1993 · Prévessin-Moëns, Frankrijk
De Dokter Die Nooit Bestond: Vijf Doden, Achttien Jaar Later
In 1993 doodde Jean-Claude Romand zijn vrouw, kinderen en ouders nadat zijn levenslange leugen instortte: hij bleek geen arts, geen onderzoeker, maar een man die jarenlang zijn hele bestaan had verzonnen.

Op 11 februari 1954 werd in Lons-le-Saunier, een slaperig stadje in de Franse Jura, een jongen geboren die later de meest volmaakte leugenaar van Frankrijk zou worden. Zijn naam was Jean-Claude Romand. Zijn ouders, hardwerkende, bescheiden mensen uit het nabijgelegen Clairvaux-les-Lacs, zagen in hem een wonderkind. Jean-Claude was beleefd, ijverig, en bovenal: briljant op school. Bij zijn eindexamen filosofie schreef hij een uitmuntend essay over de stelling "Bestaat de waarheid?" Hij kreeg er een van de hoogste cijfers voor. Het was een vraag die hem de rest van zijn leven zou achtervolgen, zij het om redenen die niemand toen kon vermoeden.
Na het lyceum schreef Jean-Claude zich in voor de studie geneeskunde aan de Université Claude Bernard in Lyon. Het was 1975, hij was eenentwintig, en de toekomst lag open als een lege snelweg. Zijn ouders straalden. Hun zoon zou dokter worden, het ultieme bewijs dat een gezin uit de provincie het kon maken. De eerste twee jaar verliepen vlekkeloos. Jean-Claude haalde zijn tentamens, maakte vrienden, en begon een relatie met Florence Crolet, een ambitieuze farmaciestudente met donker haar en een aanstekelijke lach. Alles klopte. Tot het tweede jaar.
Bij het herexamen aan het einde van dat jaar, een cruciale horde in de Franse geneeskundestudie, zakte Jean-Claude. Het was geen ramp; studenten zakten vaker en deden het examen gewoon opnieuw. Het verschil was dat Jean-Claude het niemand vertelde. Niet zijn ouders. Niet Florence. Niet zijn vrienden. In plaats daarvan deed hij alsof hij gewoon was geslaagd en ging hij door naar het volgende studiejaar. Hij schreef zich opnieuw in, liep rond op de campus, zat in de bibliotheek, en praatte mee over colleges die hij nooit had gevolgd. Niemand controleerde het. Niemand vroeg om een cijferlijst. De universiteit was groot genoeg om in te verdwijnen zonder op te vallen.
Dat ene onvertelde feit, één gezakt examen, werd de eerste steen van een bouwwerk dat achttien jaar overeind zou blijven.
Jaar na jaar herhaalde Jean-Claude hetzelfde ritueel. Elke ochtend verliet hij het huis alsof hij naar college ging. Hij reed naar de universiteit, parkeerde zijn auto, en liep de bibliotheek in. Daar zat hij urenlang medische handboeken te lezen, niet om te studeren, maar om geloofwaardig te blijven in gesprekken. Hij leerde de juiste termen, de juiste namen, de juiste anekdotes. Als Florence 's avonds vroeg hoe zijn dag was geweest, ratelde hij over professoren en patiënten alsof hij ze werkelijk had gezien. Florence had geen reden om te twijfelen. Ze studeerde zelf hard, werd apotheker, en was trots op haar vriend die zo gepassioneerd over geneeskunde sprak.
Toen de jaren verstreken en Jean-Claude theoretisch had moeten afstuderen, verschoof hij de leugen moeiteloos naar de volgende fase. Hij beweerde een onderzoekspositie te hebben gekregen bij het INSERM, het Franse nationale instituut voor gezondheidsonderzoek. Daarna, toen dat verhaal begon te slijten, promoveerde hij zichzelf tot onderzoeker bij de Wereldgezondheidsorganisatie in Genève, de WHO, op slechts twintig minuten rijden van hun woonplaats Prévessin-Moëns, een rustig Frans grensdorp aan de Zwitserse grens.
