1973 · Rome, Italië
Het Oor Dat Zijn Grootvader Niet Kon Negeren
In 1973 wordt de 16-jarige erfgenaam John Paul Getty III in Rome ontvoerd. Zijn familie twijfelt of het echt is, tot een afgesneden oor en een losgeldstrijd met een van de rijkste mannen ter wereld de zaak grimmig maken.

Rome, 10 juli 1973. Kwart over twee 's nachts. De zestienjarige John Paul Getty III: Paul, voor iedereen die hem kende, sjokte door de smalle steegjes rond Piazza Farnese. Hij had de hele avond doorgebracht in een van de kleine bars waar kunstenaars, hippies en Amerikaanse expats samenkwamen, en de rode wijn zat nog in zijn benen. Zijn lange, rossige krullen plakten aan zijn voorhoofd van de drukkende Romeinse zomerhitte. Bij een kiosk die nog open was, kocht hij een pakje sigaretten en een krant. Hij stak er een op, inhaleerde diep, en liep verder door de verlaten straten.
Paul was geen gewone tiener. Zijn grootvader, Jean Paul Getty, was op dat moment de rijkste man ter wereld, een oliemagnaat wiens vermogen werd geschat op meer dan 2 miljard dollar. Dat geld had de familie niet gelukkiger gemaakt. Pauls vader, John Paul Getty Jr., was vanuit Londen naar Rome verhuisd en vervolgens weggezakt in een waas van drugs en depressie. Zijn moeder Gail had na de scheiding geen cent gekregen, de Gettys regelden dat soort zaken via advocaten, niet via alimentatie. Paul zelf was op zijn zestiende al van school gegaan. Hij schilderde, hing rond op Piazza Navona waar hij zelfgemaakte sieraden verkocht aan toeristen, en leefde een leven dat ergens balanceerde tussen bohemien en verwaarlozing.
Die nacht, ergens tussen Piazza Farnese en zijn appartement, stopte een donkere auto naast hem. Een man stapte uit en vroeg beleefd of hij Paul Getty was. Voordat Paul kon antwoorden, grepen meerdere handen hem vast. Een natte doek werd tegen zijn gezicht gedrukt. De scherpe, zoete geur van een verdovend middel vulde zijn neusgaten. Zijn benen werden slap. Terwijl zijn bewustzijn weggleed, voelde hij hoe metalen boeien om zijn polsen werden geklikt en hij de achterbank van de auto in werd geduwd. De portieren sloegen dicht. De motor brulde. Rome verdween achter hem in het donker.
Zo begon een ontvoering die vijf maanden zou duren, een familie zou verscheuren, en een heel land zou dwingen om na te denken over de vraag wat een mensenleven waard is, letterlijk, in dollars en centen.
De kidnappers reden de hele nacht door. Paul lag op de achterbank, geblinddoekt, zijn polsen geboeid. Hij hoorde het geluid van de motor veranderen naarmate de weg smaller werd, het gladde asfalt van de snelweg maakte plaats voor hobbelig grind, toen modderige paden. De lucht die door een kier in het raampje naar binnen sijpelde, rook anders dan Rome: geen uitlaatgassen en warm steen, maar natte aarde, dennennaalden en iets zuurs dat hij niet kon plaatsen. Na wat uren, hij had elk besef van tijd verloren, stopte de auto. Handen trokken hem naar buiten. Zijn voeten raakten zachte grond. Hij hoorde schapen blaten in de verte.
Ze hadden hem naar de bergen van Calabrië gebracht, het ruige, afgelegen zuiden van Italië waar de 'Ndrangheta, de Calabrische maffia, al generaties opereerde in een landschap dat de Italiaanse staat nauwelijks kon bereiken. Zijn gevangenis was een vervallen landbouwschuur, ergens in de heuvels. Het dak bestond uit golfplaten die rammelden bij elke windvlaag. De vloer was hard aangestampte aarde, bedekt met een laag oud stro. Er hing een penetrante geur van koeienmest en vocht. In een hoek stond een emmer die als toilet diende. Aan een spijker in de muur bungelde een kleine transistorradio, het enige contact dat Paul zou hebben met de buitenwereld.
De bewakers werkten in shifts. Ze droegen altijd maskers of bivakmutsen, zodat Paul hun gezichten nooit zag. Ze spraken onderling in het Calabrische dialect, dat zo ver afstond van het Italiaans dat Paul in Rome had geleerd dat hij er weinig van verstond. Eén bewaker, die Paul in gedachten "Cinquanta" noemde, naar het Italiaanse woord voor vijftig, om een reden die hij later niet meer kon verklaren, was iets vriendelijker dan de rest. Hij bracht Paul soms een extra deken als de nachten koud werden, of een sigaret als de voorraad het toeliet. De maaltijden waren karig en eentonig: een bord koude pasta met een scheutje olijfolie, een korst brood, af en toe een stuk vlees dat meer pees dan spier was. Paul at alles op. Hij had geen keus.
