ONVERTELD
← Alle verhalen

2006 · Acassuso, Buenos Aires, Argentinië

Verdwenen Terwijl de Politie Buiten Stond te Wachten

In Buenos Aires gijzelde een bende bankklanten en politie met nepwapens, tijdrekken en een geheime vluchtroute via het riool. Toen het gebouw bestormd werd, waren de daders al verdwenen.

17 min lezenBanco RíoBankovervalGijzeling

Op vrijdag 13 januari 2006, even na één uur 's middags, liep een slanke vrouw met kort haar de Banco Río binnen in Acassuso, een welgestelde buitenwijk ten noorden van Buenos Aires. Ze droeg geen tas, vulde geen formulier in, en sloot zich niet aan bij de rij voor de balie. Ze keek. Haar ogen gleden langs de bewakingscamera's boven de ingang, langs de positie van de gewapende beveiliger bij de deur, langs de trap naar het souterrain. Toen draaide ze zich om en vertrok. De hele handeling duurde minder dan twee minuten. Niemand in de bank besteedde er aandacht aan.

Zeven minuten later, om 13:05 precies, stormden twee mannen door diezelfde deur naar binnen.

De eerste droeg een donkere pruik over zijn korte haar en had een stoppelbaard van enkele dagen. De tweede had een zonnebril op die de helft van zijn gezicht bedekte. Beiden hadden een sporttas over één schouder. Voordat de beveiliger bij de deur kon reageren, had de man met de pruik al een pistool op hem gericht. De tweede overvaller richtte zich op de politieagent die in de bank op post stond, een standaardmaatregel bij Argentijnse bankfilialen. Binnen dertig seconden waren beide bewakers ontwapend. Hun dienstwapens verdwenen in de sporttassen.

De bankhal, die op dat moment zo'n twintig klanten en een handvol medewerkers telde, verstijfde. Stoelen vielen om op de marmeren vloer. Iemand gilde kort, maar het geluid stierf weg toen de man met de pruik zijn wapen hief en met een verrassend kalme stem zei dat iedereen op de grond moest gaan liggen. Dat niemand iets zou overkomen. Dat het alleen om geld ging.

Wat de aanwezigen op dat moment niet wisten, wat de politie niet wist, wat de nieuwsploegen die binnen een kwartier zouden arriveren niet wisten, was dat deze twee mannen slechts de openingsact vormden van een plan dat maanden eerder was bedacht door een man die zichzelf beschouwde als filosoof.

Fernando Araujo was geen typische crimineel. Hij was een beoefenaar van vechtsporten, een lezer van oosterse filosofie, en een man die ervan overtuigd was dat je een misdaad kon plegen die niemand pijn deed. Zijn credo, dat hij later in interviews zou herhalen alsof het een mantra was: "Sin armas ni violencia", zonder wapens en zonder geweld. De bankroof die hij had ontworpen was geen impulsieve daad. Het was, in zijn eigen woorden, "een filosofische en spirituele oefening." Het feit dat die oefening toevallig miljoenen dollars zou opleveren, beschouwde hij als een bijkomstigheid.

Araujo had zijn team zorgvuldig samengesteld. Rubén Alberto de la Torre, bijgenaamd "Beto," was een ervaren inbreker met een talent voor het openen van sloten. Sebastián García Bolster was ingenieur, de man die de technische kant van het plan zou uitvoeren, van tunnelbouw tot het forceren van kluisdeuren. José Julián Zalloecheverría fungeerde als de stille kracht, de man die het zware werk deed zonder vragen te stellen. En dan was er Luis Mario Vitette Sellanes, een Uruguayaan met een achtergrond in theater, die de rol van zijn leven zou spelen.

Vitette was de man in het grijze pak.

