1935 · Kansas City, Verenigde Staten
Kamer 1046: de Man Die Niemand Kende
In 1935 wordt een zwaar mishandelde man stervend gevonden in een hotelkamer in Kansas City. Hij gebruikte een valse naam, droeg cryptische spullen bij zich, en zijn moord is nog altijd onopgelost.

Op de ochtend van 4 januari 1935 zat Della Ferguson achter de switchboard van het President Hotel in Kansas City, Missouri. Het was een imposant gebouw van veertien verdiepingen aan Baltimore Avenue, een van de deftigste adressen van de stad. Ferguson had net haar dienst overgenomen en liet haar blik over het paneel glijden, tientallen kleine lampjes, elk gekoppeld aan een hotelkamer. Eén lampje brandde al toen ze aankwam. Kamer 1046. De telefoon hing van de haak.
Het was niet ongewoon. Gasten vielen in slaap met de hoorn naast zich, of stootten het toestel om na een avond te veel bourbon. Ferguson noteerde het kamernummer en stuurde een bellhop naar boven. Wat er achter de deur van kamer 1046 lag, zou een van de hardnekkigste onopgeloste zaken uit de Amerikaanse misdaadgeschiedenis worden, een zaak die 90 jaar later nog steeds geen antwoord heeft op de meest fundamentele vraag: wie was de man die daar stierf?
Twee dagen eerder, op woensdagmiddag 2 januari, was een jonge man de lobby van het President Hotel binnengelopen. Hij was slank, ergens midden twintig, met donker haar en een onopvallend gezicht. Bij de receptie pakte hij de pen en schreef in het gastenboek: Roland T. Owen. Als adres noteerde hij Los Angeles, Californië.
De receptionist vroeg wat voor kamer hij wilde. De man had een specifiek verzoek. Hij wilde een binnenkamer, geen uitzicht op straat, maar op de binnenplaats. Een paar verdiepingen hoog. De receptionist wees hem kamer 1046 toe, op de tiende verdieping, en riep een bellhop.
Randolph Propst was 20 jaar oud en werkte al een tijdje als bellhop in het President Hotel. Hij pakte de sleutel aan en liep met de gast naar de lift. Onderweg viel hem iets op: de man had geen koffer. Geen tas. Geen enkele vorm van bagage. In de lift begon de gast een gesprek. Hij vertelde dat hij eerst in het Muehlebach Hotel had gezeten, een nog duurder hotel, een paar straten verderop, maar dat hij was vertrokken omdat het daar 5 dollar per nacht kostte. Het President Hotel rekende 4 dollar voor kamer 1046.
Propst opende de deur van de kamer en deed het licht aan. Het was een standaard eenpersoonskamer: een bed, een schrijftafel, een stoel, een telefoon op een standaard, een badkamer. De gordijnen waren open en lieten het winterlicht van de binnenplaats binnen. De gast liep naar de wastafel en haalde uit zijn jaszakken alles wat hij bezat: een zwarte kam, een haarborstel en een tube tandpasta. Hij legde ze naast de kraan. Dat was het. Zijn hele hebben en houden.
Propst wachtte even of de man nog iets nodig had, kreeg een fooi, en vertrok.
Kansas City was in januari 1935 een stad die zichzelf nog aan het heruitvinden was. De Drooglegging was een jaar eerder opgeheven, maar de infrastructuur van de illegaliteit, de speakholes, de gokhuizen, de netwerken van Tom Pendergast's politieke machine, draaide gewoon door. De stad stond bekend als een "wide-open town," een plek waar de regels soepel waren en waar mensen naartoe kwamen die elders niet welkom waren of niet gevonden wilden worden. Jazz klonk uit de clubs op 18th and Vine. In de lobbies van de grote hotels liepen zakenlieden, politici, gangsters en reizigers door elkaar. Niemand keek op van een man zonder bagage.
