ONVERTELD
← Alle verhalen

2001 · Mulhouse, Frankrijk / Europa

Zijn Moeder Vernietigde het Bewijs, en de Kunst

Jarenlang stal Stéphane Breitwieser ongemerkt honderden kunstwerken uit Europese musea. Toen hij eindelijk werd gepakt, vernietigde zijn moeder een groot deel van de buit, en daarmee ook het bewijs.

16 min lezenKunstroofStéphane BreitwieserMuseumdiefstal

Op een doordeweekse ochtend in het najaar van 1995 liep een 24-jarige ober uit Mulhouse een klein museum binnen in het oosten van Frankrijk. Hij droeg een nette jas, sprak beleefd tegen de suppoost, en betaalde zijn entreegeld contant. Twintig minuten later verliet hij het gebouw met een zestiende-eeuws schilderij onder zijn jas. Niemand had iets gemerkt. De ober heette Stéphane Breitwieser, en dit was het begin van de opmerkelijkste kunstroofserie die Europa in de twintigste eeuw zou kennen.

Wat Breitwieser anders maakte dan vrijwel elke andere kunstdief in de geschiedenis, was zijn motief. Hij stal niet om te verkopen. Hij stal niet in opdracht van een heler, niet voor losgeld, niet voor de zwarte markt. Stéphane Breitwieser stal kunst omdat hij ervan hield. Hij wilde de werken bezitten, ernaar kijken, ermee leven. In zijn slaapkamer in het huis van zijn moeder in Mulhouse, een onopvallend rijtjeshuis in de Elzas, op steenworp afstand van de Duitse en Zwitserse grens, bouwde hij in zes jaar tijd een privécollectie op die museumdirecteuren jaloers zou maken. Schilderijen van oude meesters hingen naast elkaar aan de muren. Zilveren tabaksdozen, ivoren beeldjes, antieke wapens en muziekinstrumenten vulden kasten en planken. Het was een geheim museum, verborgen achter de gordijnen van een doorsnee Frans gezinswoning.

Tussen 1995 en 2001 sloeg Breitwieser toe in meer dan 170 musea, verspreid over Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, België, Oostenrijk, Denemarken en Nederland. In totaal ontvreemdde hij 239 kunstwerken en antieke objecten. De geschatte waarde liep uiteen van honderden miljoenen tot meer dan een miljard euro, afhankelijk van welke taxatie werd gehanteerd. Het opmerkelijke was niet alleen de omvang, maar de methode. Breitwieser gebruikte geen inbraakgereedschap, geen nachtkijkers, geen touwen of glassnijders. Hij stal overdag, tijdens openingsuren, terwijl andere bezoekers door dezelfde zalen wandelden. Zijn gereedschap bestond uit een Zwitsers zakmes, een schroevendraaier, en een lange winterjas.

De vrouw die hem daarbij hielp, was zijn vriendin Anne-Catherine Kleinklaus. Zij fungeerde als uitkijk. Terwijl Breitwieser een schilderij van de muur lichtte of een vitrine openwrikte, stond Kleinklaus in de deuropening van de zaal. Als er een suppoost naderde, hoestte ze, of begon ze luid een vraag te stellen over een ander kunstwerk. Het koppel opereerde met een eenvoud die grensde aan brutaliteit. In sommige musea duurde een diefstal niet langer dan negentig seconden.

Breitwieser had een scherp oog voor wat hij wilde. Hij koos zelden de beroemdste stukken, die waren te goed beveiligd en te herkenbaar. In plaats daarvan richtte hij zich op werken uit de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw die in kleinere provinciale musea hingen, vaak zonder alarmsysteem of camerabewaking. Een portret van Lucas Cranach de Oude. Een landschap van een onbekende Vlaamse meester. Een zilveren beker uit de Renaissance. Elk stuk werd geselecteerd op schoonheid, niet op marktwaarde. Breitwieser beschreef zichzelf later als een "estheet" en een "verzamelaar," niet als een crimineel.