Terwijl de twee overvallers bij de deur de bankhal onder controle brachten, verscheen Vitette vanachter een pilaar alsof hij er de hele tijd al had gestaan. Hij droeg een keurig grijs maatkostuum, had een grijzend snorretje, mogelijk vals, en bewoog zich met de ontspannen autoriteit van iemand die gewend was bevelen te geven. Een van de gijzelaars zou later verklaren dat ze aanvankelijk dacht dat hij een politiecommissaris was die de situatie kwam oplossen. In werkelijkheid was Vitette de regisseur van een zorgvuldig geënsceneerd toneelstuk.

Hij liep naar de telefoon achter de balie, nam plaats op de stoel van de filiaalmanager, en wachtte tot het toestel zou rinkelen. Dat duurde niet lang.

Buiten was de reactie van de politie snel en massief geweest. Binnen twintig minuten na het eerste alarm stonden er tientallen agenten rond het gebouw. Dat aantal zou in de loop van de middag groeien tot ruim tweehonderd, inclusief scherpschutters van het gespecialiseerde Grupo Halcón die posities innamen op de daken van omliggende panden. Nieuwshelikopters cirkelden boven de straat. Televisiecamera's zonden live uit. Heel Argentinië keek mee naar wat eruitzag als een klassieke gijzelingssituatie in een chique buitenwijk.

Miguel Sileo, de politie-onderhandelaar van Grupo Halcón, belde de bank. Vitette nam op. Zijn stem was kalm, bijna gemoedelijk. Hij eiste voertuigen voor een veilige aftocht. Hij vroeg om eten. Hij stelde voorwaarden voor de vrijlating van gijzelaars. Het was precies het soort gesprek dat Sileo honderden keren eerder had gevoerd, de standaardchoreografie van een gijzelingssituatie, waarbij tijd de belangrijkste bondgenoot van de politie was. Hoe langer de onderhandeling duurde, hoe groter de kans op een vreedzame afloop.

Maar Sileo wist niet dat tijd deze keer de bondgenoot van de overvallers was.

Na ongeveer een uur liet Vitette een gijzelaar vrij als gebaar van goede wil. De man, een bankklant die op het verkeerde moment was binnengekomen, strompelde naar buiten, bleek en trillend. Agenten vingen hem op en probeerden informatie uit hem te krijgen. Hoeveel overvallers waren er? Welke wapens hadden ze? Waar bevonden ze zich precies? De man kon nauwelijks een woord uitbrengen. Hij was verstijfd van angst.

Sileo belde Vitette terug. "Che," zei hij, half spottend, half pragmatisch, "stuur me de volgende keer een wat spraakzamere gijzelaar. Die kerel die je net vrijliet kan door de schrik geen woord uitbrengen." Aan de andere kant van de lijn klonk een lach. Vitette bevestigde dat het verder "kalm" was met de overgebleven gijzelaars. Drieëntwintig mensen zaten nog binnen, zei hij. Allemaal ongedeerd. Dat zou zo blijven, zolang de politie zich aan de afspraken hield.

Het gesprek had de toon van twee professionals die elkaars vak respecteerden. Sileo probeerde tijd te rekken. Vitette deed precies hetzelfde, maar om een heel andere reden.

Want terwijl Vitette boven aan de telefoon zat en de aandacht van tweehonderd agenten, tientallen camera's en miljoenen televisiekijkers op zich gericht hield, gebeurde het eigenlijke werk twee verdiepingen lager.

De Banco Río in Acassuso had, zoals veel Argentijnse bankfilialen in welgestelde wijken, een uitgebreide kluisruimte in het souterrain. Achter een zware stalen kluisdeur bevonden zich rijen individuele safeloketten, rechthoekige metalen kastjes waarin vermogende klanten hun kostbaarheden bewaarden. Contant geld in meerdere valuta. Goudstaven. Juwelen. Diamanten. Horloges. Documenten die voor de eigenaren onvervangbaar waren. Het was een schatkamer van de bovenklasse van San Isidro, en het was het werkelijke doelwit van de overval.

De route naar die schatkamer liep niet via de trap.

