ONVERTELD
← Alle verhalen

1931 · Liverpool, Engeland

"het Spookadres Dat Julia Wallace Haar Leven Kostte"

In 1931 wordt Julia Wallace vermoord in Liverpool. Haar man heeft een alibi dat tegelijk verdacht en waterdicht lijkt, dankzij een bizarre afspraak van een onbekende beller op een niet-bestaand adres.

20 min lezenJulia WallaceLiverpoolOnopgeloste moord

Op maandagavond 19 januari 1931, even na zeven uur, rinkelde de telefoon in het café aan North John Street in Liverpool. Beneden, in de kelderruimte waar de Liverpool Central Chess Club elke maandag bijeenkwam, zaten mannen gebogen over schaakborden tussen wolken sigarenrook. Clubkapitein Samuel Beattie legde zijn pion neer en liep naar de telefoon.

De stem aan de andere kant van de lijn was laag en schor. De man noemde zich R.M. Qualtrough. Hij wilde spreken met ene William Herbert Wallace, een verzekeringsagent die lid was van de club. Qualtrough zei dat hij dringend een verzekering wilde afsluiten voor zijn dochter. Of Wallace morgenavond, dinsdag 20 januari, om half acht kon langskomen op het adres 25 Menlove Gardens East. Beattie vroeg of de man niet zelf naar de club kon komen. "Oh nee, dat kan ik niet," antwoordde Qualtrough. "Ik heb het veel te druk. Mijn meisje wordt eenentwintig en ik wil Wallace per se spreken." Beattie pakte een stukje papier en noteerde: Qualtrough, 25 Menlove Gardens East, 7.30.

Wallace arriveerde ongeveer 25 minuten later. Hij was 52 jaar oud, lang en mager, met een smal gezicht en een stijve manier van bewegen. Hij werkte als agent voor de Prudential Assurance Company en ging elke dag langs deuren in de arbeiderswijken van Liverpool om premies te innen. Het was geen glamoureus bestaan. Hij en zijn vrouw Julia woonden in een bescheiden rijtjeshuis op 29 Wolverton Street in Anfield, een rustige straat met bakstenen gevels en kleine voortuintjes. Wallace pakte het briefje van Beattie aan, las het, en stak het in zijn binnenzak. Hij kende de naam Qualtrough niet. Hij kende Menlove Gardens East evenmin. Maar een nieuwe klant betekende commissie, en commissie betekende geld dat het echtpaar goed kon gebruiken. Hij besloot de afspraak na te komen.

Wat niemand in die rokerige kelderruimte wist, wat niemand kon weten, was dat 25 Menlove Gardens East niet bestond. Er was een Menlove Gardens North. Er was een Menlove Gardens South. Er was een Menlove Gardens West. Maar East? Dat adres was nergens te vinden op welke kaart dan ook. Iemand had William Herbert Wallace een afspraak gegeven op een plek die er niet was. En terwijl Wallace de volgende avond door het donker van Zuid-Liverpool zou zwerven op zoek naar een spookadres, zou zijn vrouw Julia alleen thuisblijven in Wolverton Street.

Ze zou de avond niet overleven.

Het telefoontje was gepleegd vanuit een telefooncel op de hoek van Rochester Road en Breck Road. De politie zou later vaststellen dat die cel zich op ongeveer 400 meter van het huis van de Wallaces bevond. Dichtbij genoeg om te voet te bereiken in vijf minuten. Dichtbij genoeg voor iemand die de buurt kende.

De volgende dag, dinsdag 20 januari, kwam Wallace rond zes uur thuis van zijn ronde. Julia had eten klaargemaakt. Ze aten samen in de kleine keuken aan de achterkant van het huis, waar het gasfornuis zachtjes brandde en de borden op het aanrecht stonden. Even na half zeven stopte melkboer Alan Close bij de voordeur om melk af te leveren. Julia deed open, nam de fles aan, en wisselde een paar woorden met de jongen. Het was het laatste moment waarop iemand buiten het huishouden haar levend zag.

Rond kwart voor zeven trok Wallace zijn jas aan, pakte zijn leren aktetas van de Prudential, en verliet het huis. Julia deed de deur achter hem dicht. Buiten was het al volledig donker, het was midden januari en de zon was uren eerder ondergegaan. De straatlantaarns wierpen bleek licht op de kasseien. Wallace liep naar de tramhalte en stapte op een tram richting het zuiden van de stad.

Wat volgde was een odyssee die bijna komisch zou zijn geweest als de afloop niet zo gruwelijk was. Wallace nam eerst een tram over Smithdown Lane. Bij Penny Lane stapte hij over op een lijn 5a, een dubbeldekker met houten bankjes die ratelde over de rails. Onderweg sprak hij meerdere conducteurs aan. "Ik zoek Menlove Gardens East," zei hij telkens. "Kunt u me waarschuwen wanneer ik moet uitstappen?" De conducteurs deden hun best. Een van hen wees hem erop dat hij bij Menlove Avenue moest uitstappen, een eindje verderop.

Om kwart over zeven stond Wallace op straat in een woonwijk die hij niet kende. De huizen waren donker en stil. Hij liep Menlove Gardens West in, sloeg af naar Menlove Gardens North, en begon huisnummers te tellen. Nummer 25 moest ergens halverwege zitten. Hij klopte aan bij een vrouw die in haar keuken bezig was. Of zij wist waar Menlove Gardens East was? De vrouw schudde haar hoofd. Ze kende alleen North, South en West. Misschien was East een verlengstuk van West, opperde ze, maar zeker wist ze het niet.

