1970 · Bergen, Noorwegen
De Onbekende van Isdalen: Verbrand, Vermist, Vergeten
In 1970 wordt een onbekende vrouw verbrand gevonden in een Noorse vallei. Koffers vol pruiken, gecodeerde notities en valse identiteiten leiden naar een van Europa’s vreemdste cold cases.

Op zondag 29 november 1970, even na één uur 's middags, liep een universiteitsprofessor met zijn twee jonge dochters over een smal bospad aan de noordzijde van de berg Ulriken, net buiten Bergen. Het was een grijze novemberdag. De lucht rook naar natte dennenaalden en rottend blad. De meisjes renden vooruit, zoals kinderen dat doen op een zondagse wandeling, tot het oudste meisje abrupt stilstond.
Tussen de sparren, op een open plek waar het mos donkergroen kleurde, lag iets wat er niet hoorde. Een donkere, onnatuurlijke vorm. De vader liep erheen, knielde, en begreep binnen enkele seconden wat hij zag: een menselijk lichaam, zwaar verbrand, liggend op de resten van wat ooit een kampvuur moest zijn geweest. De rechterarm van de vrouw lag geklemd tegen haar borst. De linkerarm was gestrekt, de vingers gespreid, een houding die forensisch pathologen kennen als de "bokserpose," veroorzaakt door spiersamentrekking na extreme hitte.
De dochters begonnen te huilen. De vader stond op, greep hun handen, en rende terug over het pad naar de dichtstbijzijnde telefoon.
Wat volgde was een onderzoek dat meer dan een halve eeuw zou duren, en dat tot op de dag van vandaag geen antwoord heeft opgeleverd op de meest fundamentele vraag: wie was deze vrouw?
De politie van Bergen arriveerde binnen het uur. Rechercheurs troffen een tafereel aan dat tegelijkertijd gruwelijk en raadselachtig was. Het lichaam lag op een verkoold bed van brandhout en takken, alsof iemand zorgvuldig een brandstapel had opgebouwd. De geur was scherp: verbrand hout, verschroeid haar, en iets chemisch, benzine. Naast het lichaam, verspreid over het vochtige mos, lagen voorwerpen die elk op zichzelf onschuldig leken, maar samen een verontrustend beeld vormden.
Tien roze pillen lagen verspreid in het gras rondom het lichaam. Het waren Fenemal-tabletten, een barbituraat dat in Scandinavië als slaapmiddel werd voorgeschreven. Een kwartliterfles St. Hallvard-likeur stond leeg naast haar hoofd. Twee plastic flessen zonder dop lagen op hun zij; toen een agent er voorzichtig aan rook, herkende hij onmiddellijk de scherpe geur van benzine. Verder lag er een halfopgegeten lunchpakket, een typisch Noors matpakke, brood in vetvrij papier, alsof de vrouw nog had gegeten voordat het vuur begon.
De kleding van de vrouw was grotendeels verbrand, maar niet volledig. Rechercheurs konden resten identificeren van een blauwe wollen trui, een groen-geruite sjaal waarvan het uiteinde was verschroeid, nylonkousen die aan haar benen waren gesmolten, en één rubberen laars, een zogenaamde zeilerslaars. De andere laars ontbrak. Een kapotte paraplu lag een meter verderop, het nylon weggebrand, alleen het metalen skelet nog intact. Onder haar rechterknie vonden ze een polshorloge waarvan de plastic kast gedeeltelijk was gesmolten. De wijzers stonden stil op 12:32.
Maar het meest verontrustende detail was niet wat er wél lag. Het was wat er ontbrak. Elk kledingstuk, elke persoonlijke bezitting, elk label dat een naam, een merk of een herkomst kon verraden, alles was systematisch verwijderd. De etiketten waren uit de kleding geknipt. De merktekens op de flessen waren afgekrabd. Zelfs de plastic paspoorthouder die naast het lichaam lag, was leeg.
Iemand had er alles aan gedaan om te zorgen dat deze vrouw niet geïdentificeerd kon worden.
De politie van Bergen zette onmiddellijk al het beschikbare personeel in. Hoofdinspecteur Osmund Birkeland leidde het onderzoek. Binnen 48 uur was Interpol ingeschakeld. Op dinsdag 1 december arriveerden forensische experts van Kripos, het Noorse nationale recherche-instituut, in Bergen. De zaak kreeg de hoogste prioriteit, niet alleen vanwege de gruwelijke omstandigheden, maar vanwege iets wat de rechercheurs direct opviel: dit was geen gewone dood. De combinatie van verbranding, slaappillen, benzine en het systematisch verwijderen van alle identificerende kenmerken wees op iets wat zorgvuldig was voorbereid. De vraag was alleen: door wie?
De eerste doorbraak kwam drie dagen na de vondst van het lichaam. Op het treinstation van Bergen, in de bagagekluis, stonden twee koffers die niemand had opgehaald. De politie opende ze voorzichtig, en wat erin zat, maakte de zaak alleen maar raadselachtiger.