In de weken en maanden voor 13 januari had García Bolster, de ingenieur van het team, een tunnel gegraven die het gemeentelijke rioolstelsel verbond met de kelder van de bank. Het was precisiewerk. De tunnel moest lang genoeg zijn om buiten het zicht van de straat te beginnen, stevig genoeg om niet in te storten, en nauwkeurig genoeg om exact op de juiste plek in de kluisruimte uit te komen. García Bolster had de wanden verstevigd met houten balken. Hij had een kleine dam gebouwd in het riool om te voorkomen dat water de tunnel in stroomde tijdens de operatie. Hij had de afstand berekend, de richting bepaald, de diepte gecontroleerd. Het was het werk van een man die wist wat hij deed.

Op de dag van de overval, terwijl boven de gijzeling begon, kwamen bendeleden via het rioolstelsel de tunnel in en bereikten de kelder van de bank. Ze maakten de laatste doorbraak, een boorgat in de vloer van de kluisruimte, groot genoeg voor een volwassen man om doorheen te kruipen. Vanaf dat moment begon de klok te tikken.

De mannen in de kelder werkten methodisch. Ze hadden op maat gemaakte inbrekerswerktuigen meegenomen, stalen staven, hefboomwerktuigen, sleutels die speciaal waren vervaardigd om de slotmechanismen van de loketten te forceren. Ze droegen lichte latex werkhandschoenen, het soort dat je bij een bouwmarkt koopt, om geen vingerafdrukken achter te laten en om de scherpe metaalranden van opengebroken kastjes te kunnen vastpakken zonder zich te snijden.

Het eerste loket ging open met een droge klik. De stalen hefboom wrong het deurtje naar buiten, het metaal boog met een kort, krakend geluid. Binnenin lag een stapel bankbiljetten: Amerikaanse dollars, samengebonden met een elastiek. Die verdwenen in een sporttas. Het tweede loket bevatte een fluwelen zakje met ringen. Het derde een bundel Argentijnse peso's en een gouden horloge. Loket na loket ging open. Klik, krak, leeg. Klik, krak, leeg. De mannen werkten in stilte, communiceerden met handgebaren, en hielden een tempo aan dat verraste door zijn efficiëntie. Af en toe kletterde er een loketdeurtje op de betonnen vloer, een geluid dat boven, door twee verdiepingen beton en staal, niet te horen was.

In totaal forceerden ze meer dan 140 safeloketten. De inhoud, contant geld, goud, juwelen, diamanten, documenten, werd in grote rugzakken en stevige sporttassen gepropt. De tassen werden zwaarder naarmate de middag vorderde. Sommige moesten met twee man worden getild.

Boven bleef Vitette praten. Hij herhaalde zijn eisen. Hij vroeg om water voor de gijzelaars. Hij informeerde naar de voertuigen die hij had geëist. Zijn stem bleef onveranderlijk kalm, bijna verveeld, alsof hij alle tijd van de wereld had. En dat had hij ook. Elke minuut die Sileo aan de telefoon doorbracht, was een minuut waarin beneden weer een loket openging.

Ergens in de loop van de middag, de overval was inmiddels meer dan drie uur aan de gang, deed een van de overvallers iets dat geen enkel praktisch doel diende. Hij pakte een dikke zwarte stift en schreef op de witte muur van de kluisruimte, in grote letters, een rijmende boodschap: "En barrio de ricachones, sin armas ni rencores, es sólo plata y no amores." In een buurt van rijken, zonder wapens of wrok, gaat het alleen om geld en niet om liefde. Het was een handtekening. Een visitekaartje. Een knipoog naar iedereen die het later zou lezen.

Rond halfzeven 's avonds, na meer dan vijf uur, was het werk beneden klaar. De tassen waren vol. De tunnel stond open. Het was tijd om te vertrekken.

