ONVERTELD
← Alle verhalen

1922 · Hinterkaifeck, Beieren, Duitsland

Zes Doden, Één Spoor naar Binnen

In 1922 wordt een complete familie op een afgelegen Beierse boerderij vermoord. Voetstappen leiden naar het huis, maar niet ervan weg. De dader lijkt nog dagen te zijn gebleven. Een van Europa’s griezeligste cold cases.

19 min lezenHinterkaifeckOnopgeloste moordzaakBoerderijmoorden

Op een vrijdagmiddag eind maart 1922 liep een 44-jarige vrouw met een kleine koffer over een modderig bospad in Opper-Beieren. Maria Baumgartner was op weg naar haar nieuwe werkplek: een afgelegen boerderij genaamd Hinterkaifeck, zo'n 70 kilometer ten noorden van München. De dennenbomen stonden dicht op elkaar langs het pad. Er was geen verharde weg, geen lantaarn, geen buurhuis in zicht. Alleen het geluid van haar voetstappen in de halfbevroren modder en het geritsel van wind door de naaldbomen.

Maria had de baan als dienstmeid pas een paar dagen eerder aangenomen. Haar voorgangster, Kreszenz Rieger, had ontslag genomen. Kreszenz had tegen dorpelingen gezegd dat ze het op Hinterkaifeck niet meer uithield. Niet vanwege het zware werk of de afgelegen ligging. Maar omdat ze 's nachts voetstappen hoorde op de zolder, terwijl er niemand boven was.

Maria wist daar niets van. Rond 16:30 uur die vrijdag bereikte ze het erf samen met haar zus Franziska, die haar had vergezeld voor de wandeling. De boerderij bestond uit een L-vormig complex: een woonhuis dat via een overdekte gang direct verbonden was met een grote schuur en stallen. Daarnaast stond een kleiner bijgebouw, het zogenaamde Maschinenhaus, een werkplaats met een hakselmachine. Een bakoven stond tegen de buitenmuur. Het geheel lag op een lichte heuvelrug, omringd door akkers en bos, meer dan 500 meter van de dichtstbijzijnde buren verwijderd.

Franziska bleef nog een uurtje. Ze dronk koffie met de familie, wisselde de dienstpapieren uit en vertrok toen het begon te schemeren. Ze liep het bospad terug richting het dorp. Achter haar sloot de boerderij zich als een vuist.

Franziska Baumgartner was vermoedelijk de laatste buitenstaander die de bewoners van Hinterkaifeck levend zag.

De familie die Maria die middag begroette, bestond uit vijf mensen. Andreas Gruber, 63 jaar, was de boer en patriarch. Zijn vrouw Cäzilia, 72, runde het huishouden. Hun dochter Viktoria Gabriel, 35, was weduwe, haar man Karl Gabriel was in 1914 aan het front gesneuveld. Viktoria had twee kinderen: de zevenjarige Cäzilia, die iedereen Cilli noemde, en de tweejarige Josef. Met Maria erbij telde het huishouden zes zielen.

Achter de gevel van dit ogenschijnlijk gewone Beierse boerengezin lag een geschiedenis die het hele dorp kende maar waar niemand openlijk over sprak. In 1915 waren Andreas en Viktoria veroordeeld wegens incest. Andreas had een gevangenisstraf uitgezeten. Viktoria was teruggekeerd naar de boerderij. De kleine Josef, geboren in 1919, werd door veel dorpelingen beschouwd als het kind van die verboden relatie. Het vaderschap bleef officieel onbevestigd, maar de geruchten kleefden aan de familie als teer.

Er was nog iemand die een rol speelde in dit web van relaties: Lorenz Schlittenbauer, een buurman en boer uit het nabijgelegen Gröbern. Schlittenbauer had een kortstondige relatie gehad met Viktoria en claimde de biologische vader van Josef te zijn. Hij had zelfs een huwelijksaanzoek gedaan, maar Andreas Gruber had dat geblokkeerd. De verhouding tussen Schlittenbauer en de Grubers was sindsdien gespannen, beleefd op het oppervlak, maar doortrokken van wrok.

Dit was het huishouden waarin Maria Baumgartner op 31 maart 1922 haar eerste en laatste werkdag begon.

In de weken voor die vrijdag waren er tekenen geweest die achteraf als waarschuwingen konden worden gelezen. Halverwege maart had Andreas Gruber in de sneeuw rond de boerderij iets opgemerkt dat hem verontrustte. Twee paar voetstappen liepen vanuit het bos naar het Maschinenhaus, de werkplaats naast de schuur. De afdrukken waren diep en duidelijk in de sneeuwlaag van 10 tot 15 centimeter die het landschap bedekte. Andreas volgde de sporen tot aan de deur van de werkplaats. Daar hielden ze op. Er waren geen voetstappen terug naar het bos.

Iemand was gekomen en niet meer weggegaan.

Andreas onderzocht de werkplaats en vond braaksporen bij de deur. Het hout rond het slot vertoonde krassen, alsof er met een schroevendraaier of beitel aan was gewerkt. Ook de deur naar de aangrenzende voederkamer had onnatuurlijke beschadigingen. Maar binnen vond hij niemand. Geen spoor van een indringer, geen ontbrekende voorwerpen.

