ONVERTELD
← Alle verhalen

1929 · Nagyrév, Hongarije

De Vroedvrouw van Nagyrév

In het Hongaarse Nagyrév stierven tussen 1914 en 1929 tientallen mensen na arsenicumvergiftiging. Het spoor leidde naar dorpsvrouwen, een vroedvrouw en een moordpraktijk die jarenlang verborgen bleef.

19 min lezenArsenicumDorpsmoordenHongarije

In april 1929 vond een klerk van het Koninklijk Openbaar Ministerie in Szolnok, een provinciestad aan de Tisza in het hart van Hongarije, een brief zonder afzender tussen de ochtendpost. De envelop was smerig, het handschrift hoekig en onbeholpen, het soort schrift van iemand die zelden een pen vasthoudt. De boodschap was kort en kil: meerdere vrouwen in het dorp Nagyrév vermoordden hun familieleden met gif. Binnen twee weken bracht de postbode nog twee soortgelijke brieven. Drie anonieme meldingen, drie keer dezelfde beschuldiging, drie keer zonder naam of bewijs, alleen de stellige bewering dat er in een vergeten uithoek van de Hongaarse laagvlakte al jarenlang werd gemoord.

De aanklager in Szolnok stond voor een lastig dilemma. Nagyrév lag op een schiereiland van zandgrond, ingeklemd tussen de kronkelende Tisza en een dode rivierarm, in een streek die de Tiszazug werd genoemd, letterlijk "de bocht van de Tisza." Het was een gebied van elf dorpen waar de wegen onverhard waren, de telefoonlijnen niet reikten en de dichtstbijzijnde arts op tientallen kilometers afstand woonde. Anonieme brieven uit zo'n uithoek konden van alles betekenen: een buurvrouwenruzie, een wraakactie, dorpsgekte. Maar de formulering was te specifiek om te negeren. De brieven noemden gif. Ze noemden vrouwen. Ze noemden de vroedvrouw.

Die vroedvrouw heette Zsuzsanna Fazekas, geboren als Oláh Zsuzsanna, in het dorp bekend als "Zsuzsi néni," tante Zsuzsi. Ze was een gezette vrouw van middelbare leeftijd die al sinds het midden van de jaren tien als bába fungeerde: vroedvrouw, kruidenkenner, vertrouwenspersoon. In een dorp zonder dokter was zij de enige medische autoriteit. Zij hielp kinderen ter wereld komen, zij waste de doden, zij schreef de overlijdenspapieren of liet ze schrijven. Wanneer iemand in Nagyrév ziek werd, ging men niet naar Szolnok, men klopte aan bij Zsuzsi néni.

Dat een vrouw met zoveel macht in een geïsoleerd dorp ook macht kon misbruiken, was een gedachte die de autoriteiten in Szolnok ongemakkelijk maakte. Daarom duurde het maanden voordat er daadwerkelijk iemand naar Nagyrév werd gestuurd. Maar de brieven bleven komen, en uiteindelijk gaf het parket opdracht aan de gendarmerie van Cibakháza, het dichtstbijzijnde gendarmeriestation, om poolshoogte te nemen.

Op 15 juli 1929 vertrok een patrouille van drie gendarmes uit Cibakháza richting Nagyrév: onderofficier Császár János, sergeant Bartók József en gendarm Fricska János. Ze reisden over onverharde zandpaden, door een landschap van eindeloze graanvelden en zongeblakerde vlaktes. De Tiszazug was in de zomer een oven, de lucht trilde boven de akkers, de modder van het voorjaar was opgedroogd tot harde korsten, en de enige schaduw kwam van de wilgen langs de rivieroever. Het dorp zelf bestond uit lage, witgekalkte huizen met rieten daken, een kerk, een kroeg en een handvol stoffige straten waar kippen scharrelden en honden in de schaduw lagen.

De gendarmes droegen hun karakteristieke uniform: donkergroene tuniek, rijlaarzen, de kenmerkende hoed met haneveer. In het Hongarije van het interbellum was de gendarmerie de lange arm van de wet op het platteland, gevreesd, gerespecteerd, en zelden welkom. Toen de drie mannen Nagyrév binnenreden, vielen de gesprekken op straat stil. Deuren gingen dicht. Gordijnen bewogen.

Wat de gendarmes niet wisten, was dat ze op het punt stonden de grootste seriemoordaffaire in de Hongaarse geschiedenis bloot te leggen, een netwerk van vergiftiging dat minstens vijftien jaar had geduurd, tientallen daders telde en waarvan de slachtoffers in de honderden liepen.