Elke werkdag reed Jean-Claude naar Genève. Hij parkeerde zijn auto op het WHO-terrein, dat deels openbaar toegankelijk was, en liep het gebouw binnen. Soms zat hij in de cafetaria. Soms wandelde hij door de gangen. Soms reed hij gewoon door en bracht de dag door in zijn auto, op parkeerplaatsen langs het Meer van Genève, lezend in medische tijdschriften. Niemand bij de WHO kende hem. Hij had geen badge, geen bureau, geen computer, geen collega's. Toch wist hij genoeg over de organisatie om thuis overtuigend te vertellen over vergaderingen, projecten en internationale conferenties.
Florence en Jean-Claude trouwden. Ze kregen twee kinderen: Caroline in 1985 en Antoine in 1987. Het gezin woonde in een comfortabel huis in Prévessin-Moëns, omringd door vrienden die Jean-Claude bewonderden om zijn bescheidenheid en zijn indrukwekkende carrière. Zijn beste vriend was Luc Ladmiral, een huisarts uit het dorp. Luc en Jean-Claude speelden samen tennis, aten samen, en bespraken medische kwesties alsof ze collega's waren. Luc had nooit het kantoor van Jean-Claude bezocht, dat was immers bij de WHO, een beveiligde internationale organisatie. Niemand vond het vreemd dat Jean-Claude geen vast kantoornummer had. Als Florence hem wilde bereiken, belde ze een antwoorddienst, waarna Jean-Claude binnen enkele minuten terugbelde op zijn pieper. Het was de tijd vóór mobiele telefoons, en het systeem werkte feilloos.
Het geld was een ander probleem. Een WHO-onderzoeker verdiende goed, en Jean-Claude moest dat inkomen ergens vandaan halen. De oplossing was even simpel als meedogenloos: hij stal van de mensen die hem het meest vertrouwden. Aan familieleden en vrienden vertelde hij dat hij toegang had tot exclusieve Zwitserse beleggingsfondsen met een rendement van achttien procent. Zijn ouders gaven hem hun spaargeld. Florence' ouders deden hetzelfde. Vrienden vertrouwden hem tienduizenden franken toe. In totaal verduisterde Jean-Claude naar schatting 2,5 miljoen frank, geld dat hij gebruikte om de hypotheek te betalen, de auto te tanken, en de schijn van welvaart op te houden. Er waren geen beleggingsfondsen. Er was geen rendement. Er was alleen Jean-Claude, die elke maand opnieuw geld van de ene rekening naar de andere schoof om de gaten te dichten.
De leugen had een eigen metabolisme. Ze groeide niet omdat Jean-Claude dat wilde, maar omdat ze moest groeien om te overleven. Elke nieuwe vraag vereiste een nieuw antwoord. Elke nieuwe situatie vereiste een nieuwe aanpassing. Toen een kennis vroeg of hij een lezing kon geven op een medisch congres, zei Jean-Claude ja, en meldde zich vervolgens ziek op de dag zelf. Toen Florence voorstelde om samen naar een WHO-receptie te gaan, verzon hij een beveiligingsprotocol dat partners uitsloot. Toen zijn schoonvader in 1988 begon aan te dringen op teruggave van een groot geldbedrag, gebeurde er iets opmerkelijks: de oude man viel van een trap in het bijzijn van Jean-Claude en raakte zwaargewond. Het werd afgedaan als een ongeluk. Pas jaren later, na de catastrofe, zou de politie zich afvragen of het wel een ongeluk was geweest. Een hernieuwd onderzoek leverde geen bewijs op, maar de twijfel bleef.