Die zelfperceptie was veelzeggend. In zijn slaapkamer in Mulhouse leefde Breitwieser te midden van zijn buit als een soort privé-conservator. Hij hing de schilderijen zorgvuldig op, poetste het zilverwerk, en bestudeerde de herkomst van elk object. Zijn moeder Mireille Breitwieser, geboren als Mireille Stengel, woonde in hetzelfde huis. Zij wist van de collectie. De schilderijen hingen aan de muren van kamers waar zij dagelijks doorheen liep. De antieke objecten stonden op planken die zij afstofte. Mireille zweeg. Zes jaar lang keek zij toe hoe haar zoon het huis vulde met gestolen kunst, en zij zei niets, niet tegen de politie, niet tegen familie, niet tegen buren.

Het is onduidelijk in hoeverre Mireille de omvang van de diefstallen begreep. Breitwieser beweerde later dat zij geloofde dat hij de stukken op rommelmarkten kocht. Maar dat verhaal was moeilijk vol te houden voor iemand die dagelijks langs zestiende-eeuwse olieverfschilderijen in vergulde lijsten liep. De stilzwijgende medeplichtigheid van Mireille Breitwieser zou uiteindelijk omslaan in iets veel destructievers.

Het keerpunt kwam op 19 november 2001, in Luzern, Zwitserland.

Breitwieser en Kleinklaus waren die dag naar het Richard Wagner Museum gereisd, een villa aan het Vierwoudstrekenmeer waar de Duitse componist Richard Wagner tussen 1866 en 1872 had gewoond. Het museum herbergde naast Wagner-memorabilia ook een collectie historische muziekinstrumenten. Breitwieser had zijn oog laten vallen op een antieke jachthoorn, een zogenaamde bugle, die in een vitrine lag.

De diefstal verliep volgens het vertrouwde patroon. Kleinklaus hield de wacht bij de deur van de zaal. Breitwieser opende de vitrine, nam de bugle, en verborg het instrument onder zijn jas. Het koppel verliet het museum zonder dat iemand alarm sloeg.

Maar twee dagen later keerde Breitwieser terug naar Luzern. De reden is niet met zekerheid vastgesteld, mogelijk wilde hij sporen uitwissen, mogelijk overwoog hij een tweede diefstal. Wat wel vaststaat, is dat medewerkers van het museum inmiddels de vermissing van de bugle hadden opgemerkt en de politie hadden ingeschakeld. Toen Breitwieser in de omgeving van het museum werd gesignaleerd, grepen agenten in. Hij werd aangehouden met een schroevendraaier en tape op zak. De Zwitserse politie nam hem mee voor verhoor.

In de eerste uren na zijn arrestatie zweeg Breitwieser. Hij gaf zijn naam op, maar weigerde verdere verklaringen. De Zwitserse rechercheurs wisten op dat moment niet wie ze voor zich hadden. Voor hen was het een verdachte van een enkele diefstal uit een klein museum, vervelend, maar niet spectaculair. Zij hadden geen idee dat de man tegenover hen verantwoordelijk was voor 239 diefstallen in zeven landen.

Maar terwijl Breitwieser in een Zwitserse cel zat, begon in Mulhouse een keten van gebeurtenissen die de zaak zou transformeren van een opmerkelijke kunstroof tot een culturele ramp.

Anne-Catherine Kleinklaus was na de arrestatie alleen teruggekeerd naar Frankrijk. Zij wist dat de politie Breitwieser vasthield, en zij wist wat er in het huis in Mulhouse lag: 239 gestolen kunstwerken, verspreid over slaapkamers, kasten en zolderruimtes. Als de Zwitserse politie de identiteit van Breitwieser zou achterhalen en de Franse autoriteiten zou inlichten, zou een huiszoeking onvermijdelijk zijn. Alles zou aan het licht komen.

