ONVERTELD
← Alle verhalen

1960 · Venetië, Italië

De Dief Die door het Dogepaleis Gleed als een Schim

Van 1936 tot 1960 stal de Italiaanse automonteur Vincenzo Pipino tientallen topstukken uit kerken en musea, verborg ze thuis en leefde intussen ogenschijnlijk onopvallend verder.

20 min lezenKunstroofItaliëMuseumdiefstal

Op een ochtend in het najaar van 1991 sloeg een nachtwaker van het Palazzo Ducale in Venetië alarm. In de Sala dei Censori, een zaal met donkerrode zuilen en portretten van kerkelijke rechters, hing een leeg kozijn aan de muur. Het schilderij dat er de avond ervoor nog had gehangen, een Madonna col Bambino uit de school van de Vivarini, was verdwenen. Geen gebroken glas. Geen geforceerd slot. Geen enkel spoor van braak. Alleen een kale rechthoek op de muur, als een open wond in het hart van de Venetiaanse staat.

Commissaris Palmosi van de Venetiaanse politie stond diezelfde ochtend in de zaal en draaide langzaam om zijn as. De bewakingscamera's hadden niets bruikbaars opgeleverd. De deuren waren intact. Het leek alsof het schilderij zichzelf had losgemaakt en was weggelopen. Maar toen boog een forensisch technicus zich over een houten bankje dat vlak onder het lege kozijn stond. In een dun laagje stof tekende zich de afdruk af van een schoenzool. Het was een sportschoen, maat 43, van het Britse merk Clarks.

De eigenaar van die schoenen zat op dat moment drie straten verderop aan een wankel tafeltje in een bar, met een espresso en de ochtendkrant Il Gazzettino. Zijn naam was Vincenzo Pipino, geboren op 22 juli 1943 in een van de armste wijken van Venetië. Hij was 48 jaar oud, had een brede glimlach, droeg een rood fluwelen jasje, en had op zijn strafblad al honderden inbraken staan. De politie kende hem. Half Venetië kende hem. En toch was hij die nacht opnieuw als een schim door het Dogepaleis gegleden zonder dat iemand het had gemerkt.

Pipino sloeg de krant open en zag de voorpagina. Daar stond het: de gestolen Madonna, het lege kozijn, de verontwaardiging van de burgemeester. Maar halverwege het artikel verstijfde hij. Een klein regeltje, bijna terloops: "Als enige aanwijzing troffen de speurders een schoenafdruk aan." Pipino keek omlaag naar zijn voeten. Daar stonden ze, de Clarks, onschuldig naast de tafelpoot. Dezelfde schoenen die hij de afgelopen nacht had gedragen toen hij op dat bankje stond, op zijn tenen reikend naar het schilderij, met een scalpel in zijn rechterhand.

Hij legde twee munten op de bar, pakte zijn schoenen op, en liep naar buiten.

Vincenzo Pipino groeide op in het Venetië van de naoorlogse jaren, in een stad die nog de littekens droeg van bombardementen en bezetting. Zijn familie woonde in een krap appartement in Castello, het volksbuurtje achter het Arsenaal, waar de was tussen de gevels hing en de geur van frituurvet en zout water permanent in de stenen trok. Geld was er niet. Zijn vader werkte als dagloner op de scheepswerven. Zijn moeder waste linnen voor hotels. Als kind van zes rende Vincenzo al door de calli, de smalle steegjes van Venetië, om brood te stelen van marktkramen bij de Rialto.

Het was geen romantische armoede. Het was honger. Maar Venetië bood iets wat geen andere stad ter wereld kon bieden: een labyrint. Duizenden steegjes, honderden bruggen, tientallen kanalen, en een logica die alleen begrepen werd door wie er was geboren. Vincenzo leerde de stad lezen als een landkaart van mogelijkheden. Elke doodlopende steeg had een uitweg als je wist welke muur laag genoeg was om overheen te klimmen. Elk kanaal had een plek waar je ongezien het water in kon glijden. Elke kerk had een zijdeur die 's nachts niet op slot zat.

