter bij Rome zou brengen.
In ruil voor steun deed hij Mniszech een aanbod dat de Poolse edelman niet kon weigeren: de hand van diens dochter Marina Mniszech in het huwelijk, plus de steden Pskov en Novgorod als bruidsschat, niet van hem aan haar, maar van hem aan haar vader. Hele Russische steden, weggegeven als huwelijksgeschenk. Daarnaast beloofde hij koning Sigismund de regio Smolensk en Severië. Het waren beloften die hij onmogelijk kon waarmaken zonder Rusland te ontmantelen, maar dat leek niemand te deren.
In oktober 1604 trok de pretendent met een leger van naar schatting 3500 man de Russische grens over, een mengelmoes van Poolse huurlingen, Oekraïense Kozakken en Russische overlopers. Het was een belachelijk klein leger om het grootste land ter wereld mee te veroveren. Maar de pretendent rekende niet op militaire kracht. Hij rekende op iets veel machtiger: het verhaal.
En het verhaal werkte.
In de zuidelijke Russische grensgebieden, waar de hongersnood het hardst had toegeslagen en de afkeer van Boris Godoenov het diepst zat, openden stad na stad de poorten. Garnizoenen liepen over. Lokale bestuurders knielden. De boeren, uitgemergeld en wanhopig, zagen in deze jonge man precies wat ze wilden zien: de ware tsaar, door God gered, teruggekeerd om het onrecht te herstellen. Het maakte niet uit of hij echt Dmitri was. Het maakte uit dat hij niet Boris was.
Boris Godoenov stuurde een leger om de opstand neer te slaan. Op 21 december 1604 versloeg de pretendent een Russische troepenmacht bij Novgorod-Severski, niet door briljante strategie, maar doordat een deel van de Russische soldaten weigerde te vechten tegen iemand die misschien hun rechtmatige tsaar was. In januari 1605 leed de pretendent vervolgens een zware nederlaag bij Dobrynitsji, waar zijn Poolse huurlingen werden verpletterd. Het leek voorbij. De pretendent vluchtte naar Poetivl met een handvol overlevenden.
Maar terwijl de militaire campagne stagneerde, verspreidde het verhaal zich als een lopend vuur. Agenten van de pretendent trokken door heel Rusland en verspreidden brieven waarin "Dmitri" het volk opriep zich bij hem aan te sluiten. De brieven beloofden lagere belastingen, het einde van de lijfeigenschap, en gerechtigheid. In een land waar miljoenen mensen honger leden, waren dat woorden die harder aankwamen dan kanonschoten.
Toen stierf Boris Godoenov.
Op 13 april 1605, midden in een maaltijd in het Kremlin, werd de tsaar onwel. Binnen enkele uren was hij dood. De precieze doodsoorzaak is nooit vastgesteld, sommige bronnen spreken van een beroerte, andere suggereren vergiftiging. Zijn 16-jarige zoon Fjodor II werd onmiddellijk tot tsaar uitgeroepen. De kerkklokken van Moskou luidden, de bojaren legden de eed af, en het leek alsof de dynastie Godoenov zou voortbestaan.
Maar Fjodor II was zestien, onervaren, en droeg de naam van een vader die door half Rusland werd gehaat. De generaals die Boris' leger aanvoerden tegen de pretendent begonnen te aarzelen. Op 7 mei 1605 liep een van de belangrijkste bevelhebbers, Pjotr Basmanov, met zijn troepen over naar de pretendent. Het was het kantelpunt. Andere commandanten volgden. Het leger van de Godoenovs viel uiteen als een kaartenhuis.
De pretendent, die weken eerder nog een verslagen vluchteling was geweest, marcheerde nu ongehinderd naar het noorden. Stad na stad gaf zich over. Zijn leger groeide met elke kilometer. En in Moskou begon de paniek.
Op 1 juni 1605 bereikte een gezant van de pretendent het Rode Plein. Hij droeg een brief bij zich, gericht aan het volk van Moskou, waarin "Dmitri" zijn terugkeer aankondigde en genade beloofde aan iedereen die zich bij hem aansloot. De brief werd hardop voorgelezen op het plein. De menigte luisterde, en explodeerde. Jarenlange frustratie, honger en woede kwamen in één moment naar buiten. Het volk stormde het Kremlin binnen. Fjodor II en zijn moeder Maria werden gegrepen en opgesloten in het voormalige paleis van Boris. Patriarch Job, de trouwe bondgenoot van de Godoenov-dynastie, werd uit de Uspenski-kathedraal gesleurd, zijn patriarchale gewaden van zijn lichaam gerukt, en in een eenvoudige monnikspij naar een afgelegen klooster verbannen.
Lees en luister verder
Dit verhaal, en de hele bibliotheek
Met Onverteld lees en beluister je elk verhaal volledig, meteen en zonder wachten. Probeer 7 dagen alles voor € 0,99.
Liever eerst horen hoe het klinkt? Beluister twee minuten van dit verhaal.