Kleinklaus deed wat zij op dat moment het meest logische vond: zij belde Mireille Breitwieser. Het telefoongesprek tussen de vriendin en de moeder is niet opgenomen, maar de gevolgen ervan zijn nauwkeurig gedocumenteerd door de Franse justitie. Kleinklaus vertelde Mireille dat Stéphane was gearresteerd in Zwitserland. Dat de politie hem vasthield. Dat het huis vol gestolen kunst lag. Dat er een huiszoeking kon komen.

Wat er daarna gebeurde in het huis aan de rand van Mulhouse, is een van de meest verwoestende episodes in de recente kunstgeschiedenis.

Mireille Breitwieser handelde snel. Binnen enkele dagen na het telefoongesprek begon zij systematisch de collectie van haar zoon te vernietigen. Zij pakte de schilderijen van de muren. Doek na doek, lijst na lijst. Met een mes of een schaar, het exacte gereedschap is niet eenduidig vastgesteld, sneed zij de canvassen uit hun lijsten. Zestiende-eeuwse portretten, zeventiende-eeuwse landschappen, achttiende-eeuwse stillevens. Werken die honderden jaren hadden overleefd in musea, kerken en privécollecties door heel Europa. Mireille sneed ze aan stukken.

De houten lijsten brak zij in stukken. Sommige verbrandde zij. De resten van de doeken, stroken beschilderd linnen, sommige niet groter dan een hand, propte zij in vuilniszakken. Zwarte plastic zakken, het soort dat in elke Franse supermarkt te koop is.

Maar de schilderijen waren slechts een deel van de collectie. Er waren ook de objecten: zilveren bekers, ivoren beeldjes, antieke wapens, porseleinen vazen, bronzen figuren, muziekinstrumenten. Honderden voorwerpen die Breitwieser in zes jaar bij elkaar had gestolen. Mireille stopte ze in zakken en dozen. Vervolgens laadde zij alles in haar auto.

Het Rhône-Rijnkanaal loopt door het oosten van Frankrijk, van de Rijn bij Straatsburg naar de Saône bij het Bourgondische Saint-Symphorien-sur-Saône. Het kanaal passeert ook Mulhouse, waar het door een industrieel landschap van pakhuizen, fabrieken en braakliggende terreinen slingert. Op sommige plekken is de oever niet meer dan een modderig talud met wat onkruid, zonder hekwerk of verlichting.

Op een avond, of meerdere avonden, de exacte tijdlijn is niet volledig gereconstrueerd, reed Mireille Breitwieser naar het kanaal. Zij parkeerde haar auto langs de oever. Zij opende de kofferbak. En zij begon de zakken en dozen in het water te gooien.

Stuk voor stuk verdwenen de objecten in het donkere, stilstaande water van het Rhône-Rijnkanaal. Zilveren bekers die ooit op de tafel van een Duits adellijk huis hadden gestaan. Ivoren beeldjes die in Vlaamse kerken hadden gestaan. Bronzen figuren die generaties van museumbezoekers hadden gefascineerd. Ze zonken naar de modderige bodem, tussen het slib en het afval dat zich in elk kanaal verzamelt.

Mireille gooide naar schatting 109 objecten in het water. De schilderijen die zij niet had verbrand, gingen er ook in, de resten van doeken, opgerold of samengepropt in plastic zakken, dreven even aan het oppervlak voordat het water ze naar beneden trok.

Toen zij klaar was, reed zij terug naar huis. Het huis was leeg. De muren waren kaal. De planken waren leeg. Zes jaar kunstroof, 239 gestolen werken, een collectie die door experts later zou worden geschat op honderden miljoenen euro's, het was verdwenen. Vernietigd, verbrand, of begraven in de modder van een Frans kanaal.

Mireille Breitwieser had in enkele dagen meer kunst vernietigd dan de meeste oorlogen in maanden aanrichten.

De Zwitserse politie had ondertussen de identiteit van Breitwieser vastgesteld en contact opgenomen met hun Franse collega's. Toen Franse rechercheurs uiteindelijk het huis in Mulhouse doorzochten, troffen zij lege kamers aan. Geen schilderijen. Geen objecten. Alleen spijkergaatjes in de muren waar lijsten hadden gehangen, en stofcontouren op planken waar beeldjes hadden gestaan. De rechercheurs begrepen onmiddellijk dat er iets was weggehaald, maar de omvang van wat er was verdwenen, werd pas duidelijk toen Breitwieser zelf begon te praten.