Wallace bedankte haar en liep terug naar de hoek. Hij probeerde het bij nummer 25 Menlove Gardens West, misschien was er een vergissing in het adres. Een oudere dame deed open. Wallace vroeg of hier iemand woonde met de naam Qualtrough. De vrouw had de naam nog nooit gehoord. Van een Menlove Gardens East wist ze evenmin.

Hij gaf niet op. Wallace liep systematisch door Menlove Gardens South, controleerde de even huisnummers, keerde terug via Menlove Gardens North, en kwam weer uit op Menlove Avenue. Daar sprak hij een man aan bij een tramhalte. De man haalde zijn schouders op, hij was zelf een vreemdeling in de buurt en kon niet helpen.

Nu begon de frustratie om te slaan in ongerustheid. Wallace liep naar een postkantoor aan Green Lane, vlakbij een bioscoop. Hij vroeg de ambtenaar achter het loket of er een adresboek beschikbaar was. Dat was er niet. Buiten het postkantoor kwam hij een politieagent tegen. Wallace legde zijn situatie uit: hij zocht 25 Menlove Gardens East voor een zakelijke afspraak, maar het adres leek niet te bestaan. De agent was stellig. "Menlove Gardens East? Dat bestaat hier niet," zei hij. Er was geen straat met die naam in heel Liverpool. De agent suggereerde dat Wallace misschien een telefoonboek kon raadplegen in een winkel aan de overkant, maar het was inmiddels bijna acht uur. Wallace had drie kwartier gezocht. Het adres bestond niet. De afspraak was een leugen.

Gefrustreerd en verward stapte Wallace op de tram terug naar Anfield. De rit duurde ruim een half uur. Tegen kwart voor negen liep hij Wolverton Street in. De straat was stil. Bij nummer 29 stak hij zijn sleutel in het slot van de voordeur. De sleutel draaide, maar de deur gaf niet mee. Het nachtslot zat erop, van binnenuit.

Op dat moment kwamen zijn buren, John en Florence Johnston, hun eigen voordeur uit. Ze zagen Wallace op de stoep staan, zichtbaar geagiteerd. Hij vertelde hen dat hij niet binnen kon komen. De Johnstons keken toe terwijl Wallace om het huis heen liep naar de achterkant, waar een smal paadje langs een lage muur naar de keukendeur leidde. Hij duwde tegen de achterdeur. Die gaf niet mee. Hij probeerde het opnieuw, harder nu, en dit keer schoof de deur open. "Die gaat nu wel open," mompelde hij tegen de Johnstons, die hem waren gevolgd.

Wallace stapte de donkere keuken binnen. Het was stil in huis. Geen geluid van Julia. Geen licht in de gang. Hij liep door de keuken naar de hal en ging de trap op. Boven stond de deur van de slaapkamer open. Het dekbed was half teruggeslagen, alsof Julia was opgestaan. De kamer was leeg.

Hij kwam weer naar beneden. De Johnstons stonden in de keuken te wachten. Wallace liep naar de voorkamer, de parlour, zoals die in Engelse rijtjeshuizen werd genoemd. De deur stond op een kier. Hij duwde hem open.

In de voorkamer brandde de gasopenhaard. Het vlammetje wierp een zwak, flikkerend licht over de ruimte. De eerste seconden zag Wallace alleen schaduwen. Toen zijn ogen zich aanpasten aan het halfduister, zag hij haar.

Julia lag op de vloer, vlak bij de open haard. Ze lag op haar zij, haar benen enigszins opgetrokken, haar hoofd naar de schouw gedraaid. Haar schedel was ingeslagen. De rechterkant van haar hoofd was verpletterd door herhaalde, zware klappen. Bloedspatten liepen in boogvormige strepen langs het lichtbeige behang omhoog, tot bijna twee meter hoogte. Op de vloer rondom haar lichaam had het bloed zich verspreid over het tapijt en de plankenvloer. Onder haar lichaam lag een kledingstuk, een regenjas, een donkere mackintosh. Het was Wallace's eigen jas. De rand ervan was deels verschroeid, alsof iemand had geprobeerd het kledingstuk in brand te steken. Aan de binnenkant van een mouw zaten bloedvlekken.

Wallace legde zijn vingers op Julia's pols. Haar huid was koud. Er was geen hartslag. Hij draaide zich om naar de Johnstons, die in de deuropening stonden. Zijn stem was vlak, bijna toonloos. "Come and see," zei hij. "She has been killed." Even later, terwijl Florence Johnston met grote ogen naar het tafereel staarde, voegde hij eraan toe: "They've finished her. Look at her brains."

Het waren woorden die de Johnstons nooit zouden vergeten. Niet zozeer vanwege wat hij zei, maar vanwege hoe hij het zei. Zonder tranen. Zonder paniek. Met een kalmte die sommigen later als verdacht zouden bestempelen, en anderen als de reactie van een man in shock.

Binnen enkele minuten was de politie ter plaatse. Agenten vulden het kleine rijtjeshuis. Ze liepen met dikke rubberen handschoenen door de kamers en begonnen de plaats delict te documenteren. Wat ze aantroffen was een raadsel dat in geen enkel standaardscenario paste.

Lees en luister verder

Dit verhaal, en de hele bibliotheek

Met Onverteld lees en beluister je elk verhaal volledig, meteen en zonder wachten. Probeer 7 dagen alles voor € 0,99.

Liever eerst horen hoe het klinkt? Beluister twee minuten van dit verhaal.

Je hoorde de eerste 2 minuten.

Het hele verhaal duurt 29 min. Met Onverteld luister je alles af, en staat je hele bibliotheek meteen open. Al lid? Log in

Probeer 7 dagen voor € 0,99

"het Spookadres Dat Julia Wallace Haar Leven Kostte"

0:002:00 / 28:51