Op zijn veertiende probeerde hij voor het eerst een theater binnen te sluipen via een raam aan de achterkant, niet om te stelen, maar om gratis een voorstelling te zien. Hij werd gepakt door een portier die hem bij zijn kraag greep en de straat op smeet. Maar Vincenzo had iets geleerd: het raam had geen alarm. De portier had pas na twintig minuten gemerkt dat er iemand binnen was. Twintig minuten. In twintig minuten kon je een heleboel doen.

Tegen zijn twintigste was Pipino een volleerd inbreker. Maar hij onderscheidde zich van de gemiddelde Venetiaanse kruimeldief door twee eigenschappen die hem decennialang zouden beschermen. De eerste was zijn methode: hij gebruikte nooit geweld. Geen wapens, geen bedreigingen, geen confrontaties. Als er iemand thuis was, ging hij weg. Als een alarm afging, vluchtte hij. Hij brak in als een chirurg opereerde, stil, precies, en met zo min mogelijk schade.

De tweede eigenschap was zijn obsessie met voorbereiding. Weken voor een inbraak verkende hij zijn doelwit. Hij liep overdag als toerist door musea en palazzo's, gekleed in dat opvallende rode fluwelen jasje, juist omdat niemand verwachtte dat een dief zich zo zou kleden. Hij beklom de klokkentoren van San Marco om vanuit de hoogte de binnenplaatsen van palazzo's te bestuderen. Hij noteerde de rondes van nachtwakers, de tijdstippen waarop lichten aan- en uitgingen, de plekken waar camera's blinde hoeken hadden.

En hij had een truc die niemand anders gebruikte. Om te testen of een ruimte een bewegingssensor had, ving hij een stadsduif, nam het dier mee in een papieren zak, en liet het los in de ruimte die hij wilde betreden. Als er een alarm afging, wist hij dat er sensoren waren. Als de duif ongestoord rondfladderde, was de weg vrij. De duif was zijn kanarie in de kolenmijn.

Zijn gereedschap paste in een jaszak. Een chirurgisch scalpel om doeken uit lijsten te snijden. Een inklapbare aluminium ladder van nog geen twee kilo. Een kleine zaklantaarn met rood licht, omdat rood licht minder ver draagt in het donker dan wit. Handschoenen van dun leer, het soort dat pianisten dragen, zodat hij zijn vingertoppen kon voelen maar geen afdrukken achterliet. Dat was alles. Geen koevoeten, geen glassnijders, geen explosieven. Pipino's filosofie was dat een goede dief niets nodig had behalve geduld en kennis van de ruimte.

In de jaren zeventig en tachtig bouwde hij een reputatie op die in de Venetiaanse onderwereld legendarisch werd. Hij brak in bij juweliers langs de Mercerie, de winkelstraat tussen San Marco en de Rialto, en verdween met zakken vol ringen en kettingen. Hij sloop palazzo's binnen van rijke families die 's zomers naar hun villa's aan het Gardameer vertrokken en hun Venetiaanse huizen maandenlang onbewaakt lieten. Hij stal uit kerken, uit privécollecties, uit hotelkamers van rijke toeristen.

Maar het waren de musea die hem het meest trokken. Niet vanwege de waarde van de kunst, gestolen schilderijen zijn notoir moeilijk te verkopen, maar vanwege de uitdaging. Een museum beroven was het ultieme bewijs van meesterschap. En Venetië had musea die nergens ter wereld hun gelijke kenden: het Dogepaleis, de Gallerie dell'Accademia, de Peggy Guggenheim Collection, de Ca' d'Oro. Gebouwen vol meesterwerken, beschermd door muren van eeuwen oud marmer en bewakingssystemen die varieerden van middeleeuws tot modern.

Pipino brak tweemaal in bij de Peggy Guggenheim Collection, het witte palazzo aan het Canal Grande waar de excentrieke Amerikaanse erfgename haar verzameling moderne kunst had ondergebracht. De eerste keer nam hij een klein bronzen beeld mee. De tweede keer, amper een jaar later, ging hij terug voor een schilderij. Het feit dat hij dezelfde plek tweemaal beroofde, terwijl de beveiliging na de eerste keer was aangescherpt, werd in de Venetiaanse pers beschreven als een daad van onbeschaamde brutaliteit. Pipino zelf noemde het een compliment aan de collectie.