Achttien jaar lang functioneerde dit systeem. Achttien jaar lang stond Jean-Claude Romand elke ochtend op, kuste zijn vrouw en kinderen, reed naar Genève, en deed alsof hij een ander mens was. Achttien jaar lang kwam hij 's avonds thuis, at mee, hielp met huiswerk, en ging naar bed naast een vrouw die niet wist dat ze samenleefde met een volslagen fictie. Het was geen dubbelleven in de gebruikelijke zin, er was geen tweede gezin, geen geheim drugslab, geen crimineel netwerk. Er was alleen leegte. Jean-Claude Romand was, in de kern, niemand. Hij had geen diploma, geen baan, geen inkomen, geen identiteit buiten de leugen. En de leugen begon te scheuren.
In de eerste week van januari 1993 liep alles tegelijk vast. Zijn minnares Corinne, een vrouw met wie hij al enkele jaren een buitenechtelijke relatie had, eveneens gebaseerd op leugens, eiste 900.000 frank terug die ze hem had "toevertrouwd" voor beleggingen. Het geld was op. Florence begon vragen te stellen over hun financiën. Het schoolbestuur van de kinderen wilde een afspraak maken met beide ouders, en Jean-Claude kon niet uitleggen waarom zijn werkschema dat onmogelijk maakte. De muren van het bouwwerk trilden.
Op donderdag 7 januari reed Jean-Claude naar een wapenwinkel in de regio. Hij kocht een .22-kaliber jachtgeweer, een geluidsdemper, patronen, twee bussen traangas en een stroomstootwapen. De verkoper verpakte alles netjes. Jean-Claude betaalde contant.
Die avond, terug in Prévessin-Moëns, las hij een boek bij de open haard terwijl Florence de kinderen naar bed bracht. Het huis rook naar houtskool en waspoeder. De televisie stond zacht aan. Buiten was het donker en koud, midden januari in de Ain, de temperatuur net boven het vriespunt. De straat was stil. De lantaarnpalen wierpen oranje kegels op het natte asfalt.
Op vrijdagavond 8 januari, nadat Caroline en Antoine in hun bedden lagen, zaten Jean-Claude en Florence samen in de woonkamer. Florence had kort daarvoor huilend met haar moeder gebeld. De spanning in huis was voelbaar. Wat er precies tussen hen werd gezegd die avond is nooit volledig gereconstrueerd, maar op een gegeven moment stond Jean-Claude op, liep naar de keuken, en pakte een houten deegroller uit de la.
Hij keerde terug naar de woonkamer. Florence zat op de bank, haar rug half naar hem toe. Jean-Claude hief de deegroller op en sloeg haar met volle kracht tegen het achterhoofd. Florence zakte in elkaar. De klap was dodelijk, haar schedel brak onder het geweld. Ze was zevenendertig jaar oud.
Jean-Claude legde haar lichaam op het tweepersoonsbed in de slaapkamer. Hij schikte haar alsof ze sliep, trok de dekens over haar heen, en legde een jas over haar bovenlichaam. Daarna verliet hij het huis. Hij reed naar Lyon, nam 2.000 frank op bij een geldautomaat, en keerde laat in de nacht terug. De kinderen sliepen boven. Ze hadden niets gehoord.
Zaterdagochtend 9 januari 1993. Rond zeven uur rinkelde de telefoon in het huis aan de rand van Prévessin-Moëns. Caroline, zeven jaar, en Antoine, vijf jaar, werden wakker van het geluid. Ze kwamen met slaperige ogen de trap af, hun pyjama's gekreukt, hun haren in de war. Jean-Claude stond beneden in zijn slaapbroek. De kinderen vroegen naar hun moeder.
"Mama slaapt nog," zei hij.
Hij loodste ze naar de woonkamer. De grote grijze hoekbank stond tegenover de televisie. Jean-Claude zette de videorecorder aan en schoof een VHS-cassette in het apparaat: De Drie Kleine Biggetjes, een tekenfilm die de kinderen al tientallen keren hadden gezien. Het vertrouwde beeld flikkerde op het scherm. In de keuken schudde hij Coco Pops in twee witte kommen en goot er koude melk overheen. Hij droeg de kommen naar de woonkamer en ging tussen zijn kinderen zitten: Caroline links, Antoine rechts.