In de eerste koffer lagen twee pruiken, één mahoniebruin, één donkerder, naast een uitgebreide collectie make-up en cosmetica. Daaronder lag een klein notitieboekje, gevuld met handgeschreven notities in wat leek op een code. Kolommen met letters en cijfers, afgewisseld met afkortingen die geen enkele rechercheur onmiddellijk kon thuisbrengen. Verder bevatte de koffer kaarten van Noorwegen en dienstregelingen van treinen en bussen, een recept voor huidcrème waarvan de naam van de arts en de datum zorgvuldig waren weggeschraapt, twee brillen, één zonder sterkte, één zonnebril met een zwart montuur, en een metalen eetlepel die opvallend leek op een halfgesmolten exemplaar dat bij het lichaam was gevonden.
De tweede koffer bevatte kleding. Elk kledingstuk was ontdaan van labels en merktekens, net als de kleding op het lichaam. In de voering van de koffer, verstopt in een naad, vonden rechercheurs vijf bankbiljetten van 100 Deutsche Mark, 500 DM in totaal, een aanzienlijk bedrag in 1970. Daarnaast lagen er 130 Noorse kronen en losse munten in Belgische franken, Britse ponden en Zwitserse franken.
De vingerafdrukken op de zonnebril kwamen overeen met de afdrukken van het lichaam. De koffers waren van de vrouw uit Isdalen.
Maar de koffers leverden geen naam op. Geen paspoort, geen identiteitsbewijs, geen brief, geen adresboekje. Alleen het gecodeerde notitieboekje, dat de rechercheurs wekenlang zou bezighouden.
De cryptografen van de Noorse politie begonnen het notitieboekje te ontcijferen. De code bleek minder complex dan aanvankelijk gevreesd: de letters correspondeerden met plaatsnamen, de cijfers met data. Langzaam tekende zich een reisroute af. De vrouw was in de maanden voor haar dood door heel Europa gereisd: Stavanger, Bergen, Trondheim, maar ook Parijs, Hamburg, Genève, en diverse kleinere steden. Bij elke bestemming had ze een ander hotel geboekt, onder een andere naam.
De politie begon de hotels af te bellen. Het beeld dat zich ontvouwde was opmerkelijk. De vrouw had in de weken en maanden voor haar dood minstens acht tot negen verschillende identiteiten gebruikt. Ze had zich ingeschreven als Belgische, als Franse, als Duitse. De namen varieerden: Jenevive Lancia, Claudia Tielt, Vera Jarle, Elisabeth Leenhower, maar het patroon was steeds hetzelfde: ze arriveerde alleen, betaalde contant, bleef een paar nachten, en vertrok zonder sporen achter te laten.
In Bergen had ze op 18 november 1970 ingecheckt bij Hotel Rosenkrantz. De volgende dag verhuisde ze naar Hotel Hordaheimen, waar ze kamer 407 betrok onder de naam Elisabeth Leenhower uit België. Het hotelpersoneel herinnerde zich haar. Ze was een opvallende verschijning: donker haar, scherpe gelaatstrekken, stijlvolle kleding. Ze sprak gebroken Engels met een accent dat niemand precies kon plaatsen, sommigen dachten Duits, anderen Frans, weer anderen iets Oost-Europees. Ze vertelde de receptionist dat ze handelsvertegenwoordiger was in antiek.
Maar ze gedroeg zich niet als een zakenvrouw. Ze bleef grotendeels op haar kamer, kwam zelden naar beneden, en leek waakzaam. Toen ze op 23 november uitcheckte, betaalde ze contant en vroeg de receptioniste een taxi te bellen. Later die dag werd ze voor het laatst levend gezien: bij het treinstation van Bergen, waar ze haar twee koffers in een bagagekluis achterliet.
Zes dagen later lag ze dood in Isdalen.
De obductie, uitgevoerd begin december 1970 in het forensisch laboratorium van Bergen, leverde resultaten op die het mysterie alleen maar verdiepten. De patholoog-anatoom stelde vast dat de vrouw een dodelijke hoeveelheid Fenemal had ingenomen, tientallen tabletten, genoeg om een volwassene te doden. Tegelijkertijd was er een hoge concentratie koolmonoxide in haar bloed, wat betekende dat ze nog leefde en ademde toen het vuur brandde. De combinatie van barbituraten en koolmonoxidevergiftiging was de directe doodsoorzaak.
Maar er was meer. De patholoog ontdekte een forse bloeduitstorting in de nek van de vrouw, een kneuzing die wees op een klap of een val kort voor of rond het moment van overlijden. Dit detail paste niet in het beeld van zelfmoord. Wie slaat zichzelf in de nek voordat ze slaappillen inneemt en zichzelf in brand steekt?
Lees en luister verder
Dit verhaal, en de hele bibliotheek
Met Onverteld lees en beluister je elk verhaal volledig, meteen en zonder wachten. Probeer 7 dagen alles voor € 0,99.
Liever eerst horen hoe het klinkt? Beluister twee minuten van dit verhaal.