In zijn Zwitserse cel hoorde Stéphane Breitwieser wat zijn moeder had gedaan. De impact was verwoestend. Voor Breitwieser was de collectie niet slechts buit, het was zijn levenswerk, zijn identiteit, zijn reden van bestaan. Hij had de werken niet gestolen om ze te verkopen of te verbergen. Hij had ze gestolen om ernaar te kijken, om ze aan te raken, om in hun nabijheid te leven. En nu waren ze vernietigd. Niet door de politie, niet door een rechter, niet door de musea die ze terugvorderden, maar door zijn eigen moeder.

Breitwieser stortte in. In de maanden na zijn arrestatie ondernam hij drie pogingen om een einde aan zijn leven te maken. Telkens werd hij op tijd gevonden door bewakers. De man die zes jaar lang met chirurgische precisie kunst had gestolen uit de best beveiligde musea van Europa, lag nu op de vloer van een Zwitserse gevangeniscel, gebroken door het besef dat alles wat hij had opgebouwd, was vernietigd door de ene persoon die hij het meest vertrouwde.

De Franse justitie opende een onderzoek naar Mireille Breitwieser. Zij werd verhoord in Mulhouse en gaf toe dat zij de kunst had vernietigd en in het kanaal had gedumpt. Haar verklaring was opmerkelijk in zijn eenvoud: zij had gehandeld om zichzelf te beschermen. Zij wilde niet dat de politie de gestolen kunst in haar huis zou aantreffen, omdat zij dan zelf als medeplichtige zou worden beschouwd. Door de kunst te vernietigen, hoopte zij het bewijs te laten verdwijnen.

Het was een redenering die juridisch nergens op sloeg. De politie wist inmiddels van de diefstallen: Breitwieser had bekentenissen afgelegd. Het vernietigen van de buit maakte Mireille niet minder verdacht, maar juist meer. Zij had nu niet alleen stilzwijgend meegewerkt aan het bewaren van gestolen goederen, maar ook actief bewijs vernietigd en cultureel erfgoed onherstelbaar beschadigd.

Toch was er in haar handelen ook iets dat dieper ging dan juridische berekening. Mireille Breitwieser had zes jaar lang geleefd met de wetenschap, bewust of halfbewust, dat haar zoon een dief was. Zij had de kunst in haar huis getolereerd, misschien zelfs gewaardeerd. Maar op het moment dat de consequenties dreigden, koos zij niet voor haar zoon en niet voor de kunst. Zij koos voor zichzelf. En in die keuze vernietigde zij alles.

In mei 2002, een half jaar na de arrestatie, begon een bergingsoperatie in het Rhône-Rijnkanaal. Franse militaire duikers werden ingezet om de bodem van het kanaal af te zoeken in het gebied rond Mulhouse. Het was een moeizaam proces. Het kanaal was op sommige plekken meters diep, de bodem bestond uit dikke lagen slib, en het zicht onder water was vrijwel nihil. De duikers werkten op de tast, met hun handen door de modder grijpend, op zoek naar objecten die maanden eerder in het water waren gegooid.

Stuk voor stuk kwamen de vondsten boven. Een zilveren beker, bedekt met een laag groen slib. Een bronzen beeldje, vervormd door de impact met de kanaalbodem. Porseleinen fragmenten. Stukken hout die ooit schilderijlijsten waren geweest. Sommige objecten waren verrassend intact, metalen voorwerpen hadden de maanden onder water redelijk doorstaan. Andere waren onherkenbaar beschadigd.