De dagen smolten samen tot een brij van verveling, angst en stilte. Paul wist niet of het ochtend of avond was, de blinddoek ging zelden af, en zelfs als dat gebeurde, zag hij alleen de schemerige binnenkant van de schuur. Hij luisterde naar de radio. Soms ving hij flarden op van nieuwsuitzendingen, maar zijn eigen naam hoorde hij niet. Hij begon zich af te vragen of iemand hem überhaupt zocht.
Dat deed men wel, maar niet op de manier die hij had gehoopt.
Twee dagen na de ontvoering ontving Gail Getty, Pauls moeder, een telefoontje. Een mannenstem, kalm en zakelijk, deelde mee dat haar zoon was ontvoerd. De eis: 17 miljoen dollar. Kort daarna kwam er een brief, samengesteld uit letters die uit tijdschriften waren geknipt en op papier geplakt, het klassieke beeld van een losgeldbrief. Erbij zat een handgeschreven briefje van Paul zelf. Zijn handschrift was beverig maar herkenbaar: "Lieve mama, sinds maandag ben ik in handen van ontvoerders gevallen. Maak alsjeblieft dat de politie zich er niet mee bemoeit. Laat me niet vermoorden. Ik hou van je."
Gail was radeloos. Ze had geen geld. Na de scheiding van John Paul Getty Jr. had ze geen toegang tot het familievermogen. Ze belde haar ex-man in Londen, die zelf nauwelijks functioneerde. Ze probeerde contact te leggen met de patriarch, J. Paul Getty Sr., die op zijn landgoed Sutton Place in Surrey woonde, een Tudor-kasteel met 72 kamers waar hij omringd door kunstcollecties en bedienden zijn imperium bestuurde. Getty Sr. nam het telefoontje niet aan. Hij liet via een woordvoerder weten dat hij niet van plan was te betalen.
De reden voor zijn weigering was niet alleen gierigheid, hoewel die zeker meespeelde. Getty Sr. had een berekening gemaakt die even kil als logisch was. Hij had veertien kleinkinderen. Als hij voor één van hen losgeld betaalde, redeneerde hij, zou dat een uitnodiging zijn voor criminelen om de volgende te ontvoeren. "Ik heb veertien andere kleinkinderen," verklaarde hij later publiekelijk. "Als ik nu een cent betaal, heb ik straks veertien ontvoerde kleinkinderen." Het was een uitspraak die de wereld schokte, niet omdat de logica onbegrijpelijk was, maar omdat een grootvader zo klinisch kon spreken over het leven van zijn eigen kleinkind.
Er was nog een complicatie. In Rome, en zelfs binnen de Getty-familie, geloofde niet iedereen dat de ontvoering echt was. Paul had een reputatie als rebel en provocateur. Hij was op zijn vijftiende al van school gegaan, hing rond in het Romeinse nachtleven, en had volgens verschillende bronnen eerder grapjes gemaakt over het ensceneren van zijn eigen ontvoering om geld los te krijgen van zijn grootvader. De Italiaanse politie, die in die jaren overspoeld werd met ontvoeringszaken: Italië beleefde een ware epidemie van kidnappings, vooral in het zuiden, behandelde de zaak aanvankelijk met scepsis. Misschien was het een publiciteitsstunt. Misschien probeerde de jongen zijn familie te chanteren.
De weken werden maanden. Juli werd augustus, augustus werd september. Paul zat nog steeds in de schuur in Calabrië, geboeid, geblinddoekt, met alleen de radio en de wisselende bewakers als gezelschap. De onderhandelingen tussen de ontvoerders en de familie verliepen moeizaam. Gail had geen geld om te bieden. Getty Sr. weigerde te betalen. Pauls vader was niet in staat om coherent te communiceren. De ontvoerders werden ongeduldig. In september lieten ze via de media weten dat ze Paul "in stukken zouden snijden" als er niet snel betaald werd.
Het was geen loze dreiging.
Op een ochtend begin november 1973: Paul was inmiddels bijna vier maanden in gevangenschap, veranderde de routine in de schuur. Er kwamen meer mannen dan gebruikelijk. Paul hoorde hun voetstappen op de aarden vloer, het schuifelen van laarzen, gefluister in dialect. Iemand controleerde zijn boeien. Iemand anders zette de radio harder, alsof ze wilden dat het geluid zijn schreeuw zou overstemmen.
