ONVERTELD
← Alle verhalen

2008 · Boston, Verenigde Staten

30 Jaar Lang Clark Rockefeller, tot Hij Zijn Dochter Ontvoerde

Christian Gerhartsreiter nam jarenlang nieuwe identiteiten aan, drong door tot de Amerikaanse upper class en leefde als ‘Clark Rockefeller’, tot een bizarre ontvoering alles liet instorten.

17 min lezenIdentiteitsfraudeOplichterOntvoering

Op 21 februari 1961 werd in het Beierse dorpje Siegsdorf, ingeklemd tussen de Alpen en de Oostenrijkse grens, een jongen geboren die Christian Karl Gerhartsreiter heette. Zijn vader was huisschilder, zijn moeder naaide kleding voor de buren. Het gezin woonde in een bescheiden huis aan een onverharde weg, omringd door boerderijen en kerktorens. Niets aan dit leven wees op wat komen zou. Christian was een stille, intelligente jongen die urenlang naar Amerikaanse televisieseries keek op de enige zender die ze ontvingen. Dallas, Dynasty, Gilligan's Island, de beelden van zwembaden, wolkenkrabbers en cocktailfeesten brandden zich in zijn netvlies. Op zijn zeventiende vertelde hij zijn ouders dat hij naar Amerika ging. Ze dachten dat het een grap was.

Het was geen grap.

In 1978 arriveerde de zeventienjarige Christian Gerhartsreiter in de Verenigde Staten met een toeristenvisum en een koffer vol polyester kleding. Hij had geen geld, geen connecties, geen plan, alleen een onwrikbare overtuiging dat hij iemand anders kon worden. Zijn eerste stop was Connecticut, waar hij via een uitwisselingsprogramma bij een gastgezin terechtkwam. Binnen enkele weken had hij zichzelf een nieuwe naam gegeven. Niet zomaar een naam. Hij noemde zich Chris Gerhart, later Chris Crowe, en vertelde zijn gastheer dat hij de zoon was van een Europese diplomaat. Het gastgezin geloofde hem. Iedereen geloofde hem.

Dat was het patroon dat de komende drie decennia zou bepalen.

Gerhartsreiter bezat een eigenschap die zeldzamer is dan intelligentie of schoonheid: hij kon de sociale codes van elke groep waarin hij binnenstapte feilloos lezen en kopiëren. In Connecticut leerde hij hoe rijke Amerikanen praatten, de cadans van hun zinnen, de merken die ze noemden, de manier waarop ze een hand gaven. Hij bestudeerde het zoals een taalkundige een dialect bestudeert. Binnen een jaar sprak hij accentloos Engels met de licht nasale tongval van de New England-elite. Hij droeg Brooks Brothers-overhemden. Hij citeerde de juiste auteurs. Hij wist wanneer hij moest lachen en wanneer hij moest zwijgen.

Maar Connecticut was slechts een oefenterrein. In de vroege jaren tachtig verhuisde hij naar San Marino, een welvarende voorstad van Los Angeles, waar hij zich voorstelde als Christopher Chichester, een Britse aristocraat, neef van de bisschop van Chichester. Hij huurde een gastenverblijf achter het huis van een oudere vrouw genaamd Didi Sohus en haar zoon John. Christopher, zoals hij nu heette, reed in een oude Jaguar die hij ergens op de kop had getikt, droeg tweedjasjes en sprak met een aangeleerd Brits accent over zijn landgoederen in Engeland. De buren in San Marino vonden hem excentriek maar charmant. Hij organiseerde filmavonden in zijn gehuurde kamer, serveerde thee uit porseleinen kopjes en vertelde verhalen over de Britse adel die zo gedetailleerd waren dat niemand ze in twijfel trok.

In 1985 verdwenen John Sohus en zijn vrouw Linda spoorloos uit San Marino. De buren maakten zich zorgen, maar Christopher Chichester had een verklaring klaar: het echtpaar was op reis naar Europa. Kort daarna verdween ook Christopher zelf. Hij liet de Jaguar achter, nam een bus naar het oosten en werd een ander mens.