De overvallers boven verzamelden de gijzelaars op één plek in de bankhal en zorgden ervoor dat ze nog enige tijd geïmmobiliseerd zouden blijven, zonder geweld, zonder verwondingen. Toen verdwenen ze, één voor één, via de trap naar de kelder en door het gat in de vloer. De laatste man die vertrok schoof een licht meubelstuk, een kastje dat in de kluisruimte stond, over de opening heen. Vanuit de kelder gezien was het gat nu grotendeels aan het zicht onttrokken. Je moest weten waar je moest kijken om het te vinden.

In de tunnel was het aardedonker. Zaklampen wierpen smalle bundels licht op vochtige bakstenen muren. De lucht was klam en koud, doortrokken van de geur van grondwater, een scherp contrast met de gekoelde, steriele bankhal twee verdiepingen hoger. De mannen kropen door de nauwe gang, hun tassen schurend over de betonnen bodem, tot ze het bredere rioolstelsel bereikten.

Daar lagen twee opblaasbare rubberboten klaar. Het waren compacte boten, het soort dat je voor watersport gebruikt, groot genoeg voor twee of drie personen plus bagage. De mannen laadden de zware tassen in, stapten in de boten, en begonnen te peddelen door het ondiepe water van de ondergrondse afwateringsgang. Het geluid van hun peddels, een zacht, ritmisch geplons, weerkaatste tegen de tunnelwanden. Boven hen, op straatniveau, stonden tweehonderd gewapende agenten nog steeds naar de voordeur van de bank te kijken.

Na enkele honderden meters bereikten de boten een punt waar de rioolgang uitkwam op een grotere waterloop. De mannen klommen uit de boten, lieten ze halfleeg achter in het water, en hesen zich via een mangat omhoog naar de oppervlakte. Het was nog licht buiten, vroeg in de zomeravond, de lucht grauw en drukkend boven Buenos Aires. Bij het mangat stonden twee auto's geparkeerd, eerder gestolen en hier neergezet als onderdeel van het plan. De tassen werden overgeladen. De mannen stapten in. De auto's reden weg, rustig, zonder haast, alsof ze nergens naartoe hoefden.

Op dat moment, om iets voor zeven uur 's avonds, begon de politie iets te vermoeden. De telefoonlijn naar de bank was stil gevallen. Vitette nam niet meer op. De onderhandelingen, die uren hadden geduurd, waren plotseling afgekapt zonder verklaring. Sileo probeerde opnieuw te bellen. Geen antwoord. Nog een keer. Stilte.

Om 19:00 gaf de commandant het bevel tot bestorming.

De commando's van Grupo Halcón braken door de voordeur. Zwaarbewapend, in zwarte uniformen, vizieren neer, geweren in de aanslag. Ze schreeuwden de standaardcommando's, "¡Policía! ¡Arriba las manos!", terwijl ze in formatie de bankhal binnenstormden. De gijzelaars, die nog steeds op de grond lagen, gilden het uit. Een kort moment van pure paniek, het soort moment waarop alles kan escaleren.

Maar er kwam geen schot terug.

De agenten verspreidden zich door het gebouw. Ze doorzochten elke kamer, elk kantoor, elke kast. Wapens gericht, vingers aan de trekker, klaar voor een vuurgevecht dat niet kwam. Want er was niemand om tegen te vechten. De bankhal was leeg. De kantoren waren leeg. De overvallers waren weg.

Op de vloer lagen achtergelaten wapens, pistolen en een geweer dat er dreigend uitzag. Later onderzoek zou uitwijzen dat het replica's waren. Speelgoedwapens. Geen van de wapens waarmee de overvallers urenlang 23 mensen in bedwang hadden gehouden, kon een echte kogel afvuren.

Een groep agenten daalde af naar de kelder. Ze openden de kluisdeur en betraden de kluisruimte. Wat ze aantroffen was een ravage. Rijen safeloketten gaapten open, hun deurtjes verbogen of losgerukt. Papieren lagen verspreid over de betonnen vloer. Fluwelen zakjes, leeg. Metalen fragmenten van geforceerde sloten. En op de muur, in grote zwarte letters, de boodschap: "En barrio de ricachones, sin armas ni rencores, es sólo plata y no amores."