In totaal haalden de duikers 102 objecten uit het kanaal. Le Monde meldde dat er 107 stukken werden geborgen, het exacte aantal verschilde per bron, afhankelijk van hoe fragmenten werden geteld. Wat vaststond, was dat een aanzienlijk deel van de collectie was teruggevonden, zij het in sterk beschadigde staat. Musea in heel Europa werden gecontacteerd om de objecten te identificeren. Conservatoren reisden naar Mulhouse om de modderige, aangetaste voorwerpen te bekijken en te vergelijken met hun diefstalregisters.

Maar voor de schilderijen kwam elke hulp te laat. De doeken die Mireille had doorgesneden en verbrand, waren onherstelbaar verloren. Geen restaurator ter wereld kon een schilderij reconstrueren dat in stroken was gesneden en vervolgens was verbrand of maandenlang in kanaalwater had gelegen. Van de meer dan 60 schilderijen die Breitwieser had gestolen, werd het overgrote deel nooit teruggevonden in herkenbare staat.

Onder de verloren werken bevonden zich stukken van aanzienlijke kunsthistorische waarde. Een van de kostbaarste was een portret dat werd toegeschreven aan Lucas Cranach de Oude, voorstellende Sibylle van Kleef, een werk dat op circa 7,3 miljoen euro werd geschat. Of dit specifieke schilderij door Mireille werd vernietigd of via een andere weg verloren ging, is niet met volledige zekerheid vastgesteld. Maar het feit dat het nooit is teruggevonden, spreekt boekdelen.

De rechtszaken die volgden, trokken in Frankrijk brede aandacht. In januari 2003 stond Mireille Breitwieser terecht in Straatsburg. De aanklacht luidde: opzettelijke vernietiging van gestolen goederen en het belemmeren van de rechtsgang. De rechtbank veroordeelde haar tot drie jaar gevangenisstraf. Zij zat uiteindelijk 18 maanden uit.

Achttien maanden. Voor de vernietiging van een kunstcollectie die honderden jaren Europese cultuurgeschiedenis vertegenwoordigde. Voor het onherstelbaar beschadigen van werken die generaties van museumbezoekers hadden geïnspireerd. Voor het vernietigen van bewijs in een van de grootste kunstroofseries uit de Europese geschiedenis. Achttien maanden.

Anne-Catherine Kleinklaus stond eveneens terecht, beschuldigd van medeplichtigheid aan de diefstallen. Zij had jarenlang als uitkijk gefungeerd, had Breitwieser vergezeld naar musea in zeven landen, en had actief meegewerkt aan het plannen en uitvoeren van de rooftochten. De rechtbank veroordeelde haar tot achttien maanden cel, waarvan zij zes maanden effectief uitzat.

Stéphane Breitwieser zelf werd in januari 2005 veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf, waarvan 26 maanden effectief. Hij had op dat moment al ruim drie jaar in voorarrest gezeten in Zwitserland en Frankrijk. Na zijn veroordeling werd hij uitgeleverd aan Frankrijk, waar hij zijn resterende straf uitzat. Begin 2007 kwam hij vrij.

De straffen waren opmerkelijk mild, zeker gezien de omvang van de zaak. 239 gestolen kunstwerken uit meer dan 170 musea in zeven Europese landen. Een geschatte schade van honderden miljoenen euro's. En de hoofdverdachte kreeg effectief 26 maanden cel. Zijn moeder, die een groot deel van de buit vernietigde, zat 18 maanden. Zijn vriendin, die zes jaar lang als medeplichtige fungeerde, zat zes maanden.

De verklaring lag deels in het Franse rechtssysteem, waar de maximumstraffen voor kunstdiefstal aanzienlijk lager liggen dan in veel andere Europese landen. Deels lag het aan Breitwiesers volledige medewerking met justitie, hij legde uitgebreide bekentenissen af, identificeerde elk gestolen werk, en hielp bij het traceren van de objecten die nog niet waren teruggevonden. En deels lag het aan het feit dat Breitwieser nooit een enkel werk had verkocht. In de ogen van de wet was hij een dief, maar geen heler. Zijn motief, pure esthetische obsessie, maakte hem in juridische zin minder strafbaar dan een professionele kunsthandelaar op de zwarte markt.