Het verhaal van hoe dat kon gebeuren, begint niet in 1929, maar vijftien jaar eerder, in de zomer van 1914.

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, vertrokken vrijwel alle mannen uit Nagyrév en de omliggende Tiszazug-dorpen naar het front. De vrouwen bleven achter met de akkers, het vee, de kinderen en de schoonouders. Voor het eerst in hun leven waren ze alleen verantwoordelijk voor alles, en voor het eerst in hun leven waren ze vrij. Vrij van echtgenoten die dronken, die sloegen, die het geld vergokte, die hen als bezit beschouwden. In het Hongarije van die tijd was een boerenvrouw juridisch nauwelijks meer dan een verlengstuk van haar man. Echtscheiding was vrijwel onmogelijk, zeker op het platteland. Een vrouw die haar man verliet, verloor alles: huis, land, kinderen, reputatie.

Maar de oorlog bracht ook iets anders naar de Tiszazug. In de buurt van Nagyrév lag een krijgsgevangenenkamp, en Hongaarse boerderijen kregen buitenlandse krijgsgevangenen toegewezen als arbeidskrachten. Italianen, Russen, Serviërs, jonge mannen, ver van huis, die werkten op de velden van vrouwen wier echtgenoten aan het front zaten. Relaties ontstonden. Sommige vrouwen kregen voor het eerst in hun leven een minnaar die hen met zachtheid behandelde, die hen bloemen bracht in plaats van blauwe plekken.

Toen de oorlog eindigde en de mannen terugkeerden, gebroken, getraumatiseerd, vaak verslaafd aan alcohol, was de situatie explosief. De vrouwen hadden vier jaar lang zelfstandig geleefd. Ze hadden de boerderij draaiende gehouden, ze hadden de oogst binnengehaald, ze hadden ontdekt dat het leven zonder hun echtgenoot niet slechter was, maar beter. En nu stonden die echtgenoten weer in de deuropening, met hun eisen, hun vuisten en hun rechten.

In die verstikkende sfeer van teleurstelling en wanhoop begon Zsuzsanna Fazekas haar tweede beroep uit te oefenen.

Het is niet precies vast te stellen wanneer de eerste vergiftiging plaatsvond. De "actieve jaren" worden in overzichtsbronnen beschreven als de periode 1914 tot 1929, vijftien jaar. Wat wel vaststaat, is de methode. Fazekas gebruikte een ingrediënt dat in elk huishouden in de Tiszazug te vinden was: vliegenpapier. Légypapír, zoals het in het Hongaars heette, kleverige stroken papier die aan het plafond werden gehangen om vliegen te vangen. Het papier was doordrenkt met arsenicum.

De procedure was eenvoudig genoeg om aan een analfabete boerenvrouw uit te leggen. Fazekas nam een vel vliegenpapier, scheurde het in stukken en legde die in een pan met water. Ze bracht het water aan de kook op het houtvuur en liet het sudderen. Het arsenicum loste op in het water. Na het koken zeefde ze de papierstukken eruit en goot de resterende vloeistof in een klein glazen flesje. Het resultaat was een heldere, vrijwel kleurloze en reukloze vloeistof, dodelijk in kleine hoeveelheden, en bijna onmogelijk te onderscheiden van water.

Het flesje ging mee naar huis met de vrouw die erom had gevraagd. Een paar druppels in de soep, in de pálinka, in de koffie. De symptomen leken op die van tientallen gewone ziektes: buikkrampen, braken, diarree, koorts. Op het platteland, waar mensen stierven aan tyfus, cholera, longontsteking en alcoholisme, was een man die na een paar dagen ziekte overleed niets bijzonders. Zeker niet als de vroedvrouw het overlijden vaststelde en de doodsoorzaak op het formulier invulde.

Dat was het mechanisme dat de moorden onzichtbaar maakte. Fazekas was niet alleen de leverancier van het gif, ze was ook degene die de dood officieel verklaarde. Er was geen arts die een tweede mening gaf, geen lijkschouwer die het lichaam onderzocht, geen laboratorium dat bloedmonsters analyseerde. In de Tiszazug was de vroedvrouw het begin en het einde van de medische keten. Ze bracht het leven, en ze documenteerde de dood. Alles wat daartussen lag, was haar domein.

