2006 · Acassuso, Buenos Aires, Argentinië
Verdwenen Terwijl de Politie Buiten Stond te Wachten
In Buenos Aires gijzelde een bende bankklanten en politie met nepwapens, tijdrekken en een geheime vluchtroute via het riool. Toen het gebouw bestormd werd, waren de daders al verdwenen.

Op vrijdag 13 januari 2006, even na één uur 's middags, liep een slanke vrouw met kort haar de Banco Río binnen in Acassuso, een welgestelde buitenwijk ten noorden van Buenos Aires. Ze droeg geen tas, vulde geen formulier in, en sloot zich niet aan bij de rij voor de balie. Ze keek. Haar ogen gleden langs de bewakingscamera's boven de ingang, langs de positie van de gewapende beveiliger bij de deur, langs de trap naar het souterrain. Toen draaide ze zich om en vertrok. De hele handeling duurde minder dan twee minuten. Niemand in de bank besteedde er aandacht aan.
Zeven minuten later, om 13:05 precies, stormden twee mannen door diezelfde deur naar binnen.
De eerste droeg een donkere pruik over zijn korte haar en had een stoppelbaard van enkele dagen. De tweede had een zonnebril op die de helft van zijn gezicht bedekte. Beiden hadden een sporttas over één schouder. Voordat de beveiliger bij de deur kon reageren, had de man met de pruik al een pistool op hem gericht. De tweede overvaller richtte zich op de politieagent die in de bank op post stond, een standaardmaatregel bij Argentijnse bankfilialen. Binnen dertig seconden waren beide bewakers ontwapend. Hun dienstwapens verdwenen in de sporttassen.
De bankhal, die op dat moment zo'n twintig klanten en een handvol medewerkers telde, verstijfde. Stoelen vielen om op de marmeren vloer. Iemand gilde kort, maar het geluid stierf weg toen de man met de pruik zijn wapen hief en met een verrassend kalme stem zei dat iedereen op de grond moest gaan liggen. Dat niemand iets zou overkomen. Dat het alleen om geld ging.
Wat de aanwezigen op dat moment niet wisten, wat de politie niet wist, wat de nieuwsploegen die binnen een kwartier zouden arriveren niet wisten, was dat deze twee mannen slechts de openingsact vormden van een plan dat maanden eerder was bedacht door een man die zichzelf beschouwde als filosoof.
Fernando Araujo was geen typische crimineel. Hij was een beoefenaar van vechtsporten, een lezer van oosterse filosofie, en een man die ervan overtuigd was dat je een misdaad kon plegen die niemand pijn deed. Zijn credo, dat hij later in interviews zou herhalen alsof het een mantra was: "Sin armas ni violencia", zonder wapens en zonder geweld. De bankroof die hij had ontworpen was geen impulsieve daad. Het was, in zijn eigen woorden, "een filosofische en spirituele oefening." Het feit dat die oefening toevallig miljoenen dollars zou opleveren, beschouwde hij als een bijkomstigheid.
Araujo had zijn team zorgvuldig samengesteld. Rubén Alberto de la Torre, bijgenaamd "Beto," was een ervaren inbreker met een talent voor het openen van sloten. Sebastián García Bolster was ingenieur, de man die de technische kant van het plan zou uitvoeren, van tunnelbouw tot het forceren van kluisdeuren. José Julián Zalloecheverría fungeerde als de stille kracht, de man die het zware werk deed zonder vragen te stellen. En dan was er Luis Mario Vitette Sellanes, een Uruguayaan met een achtergrond in theater, die de rol van zijn leven zou spelen.
Vitette was de man in het grijze pak.
Terwijl de twee overvallers bij de deur de bankhal onder controle brachten, verscheen Vitette vanachter een pilaar alsof hij er de hele tijd al had gestaan. Hij droeg een keurig grijs maatkostuum, had een grijzend snorretje, mogelijk vals, en bewoog zich met de ontspannen autoriteit van iemand die gewend was bevelen te geven. Een van de gijzelaars zou later verklaren dat ze aanvankelijk dacht dat hij een politiecommissaris was die de situatie kwam oplossen. In werkelijkheid was Vitette de regisseur van een zorgvuldig geënsceneerd toneelstuk.
Hij liep naar de telefoon achter de balie, nam plaats op de stoel van de filiaalmanager, en wachtte tot het toestel zou rinkelen. Dat duurde niet lang.
Buiten was de reactie van de politie snel en massief geweest. Binnen twintig minuten na het eerste alarm stonden er tientallen agenten rond het gebouw. Dat aantal zou in de loop van de middag groeien tot ruim tweehonderd, inclusief scherpschutters van het gespecialiseerde Grupo Halcón die posities innamen op de daken van omliggende panden. Nieuwshelikopters cirkelden boven de straat. Televisiecamera's zonden live uit. Heel Argentinië keek mee naar wat eruitzag als een klassieke gijzelingssituatie in een chique buitenwijk.
