ONVERTELD
← Alle verhalen

1943 · Hagley Wood, Engeland

Een Skelet in de Iep, een Naam op de Muur

In 1943 vinden vier jongens een skelet in een holle boom in Engeland. De dode vrouw blijft naamloos, tot mysterieuze graffiti plots vraagt: ‘Who put Bella in the Wych Elm?’

18 min lezenCold caseOnbekende dodeGraffiti

Op zondagmiddag 18 april 1943 fietsten vier jongens uit Stourbridge over een smal pad langs de rand van Hagley Wood. Robert Hart, Tommy Willetts, Bob Farmer en Fred Payne waren tussen de veertien en achttien jaar oud, en ze hadden die middag maar één doel: vogelnesten. Het was een helder voorjaar, de zon stond hoog boven Worcestershire, en het bos van Lord Cobham, privéterrein, verboden voor onbevoegden, lokte met het gesjilp van honderden broedende vogels. De jongens wisten dat ze er niet mochten komen. Stropen was strafbaar, zeker op het landgoed van een adellijke familie. Daarom lieten ze hun fietsen achter bij een hek en slopen ze tussen de eiken en berken door, zo stil als ze konden.

Hagley Wood lag op de flank van Wychbury Hill, een lage heuvel ten noorden van het stadje Hagley. Het was een dicht, oud bos. Eiken met stammen zo dik als een auto stonden naast verwrongen iepen en berken die hun takken als vingers naar het licht strekten. De grond was bedekt met een laag dennennaalden en vergaan eikenloof dat zacht veerde onder hun schoenen. Tussen de bomen door was in de verte de stenen obelisk op de heuveltop zichtbaar, een achttiende-eeuws monument dat Lord Lyttelton ooit had laten bouwen als folly, een decoratief bouwwerk zonder functie. Die middag stond het monument er stil en wit bij, als een uitroepteken boven het bos.

De jongens werkten zich dieper het bos in. Bob Farmer liep voorop. Hij was de brutaalste van de vier, degene die altijd als eerste een boom in klom of een hek over sprong. Halverwege een open plek bleef hij staan. Voor hem stond een oude wych elm, een bergiep, die er anders uitzag dan de bomen eromheen. De stam was breed en knoestig, vol diepe groeven en scheuren. Maar het opvallendste was dat de boom van binnen hol leek. Door een groot gat in de stam, op ongeveer borsthoogte, was een donkere holte zichtbaar.

Bob dacht aan een nest. Een holle boom was een ideale broedplaats voor uilen of spechten. Hij klauterde tegen de stam omhoog, zette zijn voeten op twee uitstekende wortels en boog zich naar het gat. Binnen was het donker. Hij kon niet goed zien wat er lag. Daarom pakte hij een losse tak van de grond, een droge, stevige stok van ongeveer een armlengte, en stak die in het gat. De stok raakte iets hards. Iets dat niet aanvoelde als hout of aarde.

Bob duwde de stok verder en probeerde het object naar zich toe te trekken. Het schuurde tegen de binnenwand van de stam. Toen het in het licht kwam, zag hij een rond, wit oppervlak. Even dacht hij dat het een kokosnoot was, of een grote paddenstoel. Maar toen hij het verder naar buiten trok en het zonlicht erop viel, zag hij de oogkassen.

Het was een menselijke schedel.

Op het voorhoofd zat een klein stuk vergane huid, bruin en leerachtig, met slierten slap haar eraan vast. De mond stond half open. De twee voortanden waren scheef, ze staken naar voren, alsof ze uit de kaak waren geduwd. Bob staarde er een halve seconde naar. Toen liet hij de stok vallen, verloor zijn grip op de boomstam en gleed naar beneden. De schedel rolde terug in het gat.

De andere drie jongens hadden het gezien. Fred Payne deinsde achteruit. Tommy Willetts stond als versteend. Bob Farmer, die op de grond was beland met aarde op zijn knieën, keek omhoog naar het gat in de boom en zei later tegen de politie: "There was a small patch of rotting flesh on the forehead with lank hair attaching to it, and the two front teeth were crooked."

Niemand zei iets. Toen renden ze.

Ze stoven over het bospad terug naar hun fietsen, struikelend over wortels en takken. Bij het hek grepen ze hun fietsen en trapten zo hard ze konden richting Stourbridge. Onderweg spraken ze af om te zwijgen. Als ze vertelden wat ze hadden gevonden, moesten ze ook vertellen dat ze op verboden terrein hadden gestroopt. Dat betekende problemen met de politie, problemen thuis, problemen op school.

Maar Tommy Willetts was de jongste, en het beeld van die schedel met die scheve tanden liet hem niet los. Die avond, thuis aan de keukentafel, brak hij zijn belofte. Hij vertelde het aan zijn vader. Die pakte de telefoon en belde de politie.

De volgende ochtend stond een team van de Worcestershire Constabulary bij de holle wych elm. Agenten in uniform baanden zich een weg door het struikgewas. Toen ze bij de boom kwamen en met zaklampen in het gat schenen, zagen ze meer dan alleen een schedel. In de holte van de stam, gepropt in een ruimte niet groter dan een flinke vuilniszak, lag een bijna compleet menselijk skelet.