De verdwijning van de Sohussen bleef jarenlang een onopgelost raadsel. Pas in 1994, toen een zwembadaannemer in de achtertuin van het voormalige Sohus-huis begon te graven, stuitte hij op menselijke resten. De botten werden geïdentificeerd als die van John Sohus. Van Linda ontbrak elk spoor. De politie van San Marino opende een moordzaak, maar de verdachte: Christopher Chichester, was in rook opgegaan. Niemand wist wie hij werkelijk was. Niemand wist waar hij was.

Op dat moment leefde Christian Gerhartsreiter al onder een compleet nieuwe identiteit, drieduizend kilometer verderop.

Ergens halverwege de jaren tachtig was hij in New York opgedoken als Clark Rockefeller. Niet Clark Smith of Clark Johnson: Rockefeller. De beroemdste familienaam van Amerika. Het was een zet van adembenemende brutaliteit. De echte Rockefellers waren een van de rijkste en meest herkenbare dynastieën ter wereld. Iedereen kende de naam. Daarom werkte het juist zo goed. De naam was zó groot, zó onwaarschijnlijk als leugen, dat mensen aannamen dat niemand gek genoeg zou zijn om hem te stelen. Wie zou zich in godsnaam voordoen als een Rockefeller? Dat zou toch onmiddellijk worden ontmaskerd?

Clark Rockefeller werd niet ontmaskerd. Niet in 1986. Niet in 1990. Niet in 1995. Niet in 2000.

Hij bewoog zich door de bovenste lagen van de Amerikaanse samenleving met het gemak van iemand die er geboren was. In New York bezocht hij galerieën in SoHo en sprak met kennis over Mark Rothko en de abstracte expressionisten. Hij beweerde een indrukwekkende kunstcollectie te bezitten, een Rothko, een Mondriaan, en hoewel niemand de werken ooit met eigen ogen zag, twijfelde ook niemand aan hun bestaan. Hij was immers een Rockefeller. In de jaren negentig verhuisde hij naar Cornish, New Hampshire, waar hij een historisch landhuis kocht dat ooit had toebehoord aan de negentiende-eeuwse schilder Maxfield Parrish. Het huis stond op een heuvel met uitzicht over de Connecticut River, omringd door esdoorns en berken. Clark liet een hek om het terrein plaatsen en groef een gracht, een letterlijke gracht, gevuld met water, rond het landgoed. De buren vonden het bizar, maar schreven het toe aan de excentriciteit van de superrijken.

Sheila Gallagher, een buurvrouw in Cornish, herinnerde zich later hoe Clark haar uitnodigde voor een vlucht in zijn privéjet. "Kom mee in mijn Learjet," zei hij op een zondagmiddag, alsof hij haar uitnodigde voor een kopje koffie. De dag van vertrek kwam er natuurlijk nooit een jet. Er was altijd een reden, slecht weer, een mechanisch probleem, een verandering van plannen. Gallagher begon argwaan te krijgen. "Je kon letterlijk binnen vijf minuten zien dat hij een oplichter was," vertelde ze jaren later aan ABC News. Toch deed ze niets. De sociale druk om iemand met de naam Rockefeller niet te beledigen was sterker dan haar intuïtie.

Dat was het mechanisme dat Gerhartsreiter drie decennia lang beschermde. Niet zijn intelligentie, hoewel die aanzienlijk was. Niet zijn acteertalent, hoewel dat indrukwekkend was. Het was de onwil van zijn omgeving om de waarheid onder ogen te zien. Mensen wilden geloven dat ze een Rockefeller kenden. Het gaf hen status, een verhaal om te vertellen op feestjes, een gevoel van nabijheid tot macht en rijkdom. Die wens was sterker dan elke rode vlag.

En rode vlagen waren er genoeg.

Clark had geen rijbewijs. Geen sofinummer dat iemand ooit had gezien. Geen familie die op bezoek kwam. Geen oude schoolvrienden, geen fotoalbums uit zijn jeugd, geen enkele tastbare verbinding met het verleden. Wanneer iemand naar zijn achtergrond vroeg, gaf hij vage antwoorden die net genoeg detail bevatten om geloofwaardig te klinken. "Mijn tak van de familie houdt zich liever afzijdig van de publiciteit," zei hij dan, en het gesprek verschoof naar een ander onderwerp. Wanneer een journalist hem rechtstreeks vroeg of hij werkelijk een Rockefeller was, antwoordde hij met een raadselachtige glimlach: "Maybe I am and maybe I'm not." Het was een antwoord dat niets bevestigde en niets ontkende, en dat precies daarom werkte.