Die woensdagmiddag, niet lang nadat Propst de kamer had verlaten, klopte housekeeper Mary Soptic aan bij kamer 1046. Het was haar taak om de kamers op de tiende verdieping schoon te houden, bedden opmaken, handdoeken verwisselen, de badkamer controleren. Ze opende de deur en stapte naar binnen.
Het eerste wat haar opviel was het donker. De gordijnen waren dichtgetrokken. Het enige licht kwam van een kleine lamp op de schrijftafel, en die stond op de laagste stand. De kamer was niet groter dan een paar meter bij een paar meter, maar in dat halfduister leek hij kleiner. De man zat op het bed. Volledig gekleed, zijn jas nog aan.
Soptic vroeg of ze kon schoonmaken. De man zei dat het goed was. Maar toen ze naar de deur liep om die achter zich op slot te draaien, standaardprocedure, hield hij haar tegen. "Laat de deur open," zei hij. "Ik verwacht een vriend. Hij kan er elk moment zijn."
Soptic maakte de kamer schoon en vertrok. Later die middag kwam ze nog een keer langs. De man zat er nog steeds. Dezelfde positie. Dezelfde duisternis. De gordijnen nog steeds dicht. De lamp nog steeds gedimd. De deur nog steeds niet op slot.
De volgende dag, donderdag 3 januari, keerde Soptic terug voor haar dagelijkse ronde. Toen ze kamer 1046 binnenkwam, zag ze iets nieuws. Op de schrijftafel, naast de gedimde lamp, lag een briefje. Het was geschreven in potlood, in een haastig handschrift:
*Don, I will be back in 15 minutes, wait.*
De man was er niet. Soptic maakte de kamer schoon en ging verder met haar werk. Toen ze later terugkwam, was hij er weer. En dit keer was hij niet alleen, althans, niet helemaal. Hij zat op het bed en had de telefoonhoorn tegen zijn oor. Soptic hoorde hem praten. Hij noemde de persoon aan de andere kant van de lijn "Don."
"I don't want to eat," zei hij. "I am not hungry. I just had breakfast."
Het was een vreemde zin voor een man die, voor zover het hotelpersoneel kon zien, de kamer nauwelijks verliet. Soptic ving nog een paar flarden op, maar niets wat ze later kon reconstrueren tot een samenhangend gesprek. Ze maakte haar werk af en vertrok.
Maar er was nog iets. Iets technisch, iets dat pas later betekenis zou krijgen. Toen Soptic die donderdag bij kamer 1046 aankwam, had ze haar loper moeten gebruiken om binnen te komen. De deur zat op slot. Dat was op zich niet vreemd, gasten draaiden hun deur op slot als ze weggingen. Het vreemde was de manier waaróp het slot zat. Het was afgesloten op een manier die alleen van buitenaf kon. Niet van binnenuit. Iemand had de kamer verlaten en de deur achter zich op slot gedraaid. Maar de man was binnen.
Dat betekende dat iemand anders, iemand met een sleutel of een loper, de kamer had afgesloten terwijl de gast erin zat.
Soptic dacht er niet lang over na. Het was een groot hotel. Er waren verklaringen mogelijk. Misschien had de man twee sleutels. Misschien was er een vergissing. Ze ging verder met haar werk.
Die nacht, de nacht van donderdag 3 op vrijdag 4 januari, hoorde een gast op de tiende verdieping geluiden. Luide stemmen. Meerdere mensen die door elkaar praatten, of schreeuwden. Vloeken. Het kwam uit de richting van de kamers aan de binnenplaatszijde. De gast kon niet precies bepalen uit welke kamer het geluid kwam, maar het was luid genoeg om door de muren heen te dringen. Na een tijdje werd het stil.
Niemand belde de receptie. Niemand klopte op een deur. De nacht ging voorbij.
Lees en luister verder
Dit verhaal, en de hele bibliotheek
Met Onverteld lees en beluister je elk verhaal volledig, meteen en zonder wachten. Probeer 7 dagen alles voor € 0,99.
Liever eerst horen hoe het klinkt? Beluister twee minuten van dit verhaal.



