1993 · Prévessin-Moëns, Frankrijk
De Dokter Die Nooit Bestond: Vijf Doden, Achttien Jaar Later
In 1993 doodde Jean-Claude Romand zijn vrouw, kinderen en ouders nadat zijn levenslange leugen instortte: hij bleek geen arts, geen onderzoeker, maar een man die jarenlang zijn hele bestaan had verzonnen.

Op 11 februari 1954 werd in Lons-le-Saunier, een slaperig stadje in de Franse Jura, een jongen geboren die later de meest volmaakte leugenaar van Frankrijk zou worden. Zijn naam was Jean-Claude Romand. Zijn ouders, hardwerkende, bescheiden mensen uit het nabijgelegen Clairvaux-les-Lacs, zagen in hem een wonderkind. Jean-Claude was beleefd, ijverig, en bovenal: briljant op school. Bij zijn eindexamen filosofie schreef hij een uitmuntend essay over de stelling "Bestaat de waarheid?" Hij kreeg er een van de hoogste cijfers voor. Het was een vraag die hem de rest van zijn leven zou achtervolgen, zij het om redenen die niemand toen kon vermoeden.
Na het lyceum schreef Jean-Claude zich in voor de studie geneeskunde aan de Université Claude Bernard in Lyon. Het was 1975, hij was eenentwintig, en de toekomst lag open als een lege snelweg. Zijn ouders straalden. Hun zoon zou dokter worden, het ultieme bewijs dat een gezin uit de provincie het kon maken. De eerste twee jaar verliepen vlekkeloos. Jean-Claude haalde zijn tentamens, maakte vrienden, en begon een relatie met Florence Crolet, een ambitieuze farmaciestudente met donker haar en een aanstekelijke lach. Alles klopte. Tot het tweede jaar.
Bij het herexamen aan het einde van dat jaar, een cruciale horde in de Franse geneeskundestudie, zakte Jean-Claude. Het was geen ramp; studenten zakten vaker en deden het examen gewoon opnieuw. Het verschil was dat Jean-Claude het niemand vertelde. Niet zijn ouders. Niet Florence. Niet zijn vrienden. In plaats daarvan deed hij alsof hij gewoon was geslaagd en ging hij door naar het volgende studiejaar. Hij schreef zich opnieuw in, liep rond op de campus, zat in de bibliotheek, en praatte mee over colleges die hij nooit had gevolgd. Niemand controleerde het. Niemand vroeg om een cijferlijst. De universiteit was groot genoeg om in te verdwijnen zonder op te vallen.
Dat ene onvertelde feit, één gezakt examen, werd de eerste steen van een bouwwerk dat achttien jaar overeind zou blijven.
Jaar na jaar herhaalde Jean-Claude hetzelfde ritueel. Elke ochtend verliet hij het huis alsof hij naar college ging. Hij reed naar de universiteit, parkeerde zijn auto, en liep de bibliotheek in. Daar zat hij urenlang medische handboeken te lezen, niet om te studeren, maar om geloofwaardig te blijven in gesprekken. Hij leerde de juiste termen, de juiste namen, de juiste anekdotes. Als Florence 's avonds vroeg hoe zijn dag was geweest, ratelde hij over professoren en patiënten alsof hij ze werkelijk had gezien. Florence had geen reden om te twijfelen. Ze studeerde zelf hard, werd apotheker, en was trots op haar vriend die zo gepassioneerd over geneeskunde sprak.
Toen de jaren verstreken en Jean-Claude theoretisch had moeten afstuderen, verschoof hij de leugen moeiteloos naar de volgende fase. Hij beweerde een onderzoekspositie te hebben gekregen bij het INSERM, het Franse nationale instituut voor gezondheidsonderzoek. Daarna, toen dat verhaal begon te slijten, promoveerde hij zichzelf tot onderzoeker bij de Wereldgezondheidsorganisatie in Genève, de WHO, op slechts twintig minuten rijden van hun woonplaats Prévessin-Moëns, een rustig Frans grensdorp aan de Zwitserse grens.