De eerste slachtoffers waren echtgenoten. Mannen die sloegen, mannen die dronken, mannen die in de weg stonden. Maar het bleef niet bij echtgenoten. Naarmate de jaren verstreken en het gif zijn werk deed zonder dat iemand argwaan kreeg, verbreedde de kring van slachtoffers zich. Oude schoonmoeders die te lang leefden en wier erfenis te lang op zich liet wachten. Zieke kinderen die een last waren. Buren met wie een conflict bestond over een stuk land. Minnaars die dreigden het geheim te onthullen.

Het gif werd een instrument voor elk probleem dat niet op een andere manier kon worden opgelost. En in een gemeenschap waar vrouwen geen juridische rechten hadden, geen toegang tot echtscheiding, geen mogelijkheid om te verhuizen of opnieuw te beginnen, waren er veel problemen die niet op een andere manier konden worden opgelost.

Fazekas opereerde niet alleen. Ze had een netwerk van vrouwen om zich heen die het gif distribueerden, die nieuwe klanten aanbrachten, die het geheim bewaakten. Het was een open geheim in het dorp, iedereen wist het, niemand sprak erover, en wie het waagde om vragen te stellen, wist dat zij de volgende kon zijn. Volgens lokale overlevering had Fazekas een standaardzin waarmee ze haar diensten aanbood aan vrouwen die bij haar kwamen met klachten over hun man: "Als er een probleem is met je man, heb ik een oplossing voor je."

De vrouwen die het gif kochten, noemden het niet bij naam. Ze spraken over "orvosság", geneesmiddel. Het was een remedie, een medicijn, een oplossing. Geen gif, geen moord, geen misdaad. De taal zelf werd een dekmantel. In de verhoren die later zouden volgen, bleven vrouwen volhouden dat ze hun mannen "in bedwang hadden gezet" of "rust hadden gegeven", nooit dat ze hen hadden gedood.

Zo verstreken de jaren. 1915, 1916, 1920, 1924. De begraafplaats van Nagyrév groeide gestaag. Mannen stierven, vrouwen hertrouwden, en soms stierven de nieuwe mannen ook. De predikant zegende de graven, de kroeg schonk de rouwborrels, en Zsuzsi néni stond bij elke begrafenis in haar witte kleren, met gevouwen handen en een uitdrukking van gepast medeleven.

Het systeem was waterdicht, tot het dat niet meer was.

De man die het systeem liet kraken, heette Holyba István. Hij was soldaat, een artillerist, gestationeerd ver van de Tiszazug. In 1924 was zijn verwant Holyba Károly begraven in Nagyrév, en István had redenen om te geloven dat die dood niet natuurlijk was geweest. Maar hij was ver weg, hij had geen bewijs, en hij wist dat een beschuldiging tegen de vroedvrouw in een dorp waar iedereen haar beschermde, zinloos was.

Daarom wachtte hij. Vijf jaar lang. Tot hij in het voorjaar van 1929 een pen pakte en een brief schreef aan het Koninklijk Openbaar Ministerie in Szolnok. Geen naam, geen afzender, alleen de feiten zoals hij ze kende. Later zou de gendarmerie hem identificeren als de schrijver van ten minste één van de drie anonieme brieven die het onderzoek in gang zetten.

Waarom juist in 1929? Dat is niet met zekerheid vast te stellen. Mogelijk had István gehoord dat er ook in het naburige Tiszakürt verdachte sterfgevallen waren onderzocht, en voelde hij dat het tij keerde. Mogelijk had hij simpelweg lang genoeg gewacht. Wat vaststaat, is dat zijn brief, samen met de twee andere anonieme meldingen, het parket in Szolnok dwong om te handelen.

En zo arriveerden Császár, Bartók en Fricska op die vijftiende juli in Nagyrév.

De drie gendarmes begonnen hun onderzoek met huisbezoeken. Ze klopten aan bij de witgekalkte huizen, stapten over de drempels de lage keukens in waar het rook naar houtvuur en gefermenteerde pruimen, en stelden vragen. Voorzichtige vragen, eerst. Over sterfgevallen in de familie. Over ziektes. Over de vroedvrouw.

De reacties waren voorspelbaar. Stilte. Ontkenning. Schouderophalen. De vrouwen van Nagyrév hadden vijftien jaar lang een geheim bewaard, ze gingen dat niet opgeven aan drie gendarmes met haneveren op hun hoed. Sommigen weigerden de deur te openen. Anderen gaven korte, nietzeggende antwoorden en keken langs de gendarmes heen, alsof ze lucht waren.