Na zijn vrijlating in 2007 schreef Breitwieser een autobiografisch verslag van zijn diefstallen, gepubliceerd onder de titel *Confessions d'un Voleur d'Art*. Het boek verscheen in 2006 en bood een gedetailleerd inkijkje in zijn werkwijze, zijn motivatie, en zijn relatie met de gestolen kunst. Breitwieser beschreef hoe hij urenlang naar een schilderij kon kijken voordat hij besloot het te stelen. Hoe hij de textuur van het doek bestudeerde, de penseelstreken analyseerde, de kleuren in verschillende lichtomstandigheden bekeek. Voor hem was elke diefstal een daad van liefde, niet van hebzucht.

Die liefde maakte de vernietiging door zijn moeder des te wreder. In interviews na zijn vrijlating sprak Breitwieser over de vernietiging als het ergste wat hem ooit was overkomen, erger dan de arrestatie, erger dan de gevangenisstraf, erger dan het verlies van zijn vrijheid. De kunst was zijn wereld geweest, en zijn moeder had die wereld in stukken gesneden en in een kanaal gegooid.

Maar het verhaal van Stéphane Breitwieser eindigde niet met zijn vrijlating. In 2011 werd hij opnieuw gearresteerd, ditmaal in Duitsland, voor een nieuwe reeks kunstdiefstallen. Hij had het niet kunnen laten. De drang om kunst te bezitten, om een schilderij van de muur te tillen en het mee naar huis te nemen, bleek sterker dan elke gevangenisstraf, elke rechtszaak, elke waarschuwing. In 2019 werd hij nogmaals veroordeeld, in Frankrijk, voor diefstallen gepleegd tussen 2011 en 2014.

De musea die het slachtoffer waren geworden van Breitwiesers oorspronkelijke rooftocht, bleven achter met lege plekken aan hun muren. Sommige werken werden na de bergingsoperatie in het kanaal gerestaureerd en teruggeplaatst. Andere bleven vermist. En een aanzienlijk aantal was voorgoed verloren, niet door de dief die ze had gestolen, maar door de moeder die ze had vernietigd.

In de annalen van de kunstcriminaliteit neemt de zaak-Breitwieser een unieke positie in. Het is niet de grootste kunstroof ooit, die eer gaat naar de diefstal uit het Isabella Stewart Gardner Museum in Boston in 1990, waarbij werken van Vermeer en Rembrandt verdwenen. Het is niet de spectaculairste, de roof van de Mona Lisa in 1911 door Vincenzo Peruggia blijft ongeëvenaard in dramatiek. Maar het is wellicht de tragischste. Want de grootste schade werd niet aangericht door de dief, maar door iemand die nooit een museum had betreden met het doel iets te stelen. De grootste vernietiging kwam van binnenuit, van een moeder die in paniek handelde, en in die paniek eeuwen van Europese kunstgeschiedenis onherstelbaar beschadigde.

Van de 239 werken die Breitwieser stal, zijn er 102 teruggevonden in het kanaal. Een deel daarvan kon worden gerestaureerd. De rest, tientallen schilderijen, beeldjes, instrumenten en objecten, is voorgoed verdwenen. Vernietigd door een vrouw met een mes, een aansteker en een auto vol vuilniszakken, op een donkere avond aan de oever van het Rhône-Rijnkanaal in Mulhouse.

Mireille Breitwieser leeft sindsdien in anonimiteit. Haar zoon bleef stelen. De musea bleven rouwen. En ergens op de modderige bodem van een Frans kanaal liggen misschien nog altijd fragmenten van wat ooit meesterwerken waren, bedekt onder decennia van slib, onzichtbaar, onbereikbaar, en voor altijd stil.

Je hoorde de eerste 2 minuten.

Het hele verhaal duurt 24 min. In de app luister je verder waar je gebleven bent.

Luister verder in de app

Zijn Moeder Vernietigde het Bewijs, en de Kunst

0:002:00 / 23:46