Ze duwden hem op zijn zij. Handen hielden zijn hoofd vast, stevig, zodat hij niet kon bewegen. Paul voelde vingers die zijn rechteroor betastten, de oorschelp naar voren trokken, de huid strak spanden. Hij begreep wat er ging gebeuren op het moment dat hij het koude metaal van een mes tegen zijn huid voelde. Het was geen chirurgisch instrument, later zou blijken dat ze een scheermesje hadden gebruikt, het soort dat je in een kapperswinkel vindt. De snede was niet snel en niet schoon. Paul schreeuwde. Het geluid werd gedempt door een prop stof die ze in zijn mond hadden geduwd. De pijn was verschroeiend, een brandende, scheurende sensatie die vanuit zijn oor door zijn hele schedel trok. Hij voelde warm bloed langs zijn kaak en nek stromen, in zijn kraag, op het stro onder hem. Een van de mannen drukte een doek tegen de wond. Een ander pakte het afgesneden oor op.
Ze wikkelden het in een stuk krantenpapier, samen met een lok van Pauls rossige haar. Ze stopten het in een envelop. Op een vel papier schreven ze een boodschap, in bloklettters: "Dit is Pauls oor. Als we binnen tien dagen geen geld ontvangen, komt het andere oor. Met andere woorden: hij komt in kleine stukjes bij u terug."
De envelop werd verstuurd naar de redactie van Il Messaggero, een van de grootste kranten van Rome. Door een poststaking in Italië, het land werd in die periode geteisterd door arbeidsconflicten, duurde het weken voordat het pakket aankwam. Toen een redacteur het opende en de inhoud zag, een verschrompeld, donkerbruin geworden stuk menselijk kraakbeen, een pluk roodachtig haar, en de dreigbrief, was de reactie onmiddellijk. De krant publiceerde het nieuws. Foto's van het oor verschenen op de voorpagina's van kranten in heel Italië en vervolgens de wereld.
Gail Getty werd gevraagd om het oor te identificeren. Ze bekeek de foto's die de politie haar toonde, close-ups van het afgesneden lichaamsdeel, naast foto's van Paul van voor de ontvoering. Ze herkende de vorm. Ze herkende het haar. Het was van haar zoon. Er was geen twijfel meer mogelijk. De ontvoering was echt. Paul was in levensgevaar.
Nu pas begon de machine te draaien.
J. Paul Getty Sr. gaf eindelijk toe, maar op zijn eigen voorwaarden. Hij liet zijn financieel adviseurs uitrekenen wat het maximale bedrag was dat hij onder de Amerikaanse belastingwetgeving als "verlies door calamiteit" kon afschrijven. Dat bedrag was 2,2 miljoen dollar. Dat zou hij betalen. De rest, nog eens 700.000 dollar, om tot het onderhandelde totaal van 2.890.000 dollar te komen, leende hij aan zijn eigen zoon, Pauls vader, tegen 4 procent rente. De rijkste man ter wereld redde zijn kleinzoon met een belastingconstructie en een lening met rente.
De onderhandelingen over het exacte bedrag hadden weken geduurd. De ontvoerders waren begonnen met 17 miljoen dollar. Dat bedrag was geleidelijk gezakt naarmate duidelijk werd dat Getty Sr. niet meer zou betalen dan fiscaal voordelig was. Uiteindelijk accepteerden ze 2.890.000 dollar, een fractie van de oorspronkelijke eis, maar nog steeds een astronomisch bedrag in 1973.
Het geld moest worden afgeleverd in gebruikte biljetten. Getty Sr. schakelde Fletcher Chase in, een Amerikaan met connecties bij inlichtingendiensten, die de operatie coördineerde. Chase liet de bankbiljetten op microfilm vastleggen, elk biljet werd gefotografeerd, zodat de serienummers later konden worden getraceerd. Het geld werd verpakt in een koffer.
De drop vond plaats langs de autostrada tussen Rome en het zuiden, ergens in de buurt van de kustlijn ten zuiden van Napels. Chase reed in een huurauto over de snelweg, de koffer op de achterbank. Bij een vooraf afgesproken punt, een verlaten parkeerplaats bij een benzinestation, stopte hij, zette de koffer naast de weg, en reed door. Vanuit de bosjes langs de weg observeerden carabinieri in burgerkleding de scene. Ze maakten foto's van de auto die kort daarna stopte om de koffer op te halen, een onopvallende Italiaanse wagen met Calabrische kentekenplaten. Ze noteerden het nummer. Ze volgden de auto niet. De afspraak was duidelijk: eerst Paul, dan de daders.