Een agent las de woorden hardop voor. Een ander schudde zijn hoofd.

Toen schoof iemand het kastje opzij dat midden in de ruimte stond. Daaronder gaapte een rond gat in de vloer, groot genoeg voor een volwassen man. Een koude luchtstroom steeg op uit de duisternis. Ergens diep beneden klonk het geluid van stromend water.

De realisatie verspreidde zich als een schokgolf door het gebouw. De overvallers hadden niet geprobeerd te ontsnappen via de voordeur, niet via het dak, niet via een achteruitgang. Ze waren verdwenen onder de grond, door een tunnel die ze zelf hadden gegraven, terwijl tweehonderd agenten boven stonden te wachten op een overgave die nooit zou komen. De gijzeling was nooit het doel geweest. Het was het decor. Een toneelstuk, opgevoerd door een man in een grijs pak met een achtergrond in theater, bedoeld om de aandacht af te leiden van wat er werkelijk gebeurde: de systematische plundering van meer dan 140 kluisjes, twee verdiepingen onder de voeten van het grootste politiekordon dat Acassuso ooit had gezien.

Een rechercheur liet zich op een bankje zakken, staarde naar het gat in de vloer, en zei hardop wat iedereen dacht: "Dit gaat de roof van de eeuw genoemd worden."

Hij had gelijk.

De Argentijnse media doopten de overval onmiddellijk tot "El Robo del Siglo", de Roof van de Eeuw. De schattingen over de buit varieerden, maar het meest genoemde bedrag was ongeveer 8 miljoen dollar aan contant geld, aangevuld met een onbekende hoeveelheid juwelen, goud en kostbaarheden uit de safeloketten. Sommige bronnen schatten de totale waarde op 19 miljoen dollar plus 80 kilo aan juwelen. Het exacte bedrag zou nooit worden vastgesteld, om de simpele reden dat veel kluishouders niet precies wilden verklaren wat er in hun loketten had gelegen.

De politie tastte wekenlang in het duister. De beveiligingscamera's in de bank waren grotendeels onklaar gemaakt, de overvallers hadden camera's vernield en videobanden meegenomen. Slechts een paar camera's die naar een externe centrale doorzonden, leverden bruikbaar maar onscherp beeldmateriaal op. De gestolen auto's werden teruggevonden, verlaten en leeg, in andere wijken. De rubberboten dreven halfleeg in het riool. De tunnel was vakkundig aangelegd en leverde geen bruikbare sporen op. De mysterieuze vrouw die vlak voor de overval de bank had verkend, werd nooit geïdentificeerd.

Het leek erop dat de overvallers ermee weg zouden komen.

Maar toen mengde zich een zesde persoon in het verhaal, iemand die niet in de bank was geweest, niet in de tunnel, niet in de boten. Alicia Di Tullio was de ex-vrouw van Rubén de la Torre, het bendelid dat bekendstond als "Beto." De relatie was slecht geëindigd. Weken na de overval, gedreven door woede of teleurstelling of een combinatie van beide, nam Di Tullio contact op met de politie. Ze gaf namen. Ze gaf details. Ze gaf de rechercheurs precies wat ze nodig hadden om de puzzelstukjes in elkaar te passen.

De arrestaties volgden snel. De la Torre werd opgepakt. Araujo, het brein, werd gevonden. García Bolster, de ingenieur. Zalloecheverría. En Vitette, de man in het grijze pak, de Uruguayaan die zes uur lang de politie aan de telefoon had gehouden met de overtuigingskracht van een getraind acteur, wat hij, in zekere zin, ook was. Hij had theater gestudeerd voordat hij overstapte naar een carrière in de misdaad.