Maar de gendarmes hadden een troef. Ze wisten iets wat de vrouwen niet wisten, of liever: iets waarvan de vrouwen hoopten dat het niet waar was. Arsenicum verdwijnt niet uit een lichaam. Zelfs jaren na de dood kan het worden aangetoond in botten, haar en nagels. De gendarmes begonnen dit feit terloops te laten vallen tijdens hun ondervragingen. Niet als dreigement, maar als mededeling. Een bijkomstigheid. "U weet natuurlijk," zei een van hen tegen een verdachte, "dat arsenicum nog na jaren in het lichaam kan worden aangetoond."

De zin werkte als een bom met vertraging. De vrouwen die het gif hadden gebruikt, hadden altijd geloofd dat de dood het bewijs uitwiste. Een lichaam in de grond was een afgesloten hoofdstuk. Maar als de grond het bewijs bewaarde, als de doden konden spreken, dan was er geen ontsnapping meer.

De eerste bekentenis kwam binnen enkele dagen. Een vrouw brak onder de druk en vertelde wat ze had gedaan, en van wie ze het gif had gekregen. Die naam leidde naar een volgende vrouw, en die naar weer een volgende. Het was als het losmaken van een draad in een breiwerk, zodra je trok, rafelde alles.

Terwijl de bekentenissen binnenstroomden, richtten de gendarmes hun aandacht op Zsuzsanna Fazekas zelf. Ze bezochten haar huis, een laag gebouw aan de rand van het dorp. Fazekas ontving hen met de kalmte van iemand die al lang had geweten dat deze dag zou komen. Ze ontkende alles. Ze was vroedvrouw, geen gifmengster. Ze hielp vrouwen bij de bevalling, ze verzorgde zieken, ze waste de doden. Dat was haar werk, meer niet.

De gendarmes hadden op dat moment nog geen direct bewijs tegen haar. De bekentenissen van andere vrouwen wezen allemaal naar Fazekas als de bron van het gif, maar haar eigen huis leverde niets op, geen flesjes, geen vliegenpapier, geen arsenicum. Ze was te slim geweest om bewijs te bewaren. De gendarmes besloten haar voorlopig niet te arresteren, maar haar in de gaten te houden terwijl ze het onderzoek voortzetten.

Vier dagen later, op 19 juli 1929, was Zsuzsanna Fazekas dood.

De exacte omstandigheden van haar dood zijn omgeven door tegenstrijdige verslagen. Sommige bronnen spreken van zelfvergiftiging, dat ze haar eigen arsenicum innam toen ze begreep dat arrestatie onvermijdelijk was. Andere bronnen noemen andere methoden. Wat vaststaat, is de datum, 19 juli 1929, en het feit dat ze stierf voordat ze kon worden gearresteerd, berecht of veroordeeld.

Het nieuws van haar dood verspreidde zich door het dorp als rook door een kier. Bij de dorpspomp, op de hoeken van de stoffige straten, in de lage keukens fluisterden vrouwen tegen elkaar. Zsuzsi néni was dood. De vrouw die hen het gif had gegeven, die hun geheim had bewaard, die hun mannen had helpen begraven, ze was er niet meer. En de gendarmes waren er nog wel.

De paniek die volgde, leidde tot meer bekentenissen. Vrouwen die eerder hadden gezwegen, beseften dat het netwerk uiteenviel. Zonder Fazekas was er niemand meer die hen kon beschermen, niemand die de overlijdenspapieren kon manipuleren, niemand die het verhaal recht kon houden. Eén voor één kwamen ze naar voren, sommigen huilend, sommigen met de vlakke blik van iemand die al lang had opgegeven.

In augustus 1929 begonnen de exhumaties. Pathologen uit Szolnok reisden naar de begraafplaatsen van Nagyrév en de omliggende dorpen met schoppen, kisten en chemische reagentia. De graven werden geopend, sommige vers, andere jaren oud. De geur van omgewoelde aarde en ontbinding hing over de begraafplaats als een deken. Dorpelingen stonden op afstand toe te kijken hoe de kisten uit de grond werden getild, hoe de deksels werden opengewrikt, hoe mannen in witte jassen monsters namen van wat er nog over was van de lichamen.

De resultaten waren verpletterd. In lichaam na lichaam werd arsenicum aangetroffen, soms in concentraties die ver boven de dodelijke dosis lagen. Botten die al jaren in de grond hadden gelegen, bevatten nog steeds meetbare hoeveelheden van het gif. De doden spraken inderdaad, precies zoals de gendarmes hadden voorspeld.