Miguel Sileo, de politie-onderhandelaar van Grupo Halcón, belde de bank. Vitette nam op. Zijn stem was kalm, bijna gemoedelijk. Hij eiste voertuigen voor een veilige aftocht. Hij vroeg om eten. Hij stelde voorwaarden voor de vrijlating van gijzelaars. Het was precies het soort gesprek dat Sileo honderden keren eerder had gevoerd, de standaardchoreografie van een gijzelingssituatie, waarbij tijd de belangrijkste bondgenoot van de politie was. Hoe langer de onderhandeling duurde, hoe groter de kans op een vreedzame afloop.
Maar Sileo wist niet dat tijd deze keer de bondgenoot van de overvallers was.
Na ongeveer een uur liet Vitette een gijzelaar vrij als gebaar van goede wil. De man, een bankklant die op het verkeerde moment was binnengekomen, strompelde naar buiten, bleek en trillend. Agenten vingen hem op en probeerden informatie uit hem te krijgen. Hoeveel overvallers waren er? Welke wapens hadden ze? Waar bevonden ze zich precies? De man kon nauwelijks een woord uitbrengen. Hij was verstijfd van angst.
Sileo belde Vitette terug. "Che," zei hij, half spottend, half pragmatisch, "stuur me de volgende keer een wat spraakzamere gijzelaar. Die kerel die je net vrijliet kan door de schrik geen woord uitbrengen." Aan de andere kant van de lijn klonk een lach. Vitette bevestigde dat het verder "kalm" was met de overgebleven gijzelaars. Drieëntwintig mensen zaten nog binnen, zei hij. Allemaal ongedeerd. Dat zou zo blijven, zolang de politie zich aan de afspraken hield.
Het gesprek had de toon van twee professionals die elkaars vak respecteerden. Sileo probeerde tijd te rekken. Vitette deed precies hetzelfde, maar om een heel andere reden.
Want terwijl Vitette boven aan de telefoon zat en de aandacht van tweehonderd agenten, tientallen camera's en miljoenen televisiekijkers op zich gericht hield, gebeurde het eigenlijke werk twee verdiepingen lager.
De Banco Río in Acassuso had, zoals veel Argentijnse bankfilialen in welgestelde wijken, een uitgebreide kluisruimte in het souterrain. Achter een zware stalen kluisdeur bevonden zich rijen individuele safeloketten, rechthoekige metalen kastjes waarin vermogende klanten hun kostbaarheden bewaarden. Contant geld in meerdere valuta. Goudstaven. Juwelen. Diamanten. Horloges. Documenten die voor de eigenaren onvervangbaar waren. Het was een schatkamer van de bovenklasse van San Isidro, en het was het werkelijke doelwit van de overval.
De route naar die schatkamer liep niet via de trap.
In de weken en maanden voor 13 januari had García Bolster, de ingenieur van het team, een tunnel gegraven die het gemeentelijke rioolstelsel verbond met de kelder van de bank. Het was precisiewerk. De tunnel moest lang genoeg zijn om buiten het zicht van de straat te beginnen, stevig genoeg om niet in te storten, en nauwkeurig genoeg om exact op de juiste plek in de kluisruimte uit te komen. García Bolster had de wanden verstevigd met houten balken. Hij had een kleine dam gebouwd in het riool om te voorkomen dat water de tunnel in stroomde tijdens de operatie. Hij had de afstand berekend, de richting bepaald, de diepte gecontroleerd. Het was het werk van een man die wist wat hij deed.
Op de dag van de overval, terwijl boven de gijzeling begon, kwamen bendeleden via het rioolstelsel de tunnel in en bereikten de kelder van de bank. Ze maakten de laatste doorbraak, een boorgat in de vloer van de kluisruimte, groot genoeg voor een volwassen man om doorheen te kruipen. Vanaf dat moment begon de klok te tikken.
De mannen in de kelder werkten methodisch. Ze hadden op maat gemaakte inbrekerswerktuigen meegenomen, stalen staven, hefboomwerktuigen, sleutels die speciaal waren vervaardigd om de slotmechanismen van de loketten te forceren. Ze droegen lichte latex werkhandschoenen, het soort dat je bij een bouwmarkt koopt, om geen vingerafdrukken achter te laten en om de scherpe metaalranden van opengebroken kastjes te kunnen vastpakken zonder zich te snijden.
Lees en luister verder
Dit verhaal, en de hele bibliotheek
Met Onverteld lees en beluister je elk verhaal volledig, meteen en zonder wachten. Probeer 7 dagen alles voor € 0,99.
Liever eerst horen hoe het klinkt? Beluister twee minuten van dit verhaal.