Het knarsen van de cornflakes. Het zachte geluid van de tekenfilm. Het grijze winterlicht dat door de gordijnen viel. Jean-Claude sloeg zijn armen om zijn kinderen heen en trok ze tegen zich aan. Hij streelde hun haren. "Ik hou van jullie," mompelde hij. Caroline leunde tegen zijn schouder. Antoine lepelde zijn ontbijt naar binnen met de concentratie van een vijfjarige die tegelijk televisie kijkt.
Later, voor de rechtbank, zou Jean-Claude over dit moment zeggen: "Ik wist dat ik, nadat ik Florence had gedood, ook Antoine en Caroline zou doden. Die momenten voor de televisie waren de laatste die we samen zouden doorbrengen."
Een uur verstreek. De tekenfilm liep af. Caroline merkte dat haar vader rilde. Ze zei iets over haar ochtendjas. Jean-Claude keek naar haar en zei toen, op de toon van een bezorgde vader: "Jullie zien er eigenlijk best warm uit. Misschien hebben jullie koorts. Ik ga jullie temperatuur opnemen."
De kinderen vonden het normaal. Hun vader was immers dokter. Caroline liep gewillig de trap op naar haar kamer. Ze ging op haar buik op bed liggen, haar gezicht in het kussen gedrukt, klaar voor de thermometer. Jean-Claude liep achter haar aan de trap op. Halverwege draaide hij zich om en liep terug naar beneden. In de gangkast, achter jassen en paraplu's, stond het .22-kaliber jachtgeweer dat hij twee dagen eerder had gekocht. Hij schroefde de geluidsdemper op de loop. Zijn handen trilden niet.
Terug op Carolines kamer legde hij voorzichtig een kussen over haar hoofd en nek. Het donzen kussen drukte zacht tegen het matras. Caroline lag stil, ze wachtte op de thermometer. Jean-Claude zette de loop van het geweer tegen het kussen en haalde de trekker over. Een doffe knal, gedempt door het kussen en de silencer. Carolines lichaam schoktte één keer en werd dan stil. Het kussen kleurde donker.
Jean-Claude legde het geweer neer. Hij sloot de deur van Carolines kamer en liep de trap af. Beneden zat Antoine nog op de bank. De televisie stond nog aan.
"Kom maar boven," zei Jean-Claude. "Ik ga ook jouw temperatuur meten."
Antoine sprong van de bank en rende de trap op, zoals vijfjarigen dat doen, twee treden tegelijk, zijn kleine handen op de leuning. In de ouderslaapkamer liet Jean-Claude hem op de buik op het bed gaan liggen. Opnieuw het kussen. Opnieuw de loop. Opnieuw de doffe knal. Antoine was op slag dood.
Jean-Claude bleef enkele ogenblikken staan in de stille kamer. Twee kinderen. Twee kamers. Twee kussens doorweekt met bloed. Beneden stonden de halfvolle kommen Coco Pops nog op de salontafel, de melk langzaam roze verkleurend in het ochtendlicht. De videorecorder zooemde zacht, het bandje was afgelopen en spoelde automatisch terug.
Hij verliet het huis.
Die zaterdag reed Jean-Claude Romand naar Clairvaux-les-Lacs, honderdtwintig kilometer naar het noorden, waar zijn ouders woonden. Het was een rit die hij honderden keren had gemaakt, langs de weilanden van de Ain, over de heuvels van de Jura, door dorpjes waar de tijd leek stil te staan. Zijn ouders, beiden op leeftijd, waren blij hem te zien. Ze lunchen samen aan de houten eettafel in de keuken, met uitzicht op de kale winterbomen in de tuin. Brood, kaas, een fles wijn. Het soort maaltijd dat in duizenden Franse huishoudens tegelijk plaatsvond.