Vijftien december 1973. Vijf maanden en vijf dagen na de ontvoering. Het was nog donker toen de ontvoerders Paul uit de schuur haalden. Ze deden zijn blinddoek af, voor het eerst in weken zag hij de wereld om zich heen, wazig en overweldigend. Ze zetten hem in een auto en reden hem naar een verlaten stuk snelweg ten zuiden van Napels. Daar duwden ze hem uit de auto. De portieren sloegen dicht. De auto verdween in het donker.
Paul stond alleen langs de kant van de weg. Het regende. Hij droeg dezelfde kleren als vijf maanden eerder, een versleten spijkerbroek en een dun hemd, nu smerig en gescheurd. Zijn haar hing in vette slierten langs zijn gezicht. Waar zijn rechteroor had gezeten, zat een ruw litteken, bedekt met een vuil verband. Hij was mager, hij had in vijf maanden nauwelijks gegeten. Hij rilde van de kou en de shock.
Hij begon te lopen. In de verte zag hij de lichten van een benzinestation. Hij strompelde erheen, zijn benen stijf na maanden van nauwelijks bewegen. Bij het station stond een telefooncel. Hij had geen geld. Hij keek om zich heen, wanhopig, en zag in de grijze ochtendschemering een vrachtwagen naderen over de snelweg.
De chauffeur heette Antonio Tedesco. Hij reed zijn gebruikelijke route richting Salerno toen hij in het licht van zijn koplampen een magere gestalte zag die wild met zijn armen zwaaide langs de kant van de weg. Tedesco remde. Hij stapte uit en trof een jongen aan die eruitzag alsof hij uit een oorlogsgebied kwam, vuil, uitgemergeld, trillend. De jongen sprak gebroken Italiaans met een Amerikaans accent. "Ik ben ontvoerd," zei hij. "Ik moet mijn moeder bellen. Alstublieft. Ik moet mijn moeder in Rome bellen."
Tedesco nam hem mee naar het benzinestation. De eigenaar, die net zijn zaak opende, liet Paul de telefoon gebruiken. Met trillende vingers draaide Paul het nummer van zijn moeder in Rome. Gail nam op. Ze hoorde de stem van haar zoon, schor, gebroken, maar levend. Paul huilde. Gail huilde. Het gesprek duurde maar een paar minuten. Paul zei dat hij vrij was. Dat hij langs de snelweg stond, ergens in het zuiden. Dat hij naar huis wilde.
De carabinieri arriveerden binnen het uur. Ze troffen Paul aan op een plastic stoel in het benzinestation, een sigaret in zijn hand die een medewerker hem had gegeven, een kop koffie voor zich die hij niet had aangeraakt. Een agent bekeek zijn gezicht en zag het verband aan de rechterkant van zijn hoofd. Hij vroeg Paul of hij het mocht verwijderen. Paul knikte. De agent trok voorzichtig het vuile verband los. Eronder zat een rauw, geïnfecteerd litteken waar zijn oor had gezeten. De agent wendde zijn blik af.
Paul werd naar een ziekenhuis in Napels gebracht, waar artsen de wond behandelden en zijn algemene toestand beoordeelden. Hij was ondervoed, gedehydrateerd en had een ernstige infectie aan de oorwond. Psychisch was hij gebroken, hij sliep nauwelijks, schrok van elk geluid, en kon niet alleen in een kamer zijn zonder in paniek te raken. Gail reisde onmiddellijk af naar Napels om bij haar zoon te zijn.
J. Paul Getty Sr. nam het telefoontje niet aan.
Dat detail, misschien wel het meest veelzeggende van het hele verhaal, werd later bevestigd door meerdere familieleden. Na vijf maanden gevangenschap, na het verlies van een oor, na een losgeld dat uiteindelijk was betaald met een belastingtruc en een lening met rente, probeerde Paul zijn grootvader te bellen om hem te bedanken. De rijkste man ter wereld weigerde de telefoon op te nemen. Het was alsof Paul belde vanuit een graf waar zijn grootvader hem zelf in had gelegd, niet door kwaadwilligheid, maar door een onvermogen om menselijke waarde te zien als iets anders dan een post op een balans.