Het proces begon op 15 februari 2010, meer dan vier jaar na de overval, voor het Tribunal Oral en lo Criminal N° 1 de San Isidro. De rechters María Elena Márquez, Alberto Ortolani en Gonzalo Aquino hoorden wekenlang getuigenissen, bekeken beeldmateriaal, en reconstrueerden stap voor stap hoe zes mannen en minstens één vrouw een van de best beveiligde banken van Buenos Aires hadden leeggeroofd onder de neus van tweehonderd agenten.

Op 21 mei 2010 vielen de vonnissen. De la Torre kreeg 15 jaar. Araujo 14 jaar. Zalloecheverría 10 jaar. García Bolster 9 jaar. De straffen waren, gezien de omvang van de buit, opmerkelijk mild. De reden was precies het principe dat Araujo vanaf het begin had gehanteerd: er waren geen echte wapens gebruikt, er was niemand gewond geraakt, er was geen druppel bloed gevloeid. De nepwapens, de speelgoedpistolen waarmee 23 mensen urenlang in bedwang waren gehouden, werkten als verzachtende omstandigheid.

Vitette, als buitenlander, werd na ongeveer zeven jaar vrijgelaten en voor altijd Argentinië uitgezet. Hij keerde terug naar Uruguay, waar hij een juwelierszaak opende. In interviews grapte hij: "De juwelen die ik nu verkoop zijn legaal." Araujo's straf werd in hoger beroep teruggebracht. Hij zat uiteindelijk ongeveer anderhalf jaar effectief achter de tralies. Na zijn vrijlating schreef hij mee aan een filmscenario over de overval en werd genomineerd voor een scenarioprijs. García Bolster ging terug naar zijn werk als monteur en probeerde een actiefilmscript te verkopen.

Ze zijn vandaag allemaal vrij.

Het merendeel van de buit is nooit teruggevonden. De politie wist slechts een klein deel van de juwelen en bankbiljetten te achterhalen. Geen van de veroordeelden heeft ooit onthuld waar de rest is gebleven. De mysterieuze vrouw die de bank verkende, is nooit geïdentificeerd. Er wordt gesproken van minstens één, mogelijk twee medeplichtigen die nooit zijn gearresteerd, een "Ladrón Fantasma," een spookdief die zijn deel van de buit in stilte heeft gehouden.

De bank compenseerde alle gedupeerde klanten financieel. Argentijnse banken verscherpten hun veiligheidsprotocollen. Het filiaal in Acassuso ging verder alsof er niets was gebeurd, behalve dat de kluisruimte in het souterrain werd gerenoveerd en de toegang tot het rioolstelsel permanent werd afgesloten.

Jaren later, in een interview, beschreef een van de overvallers het gevoel dat hem na de roof bekroop. "Het is raar," zei hij, "maar ik heb het gevoel dat ík er die dag niet eens bij was, alsof het een ander persoon is overkomen." De roof was zo precies uitgevoerd, zo onwerkelijk in zijn succes, dat zelfs de mannen die hem hadden gepleegd er achteraf niet helemaal in konden geloven.

Araujo, het brein, formuleerde het anders. "Natuurlijk was het geen liefdadigheid wat we deden," zei hij. "Maar als je dingen uitvoert met zo min mogelijk schade, dan zal de natuur je daarvoor belonen."

De natuur, of in elk geval het Argentijnse rechtssysteem, leek het met hem eens te zijn.

Op de muur van de kluisruimte, onder de tl-verlichting die nog steeds brandde toen de politie binnenkwam, stond de zin die alles samenvatte. Acht woorden die de overvallers achterlieten als hun enige verklaring, hun enige excuus, hun enige erfenis: "Sin armas ni rencores, es sólo plata."

Zonder wapens of wrok. Het is alleen maar geld.

Je hoorde de eerste 2 minuten.

Het hele verhaal duurt 21 min. In de app luister je verder waar je gebleven bent.

Luister verder in de app

Verdwenen Terwijl de Politie Buiten Stond te Wachten

0:002:00 / 21:12