Na de lunch vroeg Jean-Claude aan zijn vader of hij even mee naar boven wilde komen. Er was iets met de ventilatie bij het rookkanaal, kon hij even kijken? Zijn vader, behulpzaam als altijd, knielde bij de ventilatieopening onder de trap en boog zich voorover om het rooster te inspecteren. Jean-Claude stond achter hem. Hij trok het jachtgeweer uit zijn jas en schoot zijn vader in de rug. De oude man zakte zonder een woord in elkaar.
Beneden hoorde zijn moeder het geluid. "Wat is er gebeurd?" riep ze vanuit de keuken. Jean-Claude daalde de trap af. Zijn moeder stond bij het aanrecht, haar handen nog vochtig van de afwas. Hij schoot haar neer met twee gerichte schoten. Ze viel achterover op de keukenvloer, naast de tafel waar ze twintig minuten eerder nog samen hadden gegeten. Het broodplankje stond er nog, half leeg.
De familiehond, die onrustig begon te blaffen en aan de trap krabde, schoot hij eveneens dood.
Daarna dekte Jean-Claude de lichamen toe. Zijn moeder bedekte hij met een groenwollen sprei. Over de hond legde hij een donzen deken in dezelfde kleur groen. Hij ruimde de tafel niet af. Hij waste de afwas niet verder. In plaats daarvan ging hij bij de open haard zitten en las een boek. De middag verstreek. De avond viel. Het huis in Clairvaux-les-Lacs was stil, op het tikken van de klok na.
Die avond reed Jean-Claude naar Parijs, waar hij zijn minnares Corinne ontmoette. Corinne, die al maanden haar geld terugeiste, wist niet dat de man tegenover haar diezelfde dag vijf mensen had gedood. Wat ze precies bespraken is niet volledig bekend. Wel is vastgesteld dat Jean-Claude op een gegeven moment probeerde Corinne aan te vallen, met traangas en een stroomstootwapen. Corinne verzette zich hevig en wist te ontkomen. Het was de enige moordpoging die mislukte.
Jean-Claude reed terug naar Prévessin-Moëns. Het was inmiddels zondag, laat in de avond. In zijn huis lagen Florence en de kinderen nog precies zoals hij ze had achtergelaten. Florence op het bed, toegedekt. Caroline en Antoine in hun kamers, de kussens nog over hun hoofden. De verwarming stond aan. Het huis was warm en stil.
Maandagnacht, 11 januari 1993, rond vier uur. Jean-Claude Romand vulde jerrycans met benzine en begon vuur te stichten op de bovenverdieping van zijn eigen huis. De vlammen grepen snel om zich heen, het houten dakgebinte vatte vlam, de rook vulde het trappenhuis. Tegelijkertijd nam hij een handvol barbituraten in: Nembutal-capsules die hij al jaren in een la bewaarde. De pillen waren echter te oud. De werkzame stof was grotendeels afgebroken. In plaats van een fatale dosis kreeg Jean-Claude slechts een verdoving die hem slaperig maakte maar niet doodde.
Hij zakte neer op de bank in de woonkamer, naast het lichaam van Florence. De rook werd dikker. De vlammen bereikten het plafond van de eerste verdieping. Op de salontafel stonden nog steeds de kommen van zaterdagochtend.
Buiten, op straat, zag een buurman rook uit het dak komen. Hij belde de brandweer. Binnen twintig minuten stonden er twee brandweerwagens voor het huis. De brandweermannen forceerden de voordeur en vonden Jean-Claude bewusteloos in de woonkamer, in zijn pyjama, zijn huid grauw van de rook. Ze sleepten hem naar buiten en legden hem in een brandweerwagen. Zijn hartslag was zwak, zijn lichaam koud.
Toen gingen ze terug naar binnen.