Elke werkdag reed Jean-Claude naar Genève. Hij parkeerde zijn auto op het WHO-terrein, dat deels openbaar toegankelijk was, en liep het gebouw binnen. Soms zat hij in de cafetaria. Soms wandelde hij door de gangen. Soms reed hij gewoon door en bracht de dag door in zijn auto, op parkeerplaatsen langs het Meer van Genève, lezend in medische tijdschriften. Niemand bij de WHO kende hem. Hij had geen badge, geen bureau, geen computer, geen collega's. Toch wist hij genoeg over de organisatie om thuis overtuigend te vertellen over vergaderingen, projecten en internationale conferenties.
Florence en Jean-Claude trouwden. Ze kregen twee kinderen: Caroline in 1985 en Antoine in 1987. Het gezin woonde in een comfortabel huis in Prévessin-Moëns, omringd door vrienden die Jean-Claude bewonderden om zijn bescheidenheid en zijn indrukwekkende carrière. Zijn beste vriend was Luc Ladmiral, een huisarts uit het dorp. Luc en Jean-Claude speelden samen tennis, aten samen, en bespraken medische kwesties alsof ze collega's waren. Luc had nooit het kantoor van Jean-Claude bezocht, dat was immers bij de WHO, een beveiligde internationale organisatie. Niemand vond het vreemd dat Jean-Claude geen vast kantoornummer had. Als Florence hem wilde bereiken, belde ze een antwoorddienst, waarna Jean-Claude binnen enkele minuten terugbelde op zijn pieper. Het was de tijd vóór mobiele telefoons, en het systeem werkte feilloos.
Het geld was een ander probleem. Een WHO-onderzoeker verdiende goed, en Jean-Claude moest dat inkomen ergens vandaan halen. De oplossing was even simpel als meedogenloos: hij stal van de mensen die hem het meest vertrouwden. Aan familieleden en vrienden vertelde hij dat hij toegang had tot exclusieve Zwitserse beleggingsfondsen met een rendement van achttien procent. Zijn ouders gaven hem hun spaargeld. Florence' ouders deden hetzelfde. Vrienden vertrouwden hem tienduizenden franken toe. In totaal verduisterde Jean-Claude naar schatting 2,5 miljoen frank, geld dat hij gebruikte om de hypotheek te betalen, de auto te tanken, en de schijn van welvaart op te houden. Er waren geen beleggingsfondsen. Er was geen rendement. Er was alleen Jean-Claude, die elke maand opnieuw geld van de ene rekening naar de andere schoof om de gaten te dichten.
De leugen had een eigen metabolisme. Ze groeide niet omdat Jean-Claude dat wilde, maar omdat ze moest groeien om te overleven. Elke nieuwe vraag vereiste een nieuw antwoord. Elke nieuwe situatie vereiste een nieuwe aanpassing. Toen een kennis vroeg of hij een lezing kon geven op een medisch congres, zei Jean-Claude ja, en meldde zich vervolgens ziek op de dag zelf. Toen Florence voorstelde om samen naar een WHO-receptie te gaan, verzon hij een beveiligingsprotocol dat partners uitsloot. Toen zijn schoonvader in 1988 begon aan te dringen op teruggave van een groot geldbedrag, gebeurde er iets opmerkelijks: de oude man viel van een trap in het bijzijn van Jean-Claude en raakte zwaargewond. Het werd afgedaan als een ongeluk. Pas jaren later, na de catastrofe, zou de politie zich afvragen of het wel een ongeluk was geweest. Een hernieuwd onderzoek leverde geen bewijs op, maar de twijfel bleef.
Achttien jaar lang functioneerde dit systeem. Achttien jaar lang stond Jean-Claude Romand elke ochtend op, kuste zijn vrouw en kinderen, reed naar Genève, en deed alsof hij een ander mens was. Achttien jaar lang kwam hij 's avonds thuis, at mee, hielp met huiswerk, en ging naar bed naast een vrouw die niet wist dat ze samenleefde met een volslagen fictie. Het was geen dubbelleven in de gebruikelijke zin, er was geen tweede gezin, geen geheim drugslab, geen crimineel netwerk. Er was alleen leegte. Jean-Claude Romand was, in de kern, niemand. Hij had geen diploma, geen baan, geen inkomen, geen identiteit buiten de leugen. En de leugen begon te scheuren.