Het onderzoek breidde zich uit van Nagyrév naar de hele Tiszazug-regio. In elf dorpen werden graven geopend, verdachten ondervraagd, bekentenissen opgetekend. De omvang van wat naar boven kwam, overtrof alles wat de autoriteiten hadden verwacht. Het ging niet om een handvol moorden door een enkele vrouw. Het ging om een systematische vergiftigingspraktijk die zich over vijftien jaar en meerdere dorpen had uitgestrekt, met tientallen daders en, volgens de uiteindelijke aanklacht, 162 slachtoffers.

In oktober 1929 werd de onderzoeksfase officieel afgesloten. De cijfers waren duizelingwekkend: 77 onderzoeken waren geopend, 91 personen waren als verdachte aangemerkt, van wie 81 vrouwen. Uiteindelijk werden 39 personen formeel verdacht van betrokkenheid bij 162 opzettelijke moorden. Van hen werden 28–26 vrouwen en 2 mannen, voor de rechtbank in Szolnok gebracht.

De processen die volgden, strekten zich uit over de jaren 1929 tot 1931, verdeeld over twaalf zittingen. De rechtszaal in Szolnok, normaal een slaperig provinciaal gerechtshof, werd het toneel van wat de Hongaarse pers de "Tiszazugi méregkeverők" noemde, de gifmengers van de Tiszazug. Journalisten uit heel Hongarije en daarbuiten stroomden toe. De schrijver Móricz Zsigmond, een van de belangrijkste Hongaarse auteurs van de twintigste eeuw, woonde de zittingen bij en publiceerde zijn impressies in het literaire tijdschrift Nyugat.

Wat hij zag, was een stoet van vrouwen in gebloemde omslagjaponnen en hoofddoeken, vrouwen met verweerde gezichten en eeltige handen, vrouwen die eruitzagen als de grootmoeders die ze waren, en die werden beschuldigd van moord. Sommigen huilden. Sommigen staarden voor zich uit met lege ogen. Sommigen leken oprecht niet te begrijpen waarom ze hier zaten. Ze hadden toch alleen maar "orvosság" gegeven? Een geneesmiddel? Een oplossing voor een probleem?

De rechters in Szolnok moesten een juridisch precedent scheppen voor iets wat het Hongaarse rechtssysteem nog nooit had meegemaakt: een hele gemeenschap die had samengezworen om te moorden, niet uit politieke of financiële motieven, maar uit de alledaagse wanhoop van vrouwen die geen andere uitweg zagen. De verdediging voerde aan dat de vrouwen slachtoffers waren van hun omstandigheden, van armoede, van huiselijk geweld, van een systeem dat hen geen rechten gaf. De aanklagers hielden vol dat moord moord was, ongeacht de omstandigheden.

De vonnissen vielen zwaar. Zes vrouwen werden ter dood veroordeeld. Acht kregen levenslang. De overigen ontvingen gevangenisstraffen van wisselende duur. Van de zes doodvonnissen werden er uiteindelijk drie uitgevoerd, de andere drie werden omgezet in levenslange gevangenisstraf.

De drie vrouwen die werden geëxecuteerd, stierven door ophanging. Hun namen zijn in de meeste bronnen niet volledig gedocumenteerd, het Hongaarse rechtssysteem van die tijd publiceerde vonnissen niet altijd volledig, en de archieven van de rechtbank in Szolnok zijn niet integraal toegankelijk. Wat wel vaststaat, is dat het de eerste keer in decennia was dat vrouwen in Hongarije de doodstraf kregen voor moord, en dat de executies in de Hongaarse samenleving een schokgolf veroorzaakten.

De zaak haalde de internationale pers. Kranten in Londen, Parijs en New York berichtten over het "vergiftigingsdorp" in Hongarije. De schaal was ongekend, 162 moorden in een regio van elf dorpen, gepleegd over vijftien jaar, zonder dat iemand buiten de gemeenschap het had opgemerkt. Het was een verhaal dat alle categorieën tartte: het was geen seriemoordenaar, geen complot, geen maffia. Het was een dorp. Een gemeenschap van gewone mensen die samen hadden besloten dat moord een acceptabele oplossing was voor de problemen van het dagelijks leven.

De vraag die iedereen stelde, journalisten, rechters, het publiek, was dezelfde: hoe kon dit vijftien jaar lang verborgen blijven?