In de weken na Pauls vrijlating begon de Italiaanse politie met de jacht op de daders. De microfilm van de bankbiljetten bleek cruciaal. Agenten traceerden de serienummers naar winkels, banken en wisselkantoren in Calabrië. Negen verdachten werden gearresteerd, allen met banden met de 'Ndrangheta, de Calabrische maffiaclan die in die regio opereerde als een schaduwstaat. Onder de aangeklaagden waren Girolamo Piromalli, een bekende maffiabaas uit de regio, en Saverio Mammoliti, een andere prominente figuur in de georganiseerde misdaad.
Het proces dat volgde was een teleurstelling. Van de negen verdachten konden er slechts twee worden veroordeeld. De rest werd vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Getuigen trokken hun verklaringen in, uit angst, vermoedden de aanklagers. Bewijsmateriaal verdween uit dossiers. Het grootste deel van het losgeld werd nooit teruggevonden. Het was opgeslokt door het netwerk van de 'Ndrangheta, verspreid over tientallen rekeningen en geïnvesteerd in vastgoed en bedrijven in heel Calabrië. De ontvoering van Paul Getty was voor de clan niet alleen een misdaad geweest, het was een zakelijke onderneming, en een uiterst winstgevende.
Voor Italië had de zaak nog een ander gevolg. De Getty-ontvoering werd het startschot voor wat de Italiaanse pers later "de jaren van de ontvoeringen" zou noemen. Tussen 1973 en het begin van de jaren tachtig werden honderden mensen ontvoerd in Italië, vooral in het zuiden. Criminele organisaties hadden gezien dat het werkte, dat zelfs de rijkste families ter wereld uiteindelijk betaalden. Het afgesneden oor van Paul Getty werd in de Italiaanse volksmond het symbool van dat hele tijdperk: een gruwelijk bewijs dat niemand veilig was.
Paul zelf probeerde zijn leven weer op te bouwen, maar de schade was te diep. Hij trouwde in 1974, op zijn achttiende, met de Duitse fotografe Gisela Zacher. Ze kregen een zoon, Balthazar, die later acteur zou worden. Het gezin woonde afwisselend in Los Angeles, New York en Londen. Paul schilderde, schreef, probeerde een normaal leven te leiden. Het lukte niet. De nachtmerries hielden aan. Hij dronk te veel. Hij gebruikte drugs, eerst marihuana, toen zwaardere middelen. In 1981, acht jaar na de ontvoering, nam hij een cocktail van valium, methadon en alcohol die een beroerte veroorzaakte. Hij was 24 jaar oud. De beroerte verlamde hem aan de rechterkant van zijn lichaam en maakte hem vrijwel blind. Hij kon nauwelijks nog spreken. De rest van zijn leven, dertig jaar, bracht hij door in een rolstoel, verzorgd door zijn moeder Gail, die nooit ophield voor hem te zorgen ondanks het feit dat ze zelf nooit een cent van het Getty-vermogen had ontvangen.
J. Paul Getty Sr. stierf in 1976, drie jaar na de ontvoering, op zijn landgoed in Surrey. Hij was 83 jaar oud. In zijn testament liet hij het grootste deel van zijn vermogen na aan het J. Paul Getty Museum in Malibu. Aan zijn kleinkinderen liet hij relatief weinig na. De lening die hij aan Pauls vader had verstrekt voor het losgeld, de 700.000 dollar tegen 4 procent rente, werd tot de laatste cent terugbetaald.
Paul Getty III overleed op 5 februari 2011, in zijn huis in het Engelse Buckinghamshire. Hij was 54 jaar oud. De doodsoorzaak was een hartaanval, maar iedereen die hem kende wist dat hij al in 1973 was begonnen met sterven, in een schuur in Calabrië, met een scheermesje aan zijn oor en een grootvader die de telefoon niet opnam.
Zijn zoon Balthazar zei later in een interview dat hij zijn vader nooit had gekend zonder de gevolgen van de ontvoering. "Ik heb nooit de persoon ontmoet die hij was voordat het gebeurde," zei hij. "Ik kende alleen de persoon die erna overbleef."
Het afgesneden oor werd nooit aan Paul teruggegeven. Het bleef als bewijsstuk in de archieven van de Italiaanse justitie, ergens in een kluis in Rome, een klein stukje kraakbeen en huid dat het bewijs vormde van iets wat groter was dan één ontvoering. Het was het bewijs van een familie die zo rijk was dat ze het zich kon veroorloven om een mensenleven te reduceren tot een belastingpost. Van een grootvader die veertien kleinkinderen had en er niet één kon redden zonder eerst zijn accountant te bellen. Van een jongen van zestien die op een nacht in Rome sigaretten kocht en vijf maanden later terugkeerde als iemand anders.
En van een telefoontje dat nooit werd beantwoord.