In de eerste week van januari 1993 liep alles tegelijk vast. Zijn minnares Corinne, een vrouw met wie hij al enkele jaren een buitenechtelijke relatie had, eveneens gebaseerd op leugens, eiste 900.000 frank terug die ze hem had "toevertrouwd" voor beleggingen. Het geld was op. Florence begon vragen te stellen over hun financiën. Het schoolbestuur van de kinderen wilde een afspraak maken met beide ouders, en Jean-Claude kon niet uitleggen waarom zijn werkschema dat onmogelijk maakte. De muren van het bouwwerk trilden.
Op donderdag 7 januari reed Jean-Claude naar een wapenwinkel in de regio. Hij kocht een .22-kaliber jachtgeweer, een geluidsdemper, patronen, twee bussen traangas en een stroomstootwapen. De verkoper verpakte alles netjes. Jean-Claude betaalde contant.
Die avond, terug in Prévessin-Moëns, las hij een boek bij de open haard terwijl Florence de kinderen naar bed bracht. Het huis rook naar houtskool en waspoeder. De televisie stond zacht aan. Buiten was het donker en koud, midden januari in de Ain, de temperatuur net boven het vriespunt. De straat was stil. De lantaarnpalen wierpen oranje kegels op het natte asfalt.
Op vrijdagavond 8 januari, nadat Caroline en Antoine in hun bedden lagen, zaten Jean-Claude en Florence samen in de woonkamer. Florence had kort daarvoor huilend met haar moeder gebeld. De spanning in huis was voelbaar. Wat er precies tussen hen werd gezegd die avond is nooit volledig gereconstrueerd, maar op een gegeven moment stond Jean-Claude op, liep naar de keuken, en pakte een houten deegroller uit de la.
Hij keerde terug naar de woonkamer. Florence zat op de bank, haar rug half naar hem toe. Jean-Claude hief de deegroller op en sloeg haar met volle kracht tegen het achterhoofd. Florence zakte in elkaar. De klap was dodelijk, haar schedel brak onder het geweld. Ze was zevenendertig jaar oud.
Jean-Claude legde haar lichaam op het tweepersoonsbed in de slaapkamer. Hij schikte haar alsof ze sliep, trok de dekens over haar heen, en legde een jas over haar bovenlichaam. Daarna verliet hij het huis. Hij reed naar Lyon, nam 2.000 frank op bij een geldautomaat, en keerde laat in de nacht terug. De kinderen sliepen boven. Ze hadden niets gehoord.
Zaterdagochtend 9 januari 1993. Rond zeven uur rinkelde de telefoon in het huis aan de rand van Prévessin-Moëns. Caroline, zeven jaar, en Antoine, vijf jaar, werden wakker van het geluid. Ze kwamen met slaperige ogen de trap af, hun pyjama's gekreukt, hun haren in de war. Jean-Claude stond beneden in zijn slaapbroek. De kinderen vroegen naar hun moeder.
"Mama slaapt nog," zei hij.
Hij loodste ze naar de woonkamer. De grote grijze hoekbank stond tegenover de televisie. Jean-Claude zette de videorecorder aan en schoof een VHS-cassette in het apparaat: De Drie Kleine Biggetjes, een tekenfilm die de kinderen al tientallen keren hadden gezien. Het vertrouwde beeld flikkerde op het scherm. In de keuken schudde hij Coco Pops in twee witte kommen en goot er koude melk overheen. Hij droeg de kommen naar de woonkamer en ging tussen zijn kinderen zitten: Caroline links, Antoine rechts.
Het knarsen van de cornflakes. Het zachte geluid van de tekenfilm. Het grijze winterlicht dat door de gordijnen viel. Jean-Claude sloeg zijn armen om zijn kinderen heen en trok ze tegen zich aan. Hij streelde hun haren. "Ik hou van jullie," mompelde hij. Caroline leunde tegen zijn schouder. Antoine lepelde zijn ontbijt naar binnen met de concentratie van een vijfjarige die tegelijk televisie kijkt.
Later, voor de rechtbank, zou Jean-Claude over dit moment zeggen: "Ik wist dat ik, nadat ik Florence had gedood, ook Antoine en Caroline zou doden. Die momenten voor de televisie waren de laatste die we samen zouden doorbrengen."
Lees en luister verder
Dit verhaal, en de hele bibliotheek
Met Onverteld lees en beluister je elk verhaal volledig, meteen en zonder wachten. Probeer 7 dagen alles voor € 0,99.
Liever eerst horen hoe het klinkt? Beluister twee minuten van dit verhaal.