Maar de inbraak in het Dogepaleis in 1991 was anders. Het Palazzo Ducale was niet zomaar een museum. Het was het symbool van de Venetiaanse Republiek, de zetel van de doge, het hart van een staat die eeuwenlang de Middellandse Zee had beheerst. Inbreken in het Dogepaleis was niet alleen een misdaad tegen het erfgoed, het was een aanval op de identiteit van Venetië zelf.

Pipino had het gebouw wekenlang bestudeerd. Overdag mengde hij zich tussen de toeristen die door de gouden zalen schuifelden, langs de Tintoretto's en Veroneses die de plafonds bedekten. Hij telde de stappen van de suppoosten. Hij noteerde welke zalen 's avonds als eerste werden afgesloten en welke als laatste. Hij bestudeerde de buitenmuren vanaf het water, varend in een geleende motorboot langs de Piazzetta, turend naar de ramen op de eerste verdieping.

De nacht van de inbraak was bewolkt en windstil. Het water van de lagune lag als zwart glas rond de fundamenten van het paleis. Pipino naderde niet via de hoofdingang aan het San Marcoplein, maar via een smalle steeg aan de achterzijde, waar het gebouw grenst aan de Rio di Palazzo, hetzelfde kanaal waar de Brug der Zuchten overheen loopt. Hij droeg donkere kleding, zijn Clarks-schoenen, en had zijn gereedschap in de binnenzakken van zijn jas.

Bij een lage muur aan de waterkant klapte hij zijn aluminium ladder uit. Het ding woog bijna niets en maakte geen geluid toen hij het tegen de stenen zette. Hij klom omhoog, greep de rand van een vensterbank op de eerste verdieping, en trok zichzelf op. Het raam was niet vergrendeld, hij had dat drie dagen eerder gecontroleerd door het overdag, als toerist, voorzichtig te testen terwijl hij deed alsof hij naar buiten keek.

Binnen was het donker. Niet het donker van een gewone kamer, maar het diepe, fluwelen donker van een palazzo zonder straatverlichting, waar de muren zo dik zijn dat geen enkel geluid van buiten doordringt. Pipino knipte zijn rode zaklantaarn aan. De bundel viel op een marmeren vloer, op vergulde lijsten, op de gezichten van heiligen en dogen die hem vanaf de muren aanstaarden.

Hij bewoog zich door de zalen met de zekerheid van iemand die de plattegrond uit zijn hoofd kende. Langs de Sala del Maggior Consiglio, waar Tintoretto's Paradijs, het grootste olieverfschilderij ter wereld, een hele wand besloeg. Langs de Sala del Senato, waar de doge ooit zijn raadgevers had toegesproken. Door een smalle gang naar de Sala dei Censori, de zaal van de kerkelijke rechters, waar twee rode zuilen de ruimte flankeerden en waar, aan de rechtermuur, de Madonna col Bambino hing.

Het schilderij was kleiner dan de meeste werken in het paleis, misschien zestig bij tachtig centimeter, maar het was oud, kostbaar, en kwetsbaar. Pipino zette zijn ladder onder het kozijn en klom omhoog. Op het houten bankje dat tegen de muur stond, vond hij houvast. Hij reikte omhoog naar het schilderij, haalde het scalpel uit zijn binnenzak, en begon de doek langs de randen van de lijst los te snijden.

Lees en luister verder

Dit verhaal, en de hele bibliotheek

Met Onverteld lees en beluister je elk verhaal volledig, meteen en zonder wachten. Probeer 7 dagen alles voor € 0,99.

Liever eerst horen hoe het klinkt? Beluister twee minuten van dit verhaal.

Je hoorde de eerste 2 minuten.

Het hele verhaal duurt 25 min. Met Onverteld luister je alles af, en staat je hele bibliotheek meteen open. Al lid? Log in

Probeer 7 dagen voor € 0,99

De Dief Die door het Dogepaleis Gleed als een Schim

0:002:00 / 25:18