In 1995 ontmoette Clark Rockefeller een vrouw die Sandra Boss heette. Sandra was geen naïeve provinciale, ze was een briljante zakenvrouw met een MBA van Harvard Business School die op weg was naar een positie als senior partner bij McKinsey & Company, een van de meest prestigieuze adviesbureaus ter wereld. Ze was analytisch, kritisch en gewend om complexe problemen te doorgronden. En toch trapte ze erin.

Het huwelijk vond plaats in 1995 op het stadhuis van New York. Clark regelde de papieren. Sandra hoefde nooit zijn geboortebewijs te zien, een detail dat later, tijdens de echtscheidingsprocedure, als een bom zou inslaan. Hoe was het mogelijk dat een vrouw die bedrijven adviseerde over risicobeheer en due diligence nooit de identiteit van haar eigen echtgenoot had geverifieerd? Het antwoord lag in dezelfde sociale dynamiek die al Clarks andere relaties had bepaald. Sandra geloofde dat ze een Rockefeller had getrouwd. Die overtuiging was zo fundamenteel, zo verweven met haar zelfbeeld en haar sociale positie, dat het in twijfel trekken ervan ondenkbaar was. Het zou betekenen dat ze was bedrogen. Dat haar oordeelsvermogen had gefaald. Dat alles wat ze had opgebouwd op een leugen rustte.

In 2001 werd hun dochter geboren: Reigh Storrow Boss. Clark bleek een verrassend toegewijde vader. Hij bleef thuis terwijl Sandra de wereld over vloog voor McKinsey. Hij bracht Reigh naar school, las haar voor, nam haar mee naar musea. Buren in Boston, waar het gezin inmiddels woonde in een appartement in de chique Back Bay-wijk, beschreven hem als een liefhebbende, betrokken ouder. Lassaad Riahi, de manager van een nabijgelegen restaurant, vertelde later aan The Guardian: "Wat ik weet, is dat hij een heer is. Een aardige man. Beleefd, heel, heel intelligent. Ik ben enorm geschokt."

Het huwelijk begon echter te scheuren. Sandra verdiende het geld, al het geld. Clark had geen inkomen, geen baan, geen zichtbare bron van inkomsten. Wanneer Sandra vroeg naar de Rockefeller-fondsen die hij beweerde te beheren, werden zijn antwoorden vager. Er waren "complicaties met de trust." Er waren "juridische kwesties met de familie." De excuses stapelden zich op als onbetaalde rekeningen. In 2007 vroeg Sandra de scheiding aan.

De echtscheidingsprocedure onthulde de eerste barsten in het Rockefeller-pantser. Clarks advocaten slaagden erin te voorkomen dat hij een geboortebewijs moest overleggen, een juridische manoeuvre die later vragen zou oproepen over het functioneren van het rechtssysteem. Sandra kreeg het volledige voogdijrecht over Reigh. Clark kreeg beperkt bezoekrecht: hij mocht zijn dochter zien onder begeleiding van een maatschappelijk werker, op vastgestelde tijden en locaties.

Voor een man die dertig jaar lang volledige controle had gehad over zijn eigen verhaal, was dit een ondraaglijke situatie. Hij was niet langer de regisseur. Hij was een figurant geworden in het leven van zijn eigen dochter.

Lees en luister verder

Dit verhaal, en de hele bibliotheek

Met Onverteld lees en beluister je elk verhaal volledig, meteen en zonder wachten. Probeer 7 dagen alles voor € 0,99.

Liever eerst horen hoe het klinkt? Beluister twee minuten van dit verhaal.

Je hoorde de eerste 2 minuten.

Het hele verhaal duurt 24 min. Met Onverteld luister je alles af, en staat je hele bibliotheek meteen open. Al lid? Log in

Probeer 7 dagen voor € 0,99

30 Jaar Lang Clark Rockefeller, tot Hij Zijn Dochter Ontvoerde

0:002:00 / 24:03