De beenderen waren bruin verkleurd door het tannine uit het hout, de natuurlijke looistof van de iep had het bot geconserveerd als een soort onbedoeld mummificatieproces. Tussen de botten lagen resten van kleding: flarden stof in verschillende kleuren, grotendeels vergaan maar nog herkenbaar. Er lag een enkele schoen, blauw, van crêpemateriaal. En aan een van de vingerkootjes zat een gouden trouwring.

De politie liet het terrein afzetten en belde professor James Webster, de forensisch patholoog verbonden aan de universiteit van Birmingham. Webster was een van de meest ervaren forensische onderzoekers van Engeland. Hij arriveerde diezelfde dag nog in Hagley Wood met zijn instrumenten en begon het skelet voorzichtig uit de boom te halen, bot voor bot, kledingstuk voor kledingstuk.

Wat Webster vaststelde, maakte de zaak alleen maar raadselachtiger.

Het slachtoffer was een vrouw. Ze was ongeveer 1 meter 52 lang, had bruin haar en was vermoedelijk rond de 35 jaar oud op het moment van haar dood. Haar gebit vertoonde de opvallende scheve voortanden die Bob Farmer had beschreven. Ze had waarschijnlijk minstens één kind gebaard, dat kon Webster afleiden uit het bekken. Ze droeg een mosterdgele wollen rok, een blauw-geel gestreepte trui, een lichtblauwe stoffen riem, een onderrok van roze zijden taffeta en de blauwe crêpeschoenen waarvan er één in de boom was gevonden. Geen van deze kledingstukken had een label of merknaam. Het waren gewone, onopvallende kleren die in elke winkel of op elke markt in Engeland te koop waren geweest.

Maar het meest verontrustende vond Webster in haar mond. Diep in de keelholte zat een prop stof, een stuk van diezelfde roze taffeta waarvan haar onderrok was gemaakt. Iemand had het in haar mond geduwd. Webster concludeerde dat de vrouw was gestikt. De prop had haar luchtwegen afgesloten. Dit was geen ongeluk en geen zelfmoord. Dit was moord.

Er was nog iets. Op enige afstand van de boom, enkele meters verderop in het struikgewas, vonden de agenten losse botjes. Het waren de resten van een hand. De hand was van het lichaam gescheiden. Of dat was gebeurd door dieren die aan het lichaam hadden geknaagd, of door menselijk handelen, kon Webster niet met zekerheid vaststellen. Maar het feit dat de hand op afstand lag terwijl de rest van het skelet intact in de boom zat, was opmerkelijk.

Webster maakte nog een cruciale vaststelling. Het lichaam moest kort na de dood in de boom zijn gestopt, terwijl het nog warm en buigzaam was. De opening in de stam was smal. Een lichaam in rigor mortis, stijf en onbuigzaam, had er onmogelijk doorheen gepast. Iemand had de vrouw vermoord, haar lichaam naar deze afgelegen plek in het bos gedragen, en haar voeten eerst door het gat in de stam geduwd. Daarna was de rest van het lichaam erin geperst, als een kurk in een fles. De boom had haar verzwolgen.

Op basis van de staat van ontbinding en de groei van boomwortels rond de beenderen schatte Webster dat de vrouw minstens achttien maanden dood was. Dat plaatste haar overlijden in of vóór oktober 1941, midden in de Tweede Wereldoorlog, toen Engeland onder constante dreiging van Duitse bombardementen leefde en de bevolking in beweging was. Mensen verhuisden, vluchtten, verdwenen. Administratie was chaotisch. Het was de slechtst denkbare tijd om een vermist persoon te traceren.

De politie van Worcestershire begon een grootschalig onderzoek. Ze doorzochten registers van vermiste personen in de hele regio. Ze publiceerden beschrijvingen van de vrouw, haar lengte, haarkleur, de scheve tanden, in politiebulletins en zelfs in tandheelkundige vakbladen, in de hoop dat een tandarts haar zou herkennen. Ze ondervroegen bewoners van Hagley en omliggende dorpen. Ze controleerden ziekenhuisarchieven, huwelijksregisters, evacuatiebestanden.

Niets. Geen enkele vermissingsmelding paste bij de vrouw in de boom. Niemand leek haar te missen. Niemand herkende de beschrijving. Het was alsof ze nooit had bestaan.

Lees en luister verder

Dit verhaal, en de hele bibliotheek

Met Onverteld lees en beluister je elk verhaal volledig, meteen en zonder wachten. Probeer 7 dagen alles voor € 0,99.

Liever eerst horen hoe het klinkt? Beluister twee minuten van dit verhaal.

Je hoorde de eerste 2 minuten.

Het hele verhaal duurt 23 min. Met Onverteld luister je alles af, en staat je hele bibliotheek meteen open. Al lid? Log in

Probeer 7 dagen voor € 0,99

Een Skelet in de Iep, een Naam op de Muur

0:002:00 / 23:09