In de woonkamer vonden ze Florence, toegedekt met een jas, haar gezicht zwartgeblakerd door de rook. Een brandweerman tilde de jas op en zag de wond aan de achterkant van haar schedel, een diepe, open breuk. Hij dacht dat een balk uit het plafond op haar was gevallen. In de kinderkamers vonden ze Caroline en Antoine. De lichamen waren klein en stil onder de dekens. De autopsie zou later bevestigen wat de brandweermannen op dat moment nog niet begrepen: beide kinderen waren gedood door kogels, niet door vuur.
Luc Ladmiral, de huisarts en beste vriend van Jean-Claude, was een van de eersten die ter plaatse arriveerde. Hij was gebeld door de plaatselijke apotheker, die de rookwolken had gezien. Luc stond op straat, in zijn ochtendjas, en keek toe hoe de brandweermannen de lichamen naar buiten droegen. Toen een agent hem vertelde dat Florence en de kinderen dood waren, stamelde hij: "Is het dan een inbraak?"
Het was geen inbraak.
In de loop van die maandagochtend stuurde de politie een familielid naar het ouderlijk huis van Jean-Claude in Clairvaux-les-Lacs. Een oom brak de deur open en trof de lichamen van Jean-Claudes vader en moeder aan, beiden neergeschoten, beiden toegedekt. De hond lag dood naast de trap.
Vijf doden. Drie locaties. Eén dader.
Terwijl Jean-Claude in een hyperbare zuurstoftank in het ziekenhuis van Genève lag, begon de politie zijn leven te ontrafelen. Ze belden de WHO. De receptioniste zocht in het systeem. Er was geen Dr. Romand bij de WHO. Er was nooit een Dr. Romand bij de WHO geweest. Ze belden het INSERM. Geen Dr. Romand. Ze belden de Université Claude Bernard in Lyon. Jean-Claude Romand had nooit een medisch diploma behaald. Hij had nooit zijn tweede jaar afgerond. Hij was geen arts. Hij was geen onderzoeker. Hij was niets.
In zijn auto vond de politie een handgeschreven brief, een soort bekentenis, warrig en onsamenhangend, waarin hij schreef dat alles een leugen was geweest. Alles. Vanaf het begin.
De schok in Prévessin-Moëns was totaal. Luc Ladmiral, die achttien jaar lang zijn beste vriend was geweest, kon niet bevatten wat hij hoorde. De buren, de schoolouders, de tennisclub, iedereen had Jean-Claude gekend als een vriendelijke, bescheiden man met een indrukwekkende carrière. Niemand had ooit getwijfeld. Niemand had ooit gecontroleerd. De leugen was zo volledig, zo consistent, zo alomvattend geweest dat ze onzichtbaar was geworden. Jean-Claude Romand had achttien jaar lang in het volle zicht geleefd als iemand die niet bestond.
Drie dagen na de brand werd Jean-Claude wakker in het ziekenhuis. De politie stond naast zijn bed. Hij weigerde aanvankelijk te praten. Toen hij uiteindelijk begon te spreken, deed hij dat met een kalmte die de onderzoekers verontrustte.
"Ik heb Florence gedood om haar te beschermen," zei hij. "Om haar te behoeden voor het ondraaglijke lijden dat ze zou hebben ondergaan na mijn zelfmoord. Daarna moest ik ook de kinderen doden. Waar zouden zij zijn geweest zonder hun ouders?"
Het was een redenering die niemand begreep en die Jean-Claude zelf leek te geloven, alsof het doden van zijn gezin een daad van barmhartigheid was geweest in plaats van de ultieme consequentie van achttien jaar bedrog.
Op 25 juni 1996 begon het proces voor de Cour d'assises de l'Ain in Bourg-en-Bresse. De rechtszaal zat vol. Journalisten uit heel Frankrijk waren afgekomen op de zaak die inmiddels bekend stond als l'affaire Romand, de zaak van de nep-dokter die zijn hele gezin had uitgemoord om zijn leugens te beschermen.