Het antwoord lag in de structuur van het plattelandsleven in het Hongarije van het interbellum. De Tiszazug was een van de meest geïsoleerde regio's van het land. De dorpen lagen ver van de provinciestad, de wegen waren slecht, er was geen telefoon, geen telegraaf, geen regelmatig politietoezicht. De gendarmerie reed af en toe door, maar had geen permanente post in Nagyrév. De enige overheidsvertegenwoordiger in het dorp was de notaris, en die had geen medische kennis.

In die leegte was de vroedvrouw almachtig. Fazekas bepaalde wie er werd geboren en wie er doodging, althans, op papier. Ze vulde de overlijdensverklaringen in, ze stelde de doodsoorzaak vast, ze was het eerste en laatste aanspreekpunt voor alles wat met gezondheid en dood te maken had. Er was niemand die haar werk controleerde, niemand die een tweede mening gaf, niemand die vragen stelde bij een overlijdensverklaring die "hartfalen" of "maagziekte" vermeldde.

Daarnaast was er de sociale structuur van het dorp zelf. In een gemeenschap waar iedereen alles van iedereen wist, was het geheim van het gif een gedeeld geheim. De vrouwen die het gif gebruikten, wisten van elkaar wat ze deden. Hun buurvrouwen wisten het. Hun dochters wisten het. Het was een stilzwijgende afspraak, een onuitgesproken pact: wij zwijgen, want als één van ons valt, vallen we allemaal.

En dan was er het gif zelf. Arsenicum, gewonnen uit vliegenpapier, was het perfecte moordwapen voor een tijd en plaats zonder forensische wetenschap. Het was kleurloos, reukloos, smaakloos in kleine hoeveelheden. De symptomen van arsenicumvergiftiging, braken, diarree, buikkrampen, waren identiek aan die van tientallen gewone ziektes die op het platteland voorkwamen. En het vliegenpapier zelf was een alledaags huishoudelijk artikel dat in elke winkel te koop was en in elk huis hing. Er was geen verdacht ingrediënt, geen verdacht gedrag, geen verdacht aankooppatroon. Alleen een vel papier, een pan water en een houtvuur.

Na de processen veranderde Nagyrév voorgoed. Het dorp, dat al klein was, kromp verder. Families vielen uiteen. Mannen die ontdekten dat hun moeder, zus of vrouw een moordenares was, vertrokken. Vrouwen die waren vrijgesproken of niet waren aangeklaagd, leefden verder onder een wolk van verdenking. De kerk liep leeg. De kroeg werd stiller. Het dorp dat al geïsoleerd was, werd nog geïsoleerder, nu niet door geografie, maar door schaamte.

De begraafplaats van Nagyrév bleef liggen zoals de pathologen haar hadden achtergelaten: opengebroken graven, verschoven zerken, de aarde omgewoeld. Niemand had de moeite genomen om de graven te herstellen. De doden hadden gesproken, en wat ze hadden gezegd, wilde niemand meer horen.

Decennia later, toen journalisten en historici het dorp bezochten om het verhaal te reconstrueren, troffen ze een gemeenschap aan die nog steeds zweeg. Oude vrouwen in de deuropeningen keken weg als de naam Fazekas viel. Mannen schudden hun hoofd en mompelden dat het lang geleden was. Eén zin bleef hangen, steeds opnieuw herhaald door dorpsoudsten die het tijdperk nog hadden meegemaakt, een zin die alles samenvatte en tegelijk niets verklaarde: "Die mannen stonden alleen maar in de weg."

Het is een zin die ongemakkelijk maakt, omdat hij geen berouw bevat en geen rechtvaardiging, alleen een constatering. Een constatering die, in de oren van de vrouwen die hem uitspraken, kennelijk voldoende was geweest om vijftien jaar lang te doden.

Nagyrév bestaat nog steeds. Het ligt nog steeds op dat smalle schiereiland tussen de Tisza en de dode rivierarm, nog steeds omringd door graanvelden en zongeblakerde vlaktes. De huizen zijn nog steeds laag en witgekalkt, al zijn de rieten daken vervangen door golfplaat. Er wonen nog een paar honderd mensen. De begraafplaats is overwoekerd met onkruid.

In het Guinness Book of World Records staat de zaak geregistreerd als de "most prolific murder ring", het grootste moordnetwerk ooit gedocumenteerd. Het is een record dat niemand in Nagyrév ooit heeft willen claimen.

Je hoorde de eerste 2 minuten.

Het hele verhaal duurt 27 min. In de app luister je verder waar je gebleven bent.

Luister verder in de app

De Vroedvrouw van Nagyrév

0:002:00 / 26:34