Kort daarna ontdekte hij in het woonhuis een exemplaar van een Münchense krant. Dat was vreemd: de familie las geen Münchense kranten. De bezorgroute van hun eigen regionale krant liep via het dorp, en een Münchner Zeitung werd in deze uithoek van Beieren niet verspreid. Iemand had die krant meegebracht en achtergelaten.

Toen verdween er een sleutel van de boerderij. Zonder verklaring, zonder dat iemand zich herinnerde hem ergens neergelegd te hebben. De sleutel was er, en toen was hij weg.

Buren die Andreas spraken, merkten dat hij onrustig was. Ze raadden hem aan de politie te waarschuwen. Andreas weigerde. Misschien wilde hij geen aandacht trekken op zijn gezin, dat al genoeg schandaal had doorstaan. Misschien dacht hij dat het niets voorstelde. Misschien schaamde hij zich voor de angst die hij voelde op zijn eigen erf.

De voormalige dienstmeid Kreszenz Rieger had haar eigen verhaal. Zij had in de maanden voor haar vertrek herhaaldelijk geluiden gehoord die ze niet kon verklaren. Voetstappen boven haar hoofd, op de zolder van het woonhuis, terwijl alle gezinsleden beneden waren. Het kraken van balken alsof iemand zich verplaatste. Kreszenz had het aan de Grubers verteld. Ze hadden het weggewuifd. Maar Kreszenz was niet het type dat spoken zag. Ze was een nuchtere Beierse boerendochter, gewend aan krakende houten huizen en nachtelijke diergeluiden. Dit was anders, zei ze. Dit klonk als een mens.

De avond van 31 maart 1922 viel vroeg. De zon ging onder rond 18:30 uur. De temperatuur daalde naar het vriespunt. Op het erf van Hinterkaifeck brandde licht in de keuken. De koeien stonden in de stal, het paard in zijn box. De hond lag ergens in het woonhuis. De kleine Josef sliep vermoedelijk al in zijn kinderwagen in de slaapkamer van Viktoria. Maria Baumgartner maakte zich op voor haar eerste nacht in het dienstmeisjesvertrek, een klein kamertje aan de zijkant van het woonhuis.

Wat er die avond precies gebeurde, is meer dan een eeuw later nog steeds niet met zekerheid vastgesteld. Er waren geen overlevenden, geen ooggetuigen, geen bekentenis. Maar de forensische sporen die de politie dagen later aantrof, en de getuigenverklaringen van de mannen die de lichamen vonden, maken het mogelijk om de gebeurtenissen in grote lijnen te reconstrueren.

De dader, of daders, gebruikte een Reuthaue, een zwaar landbouwgereedschap dat het midden houdt tussen een pikhouweel en een hak. Het werktuig had een houten steel van ongeveer 90 centimeter en een ijzeren kop met aan één zijde een brede, platte snijkant en aan de andere een puntige tand. Het was het soort gereedschap dat op elke Beierse boerderij te vinden was, gebruikt om wortels uit de grond te hakken en greppels te graven. De Reuthaue die bij de moorden werd gebruikt, bleek later afkomstig van de boerderij zelf.

De reconstructie die het meest consistent is met de forensische bevindingen, gaat als volgt. Op enig moment in de avond werden de volwassen bewoners: Andreas, Cäzilia senior, Viktoria en mogelijk ook de zevenjarige Cilli, één voor één naar de schuur gelokt of gedreven. De schuur was via de overdekte gang direct bereikbaar vanuit het woonhuis, zonder dat men naar buiten hoefde. In die schuur, in het halfduister tussen hooibalen en stalwanden, werden ze gedood.

Andreas Gruber werd als eerste of als een van de eersten getroffen. De Reuthaue raakte zijn schedel met een kracht die het bot verbrijzelde. Cäzilia senior volgde. Viktoria Gabriel werd met meerdere slagen gedood, haar gezicht was zo zwaar beschadigd dat het later nauwelijks herkenbaar was. De zevenjarige Cilli stierf niet onmiddellijk. Uit de forensische analyse van Dr. Johann Baptist Aumüller, die op 6 en 7 april de secties uitvoerde op een geïmproviseerde tafel op het erf, bleek dat het meisje nog enige tijd had geleefd nadat ze was neergeslagen. In haar handen klemden plukken van haar eigen haar, die ze er in doodsangst uit had getrokken terwijl ze naast de lichamen van haar moeder en grootmoeder lag.

De vier lichamen werden bedekt met hooi. Niet haastig, niet slordig. Iemand had de tijd genomen om ze te verbergen.

Lees en luister verder

Dit verhaal, en de hele bibliotheek

Met Onverteld lees en beluister je elk verhaal volledig, meteen en zonder wachten. Probeer 7 dagen alles voor € 0,99.

Liever eerst horen hoe het klinkt? Beluister twee minuten van dit verhaal.

Je hoorde de eerste 2 minuten.

Het hele verhaal duurt 27 min. Met Onverteld luister je alles af, en staat je hele bibliotheek meteen open. Al lid? Log in

Probeer 7 dagen voor € 0,99

Zes Doden, Één Spoor naar Binnen

0:002:00 / 26:58