Jean-Claude zat in het beklaagdenbankje in een grijs pak, zijn haar netjes gekamd, zijn houding die van een man die gewend was om serieus genomen te worden. Toen de rechter hem confronteerde met de feiten, "U leefde met uw vrouw en kinderen terwijl u plande hen te doden", barstte hij in huilen uit. "Dat idee dreef door mijn hoofd," zei hij, "maar het werd onmiddellijk gemaskeerd door andere plannen. Ik zei tegen mezelf dat ik iets anders aan het doen was."
Over Caroline zei hij, met brekende stem: "Caroline, toen ze geboren werd, was het de mooiste dag van mijn leven. Zij was zo mooi. En ik ben degene die haar heeft vermoord."
De jury had zeven dagen nodig. Op 2 juli 1996 werd Jean-Claude Romand veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf met een veiligheidsperiode van tweeëntwintig jaar, de zwaarst mogelijke straf in het Franse rechtssysteem op dat moment.
In de gevangenis gebeurde iets dat niemand had verwacht. Jean-Claude Romand, de man die achttien jaar lang had gelogen over alles, begon voor het eerst in zijn leven de waarheid te vertellen. Hij werkte mee aan psychiatrisch onderzoek. Hij sprak met journalisten. Hij schreef brieven. En hij zei iets dat misschien het meest verontrustende was van alles: dat hij zich, voor het eerst sinds zijn achttiende, vrij voelde. De leugen was weg. De constructie was ingestort. En onder het puin lag, voor het eerst, een mens zonder masker, zij het een mens die vijf mensen had gedood om dat masker in stand te houden.
Emmanuel Carrère, een van de belangrijkste Franse schrijvers van zijn generatie, raakte geobsedeerd door de zaak. Hij correspondeerde jarenlang met Romand in de gevangenis en publiceerde in 2000 het boek L'Adversaire: De Tegenstander, waarin hij probeerde te begrijpen hoe een mens achttien jaar lang kan leven als iemand anders. Het boek werd een literaire sensatie in Frankrijk. Carrère schreef dat het meest angstaanjagende aan Romand niet zijn gewelddadigheid was, maar zijn normaliteit. Jean-Claude Romand was geen psychopaat in de klinische zin. Hij was geen sadist. Hij was een man die op een dag had besloten om niet de waarheid te vertellen, en die vervolgens had ontdekt dat de leugen makkelijker was dan de schaamte.
De zaak stelde een vraag die niemand bevredigend kon beantwoorden: hoe is het mogelijk dat een man achttien jaar lang doet alsof hij arts is, zonder dat iemand het merkt? Het antwoord lag niet bij Jean-Claude, maar bij de wereld om hem heen. Niemand vroeg om bewijs. Niemand belde zijn werkgever. Niemand controleerde zijn diploma. In een samenleving die draait op vertrouwen, was Jean-Claude Romand het levende bewijs dat vertrouwen een kwetsbaarheid is. Zijn vrouw vertrouwde hem. Zijn ouders vertrouwden hem. Zijn vrienden vertrouwden hem. En hij gebruikte dat vertrouwen als brandstof voor een fictie die uiteindelijk alles en iedereen verteerde.
Na zesentwintig jaar gevangenisstraf diende Jean-Claude Romand een verzoek tot voorwaardelijke vrijlating in. Op 25 april 2019 kende een beroepshof hem die vrijlating toe. In juni 2019 verliet hij de gevangenis, met een elektronische enkelband, onder strikte voorwaarden, en met een nieuwe identiteit. Hij was vijfenzestig jaar oud. Florence zou drieënzestig zijn geweest. Caroline eenendertig. Antoine negenentwintig.
In Prévessin-Moëns staat het huis er niet meer. Het werd na de brand gesloopt. Op de plek waar ooit een woonkamer was, waar twee kinderen op een grijze bank Coco Pops aten bij een tekenfilm, terwijl hun vader hen voor de laatste keer vasthield, groeit nu gras.



